MCMLII-MMVII

08 april 2007

Bijdrage van: Kuyper

Marina, Martinus, Jan-Willem en Charactermoord op Lucifer

27 October 2007

Mortuus est Johannes Nebulosus, vivit Rembrandt Harmensz. Leidensis

Net nu ik weer aanleiding had om over mevrouw C. Palmen’s werk te schrijven (Kuyper invehit in Palmas) – die aanleiding zijn een paar portretten van mejuffrouw Marilyn Monroe die me plotsklaps onder ogen komen – nu overlijdt Jan Wolkers en duikt een werk van onze Rembrandt op. Laat me „onze Rembrandt" schrijven, want men dateert het in zijn Leidse tijd en wij wonen tenslotte in Leiden. Laat ons gezien de overvloed aan mislukte Rembrandt-monumenten die de stad al kent hopen dat het gemeentebestuur niet op de smakeloze idee komt het aantal te vergroten en opnieuw een monument of zelfs een aantal monumenten onder een spandoek, casu quo spandoeken, met een hondervoudig vergrote kleurenafbeelding van een schilderij te bedekken. Men weet dat zo een vergroting niet alleen de kleur geweld aandoet, maar ook door platslaan van de textuur een volkomen vertekend beeld geeft van het origineel. En nu spreken we nog niet eens over de intimiteit van Rembrandt’s schilderijen.

„Ter ere van het Rembrandtjaar" is bijvoorbeeld de trapgevel van het Weeshuis aan de Hooglandse Kerkgracht meer dan een jaar lang ontsierd door zo een kermisachtig spandoek. Heel Leiden gaat zo langzamerhand op één reusachtige braderie voor de middenstand lijken.

Ik heb een aantal maanden geen tijd gehad voor deze colommen en in de tussentijd heeft men mij verweten met een kanon op een mug te schieten (in de zaak van de kwade Lucifer) en zijn me een aantal schilderijen, publicaties en photo’s onder ogen gekomen die me alle wel aanleiding geven tot commentaar: Fier d’être français van Max Gallo, vroeg in 2007 in Parijs verschenen, nog voordat hij in Mei Membre de l’Académie werd – Trots om Frans te zijn!, klinkt het u ook zo bekend in de oren? – en Bestrijd het Leed dat Mulisch heet, een bundeling artikelen uit Propia Cures, en verder twee afbeeldingen van Monroe, en dan ik heb in het voorjaar een 24-uurs bezoek aan Londen gebracht, een visite éclaire, maar het objectief was de moeite waard: zes-en-veertig schilderijen van Velázquez, die een onvergetelijke indruk maken.

Het boekje van Gallo vergeten we maar. We delen zijn bezorgdheid, maar waarom die ronkerige taal vol rhetorische vragen zo krom gesteld dat hij zich haast om op de volgende bladzijde te verklaren dat-i het zo toch ook weer niet bedoeld had? Zo iets werkt contra-productief. Maar door het geronk van Tante IJzeren Rita moest ik er weer aan denken. En ik ben het toch zo eens met die principieele ontroering van haar en van Kameraad Wilders – alleen wil ik de aandacht een heel klein beetje meer aan de oorzaken van de problemen wijden, zodat we tot een humane oplossing kunnen komen.

Men weet misschien dat ik heb meegedaan aan de verkiezingen voor de Staten van Zuid-Holland. Dat was druk werk en ik heb zo nu en dan wat zittende Statenleden ontmoet. Ik kan niet zeggen dat het opwekkend was. De meesten, vooral de aanvoerders der fracties, troffen door botheid en stupiditeit. Wat te denken van een fractievoorzitter zoals die van Groen Links, die elk argument tegen de Rijn-Gouwelijn pareert met „De Rijn-Gouwelijn moet er komen, want ik fiets". Einde argument.

Er zijn nota bene wel een tiental steekhoudende argumenten tegen, laten we hier maar meteen één noemen: dat vervoer is in vergelijking met de trein die er nu rijdt niet „hoogwaardig", dat is het alleen in vergelijking met de trekschuit

Neen, het was niet opwekkend (de intelligente leden zijn inmiddels alle naar de Eerste Kamer verhuisd), zodat ik er even uit moest om geestelijk weer op verhaal te komen. Door de absolute noodzaak van even iets anders ging de organisatie nu eens perfect: telephonisch en per E-mail vliegtuig en het hotel dat ik wilde hebben voor één nacht en kaartje voor de eerste groep bezoekers op Maandagochtend – dan kun je kijken zolang je wilt zolang je maar niet naar het toilet wilt om te pissen.

Geestelijke balsem: zes-en-veertig werken van Velázquez in de hoge, lumineus gerestaureerde zalen van de National Gallery. Ik ben niet in het Prado geweest en zo had ik de meeste nog nooit gezien. Velázquez was tijdgenoot van Rembrandt en als hofschilder heeft hij een gevarieerder oeuvre, maar toch heeft Rembrandt iets huiselijks in vergelijking met Velázquez’ allure. Zelfs bij de portretten – zelden is er zo een gemene, gluiperige kop geschilderd als die van Innocentius X (de versie die Velázquez mee naar Spanje nam – die voor Giovan Battista Pamphilii zelf, die nog steeds in Rome is, houdt zich wat meer aan het decorum). Maar pas het grote, sensationele portret van Aesopus gaf mij een enorme schok – hij hing in de laatste zaal, ten voeten uit, en je liep recht op hem aan. Nauwelijks „a shock of recognition", het deed me aan geen enkele zeventiende-eeuwse schilder denken, zelfs niet aan een late Rembrandt. Neen, een ogenblik dacht ik: hebben ze ter vergelijking een Jan Sluyters opgehangen?

Het portret maakt zo een moderne indruk dat je haast niet wil geloven dat het ruim driehonderdvijftig jaar oud is. Aesopus, naar het zeer antieke verhaal gaat, was een slaaf die was vrijgelaten om zijn verstand en geestigheid en die dierenfabels heeft geschreven als moralistische voorbeelden voor het menselijke gedrag. Zijn onverschilligheid voor uiterlijkheden spreekt uit zijn nonchalante kleding. Rembrandt was gauw in de verleiding gekomen om met een een of ander „antiek" attribuut het onderwerp wat afstandelijk te maken, maar Velázquez laat zich door niets afleiden en zo staat Aesopus daar, de tijdloze onthuller van de menselijke comedie, als het alter ego van Velázquez.

Aesopus misschien wel, maar Innocentius X had nooit kunnen denken dat hij balsem voor de ziel zou zijn.

(Tussen haakjes – tussen haakjes omdat ik niet weet hoe ik in dit godvergeten medium voetnoten moet maken: lees het prachtige artikel over Velázquez’ Pausportretten van Ingrid Rowland in de laatste New York Review of Books van 2006, die ook nog onthullend vergelijkt met Bernini’s marmeren buste van de prelaat van omstreeks dezelfde tijd.)

Alles komt altijd tegelijk! Nu Alexander ook nog, net nu we dachten dat het zo toch al ruim genoeg was. Maar laten we eerst proberen die palmen uit ons systeem te rooien. Maar ja, als C. Palmen Marina Schapers met Marilyn Monroe wil vergelijken! Marilyn Monroe die om te zien niet meer is dan een onsmakelijke del. Misschien heeft Palmen alleen maar aan een vlotte voornaamsassociatie gedaan. Moet je wel de ene of de andere naam verkeerd uitspreken. Sorry, we hebben met een philosophe te maken, die uiteraard wat van logica weet: tweede mogelijkheid: beide namen verkeerd uitspreken. Heb je ooit een kleurenkiek van Marilyn Monroe gezien? Tja, opgepept en zwart-wit wil het wel wat wezen. Neem b.v. de fameuze photo van Eve Arnold, Marilyn Monroe aan de Speeltafel (die vorig jaar op het omslag van nummer 3 van het Bulletin van het Rijksmuseum heeft gestaan – een nummer waarin een keuze uit de photocollectie is opgenomen – wanneer je die keuze ziet denk je dat alle zwart-wit photo’s onvergelijkbaar veel beter zijn dan kleurenkiekjes), een photo uit de jaren 60, maar zie ook een recente satyrische collage van haar met kameraad Stalin door de Russische kunstenaar Leonid Sokov, afgedrukt in de I.H.T. (kort voor Herald Tribune) van 26 October j.l.

Wanneer je dan een kleurenphoto van het wezen ziet, denk je alleen nog maar aan een pas geboend biggetje – heel hard geboend, zodat het vlekkerig rose is, maar toch niet hard genoeg, want overal zijn nog rode puistjes blijven kleven.

En dan die tieten! Marina had niet alleen een crème-kleurige huid met een prachtige teint maar stevige, ronde, hoge tieten – bescheiden maar zelfbewuste bastions. Maar ms. Monroe! Trouw van 20 October citeert Jan Wolkers in Turks Fruit – ja, je leest goed, en volgens de redacteur zou dit toen zo man-en-broederse dagblad het al bij het verschijnen van dit boek met z’n o, zo zoete titel hebben geciteerd « Ik naaide de ene meid na de andere...ramde me een ongeluk. (Ik cursiveer). Grote tieten, hangend als zakken brij met spenen om aan te zuigen » Etcetera, etcetera, etcetera. De/het NRC/Handelsblad van diezelfde datum geeft de bijbehorende photo: Jan Wolkers in z’n nakie, van voren gezien, u weet wel, die van Groeten van Rottumerplaat uit 1971. In kleuren. Ik heb zo net ramde me een ongeluk gecursiveerd om er de nadruk op te leggen dat de schrijver waarheidsgetrouw is. En dat, als ik die buste erboven goed bekijk, onder het welwillend toeziend oog van de heer Van Beethoven. Dat apparaat van hem is geen fraai lid met een gearticuleerd Grieks profiel – je weet wel, kop hals en staart, of als je het niet weet: een duidelijke stam, een onder de voorhuid opbollende eikel en even nog, van onder, een elegant nauw tuitje van de voorhuid. (En als je het dan nog niet weet, ga dan naar een echt Grieks beeld kijken, de Bronzen van Riace bijvoorbeeld). Maar hier! Helemaal vormeloos geneukt! Misschien heeft hij ons allemaal belaserd en heeft hij een vleselijke verhouding met mejuffrouw Marilyn Monroe gehad. Daar was ook alles vormeloos. Die zakken brij waren nog mild in vergelijking met háár melkspiegel. Je moet wel een Americaanse president zijn om zozeer quali- en quantiteit (quali- en quantitiet?) door elkaar te halen dat je daarop valt. Misschien heeft ze hem verleid door deze onderdelen als extra attractie over haar schouders naar achteren te gooien. (Voi, che sapete che cosa è amor).

Erna ben ik er mee gestopt, maar tot en met Turks Fruit heb ik de meeste romans van hem met spanning en waardering gelezen. Het ongelooflijk soepel en beeldend taalvermogen, prachtig taalgebruik, echt van Gereformeerde komaf maar inderdaad door ’s schrijvers escapades wat soepeler gemaakt, en dan dat photographische geheugen! De houten tribune van AFC! We woonden in de oorlog erachter, in de Emmalaan, en dan Jan Wolkers, jaren na totale verotting en afbraak dat ding tot op het minste schroefje en spijkertje beschrijven. Of de desolate staat van Kasteel Oud-Poelgeest nadat er geallieerde soldaten gehuisvest waren geweest... niet bij naam genoemd maar, hup, daar zie je het weer voor je. Dat is nog wat anders dan romans à clé schrijven waarbij je moet vermelden om wie het gaat. Als je het doet, doe het dan goed. Denk bijvoorbeeld aan Hermans’ Mandarijnen op Zwavelzuur : ik kende slechts één Groningse hoogleraar – maar daar stond de ijdeltuit haarscherp voor me. Als schrijver van Gereformeerden huize had Wolkers soms wel wat van Gerard Kornelis (heb ik die vent in mijn colommen eigenlijk als eens omschreven als iemand die steeds schoner over een steeds enger onderwerp ging schrijven? heb ik nu de GROTE 3 van de Naoorlogse Literatuur allen genoemd?)

Wel, Bestrijd het Leed dat Mulisch heet, dat boekje tegen Mulisch. Ik heb het net gekocht en met het water om den mond zet ik me tot lezing. Zal er een recensie van Het Stenen Bruidsbed in staan? En voor of na de mijne gedateerd? En van de jongensavonturenroman? Die herinneringen van zo een vijftig jaar geleden toch! „Telephoon voor de Heer Mulisch" en dan zag je een van die ijdeltuiten in Américain opstaan en zich wèl zichtbaar richting telephonieke cabine begeven. Eens zat hij tegenover me aan de leestafel, bij toeval (?) net naast een bloedmooie meid, wie hij weldra avances begon te maken. Daar wou ze niets van hebben. Nu, zo iets kan je gebeuren, zou je denken. Niet den Heer Mulisch! Zelden heb ik iemand zo ingehouden kwaad zien worden. Rood als een kreeft: dat hij, de grote knappe schrijver... Furieus is nog een te milde term.

Nou ja, hoe groter geest, hoe groter beest. Terecht heeft het gezegde deze volgorde. Het is namelijk geen algebraische equatie die je ook van achteren naar voren kunt lezen: hoe groter beest, hoe groter geest. Neen, dat kan niet. Laten we ons tot zijn werken beperken en zijn ijdelheid pas opvoeren wanneer we denken dat ze van het privéleven in het oeuvre overvloeit. (Nu ga ik eerst met rode oortjes in Propia Cures’ verzameling recensies kijken). Het eerste wat opvalt is dat ze hem niet mogen. Maar nogmaals, dat heeft weinig met het werk te maken.

Maar we krijgen teveel in een. Eerst ook Johannes Nebulosus uit mijn systeem proberen te gooien.

In de oorlog woonden we in de Emmalaan, maar daarna kregen we het grootste NSB-huis dat ter beschikking kwam, tegenover de kerk aan de Nassaulaan, die, zoals het tijdens de triomftocht van het Calvinisme onder Colijn betaamt als een cubistisch kruis van taartpunten was opgetrokken, zoals er in de jaren 30 enige honderden verspreid over alle Noordelijke Nederlanden zijn verschenen.

Ernaast wonend hebben we de verwording van het Gereformeerdendom gezien: na de Oorlog nog lopend naar de Kerk, maar weldra met het statussymbool: de privé-auto... steeds meer, vermoedelijk omgekeerd evenredig met de beleving van het Ware Woord. Men weet waar het op uit gedraaid is: geestelijk uitgemangeld en in wurgende omknelling geraakt van de tentakels van de eens zo Roomse Volkspartij. Die kerk is omstreeks 1935 gebouwd, en Wolkers maar conscientieus en minuscuul de grassprietjes beschrijven die hij zich nog herinnert van het grasveldje dat voor altijd omgewoeld is om de erectie van deze Tempel mogelijk te maken. (Sorry, serieuze lezer, voor deze pun op het Engelse verbum voor het optrekken eens gebouws).

Nu Jan wijlen is vindt de/het NRC/Handelsblad het gepast de grootste smaakbederver die we kennen, ene Alexander Pechtold, in haar/zijn colommen aan het woord te laten, omdat hij in Leiden het voor het station geplaatste „monument" Ode aan Rembrandt heeft onthuld. Het station heeft een lelijk ijzeren front (och hadden we nog maar het beschaafde station van Schelling met zijn zuilen van gebouchardeerd beton), voor het station ligt een plein met een met nep-natuurstenen lelijk schuin afgesneden zijkant (die zijkant ligt vast te wachten op verdere ontsiering door de Rijn-Gouwetram) en nog onogelijker gemaakt door lantarenpalen van als haastig Froebelwerk aan elkaar gelaste buizen en buisjes staal en plaatstalen vuilnisbakken waarvan de grootste, met een dunne stalen deksel erop (zoals de grote Leidse vuilcontainers) aan zijn bovenkant als een platgeslagen, volkomen platte kinderkralen-versiering ook nog met wat gekleurd glas is bezet.

Met plaatsvervangende schaamte dat de Gemeente zich door een, laten we het vriendelijk zeggen, over het hoogtepunt van zijn krachten heenzijnd kunstenaar zo iets heeft laten aannaaien (door ALEXANDER onthuld) haasten we ons naar de Weddesteeg waar het Leids genie is geboren, om even te vergelijken met een monument te zijner ere van een jongere artist. Ugh! (Oef!) dat valt niet mee. Boven op een soort tumulus staat een zakkig jongetje in kleuren – alsof het van marsepein is – voor een bronzen ezel (o Reve zaliger, geen woordspelingen alstjeblieft) waarop een bronzen doek prijkt waarop... een portret van de meester is gegraveerd, zoals Manzù het zou doen.

Wel, dat hoopte ik toen ik ’s middags aankwam. Maar ik stond tegen de zon in te koekeloeren en ik moest ’s ochtends vroeg terugkomen en toen nog even op het juiste strijklicht wachten. Ach heden! Mijne o, zoo schoone illuzie ging in klodders brons op. Blijkt me daar die moderne artist in staat een geschilderd doek in hoog-relief te imiteren en het schilderende ventje ervoor in kleuren, vagelijk rood-wit-blauw, zoals, naar mensen zoals Geert Wilders en Rita Verdonk weten, de kleuren der schildersjassen te dien tijde waren! Of de leeftijd van het zelfportret dat het ventje kennelijk aan het „schilderen" is overeenkomt met zijn eigen leeftijd laten we aan experts ter expertise over. Het wit is op ’s mannetjes plooikraag aangebracht, een plooikraag die, zoals we weten, door Leidse schilders in de zeventiende eeuw bij het schilderen werd gedragen.

Wij hebben ons laten vertellen dat de tumulus geen mislukte grafheuvel voorstelt bij wijze van ere-mausoleum of cenotaaph, een Leids huldeblijk aan zijn roemruchte zoon, maar dat hij bedoeld was een uurwerk en raderwerk te verbergen, bestemd om ezel en jongetje te draaien, te laten roteren, zodat het kunstwerk – wat zeg ik, het dubbele kunstwerk, een echt Rederijkers kunstje als combinatie van moderne kunst met een imitatie-17de-eeuws portret – zijn fijne trekken altijd aan de zon zou laten zien en wij dan weer die mooie afgeleide! Maar dat de Gemeente, de hordes touristen ziende die toch wel kwamen, haastig een kosten-batenanalyse liet uitvoeren door een daarvoor speciaal ingehuurd duur bureau, dat tot de te verwachten conclusie kwam dat perfectie niet meer dagjesmensen zou opleveren.

Voor wie naar Leiden wou komen nog een tip: loop honderd meter verder, daar heb je aan het begin van de Witte Singel, ja, naast een foeilelijk trafohuisje, een echt en niet onknap borstbeeld van Rembrandt, echt driedimensionaal, in brons en op een goed geproportioneerde piedestal. Een degelijk beeld, van Toon Dupuis in 1906, maar nog geheel zoals de „Oud-Hollandse" traditie der late 19de eeuw ze heeft voortgebracht. Er tegenover het eerste belangrijke en meteen wel het beste werk van Dudok: het gebouw van Het Leidsch Dagblad van 1917 toen Dudok een blauwe maandag in Leiden werkte voordat hij merkte dat hier niet meer emplooi voor hem zou zijn. Het heeft duidelijke, stevige grote lijnen, het drukt aparte functies uit zonder rommelig te worden en het is beschaafd, ja verfijnd in zijn details. Niet zo blokkendoosachtig cubistisch als, pak weg, het Hilversumse Stadhuis.

Ik hoop dat je je kaartje al gekocht hebt en vlug komt – nu kun je het secreet van een trafohuisje nog wel wegdenken, maar straks staat het op de monumentenlijst en zitten we er voor altijd aan vast – in gezelschap van de lelijke doorbraak aan het Gangetje die de Gemeente op de lijst heeft laten plaatsen (om de nieuwe doorbraak van de Aalmarkt nu al vast monumentfaehig te maken) en de Meelfabriek, die het silhouet van de stad honderd jaar heeft verpest en die de arbeiders die er hebben gewerkt het liefst op zouden blazen, en die nergens bruikbaar voor is zonder grondige verbouwing die niets van het oorspronkelijke model overlaat en die zelfs dan nog om die verbouwing economisch haalbaar te maken naast deze onsmakelijke klont nog twee torens in de binnenstad vereist.

Na Turks Fruit gestopt... was ik maar voorgoed gestopt, dan had ik van hem een warm, beeldend beeld bewaard... maar ja dat beeldhouwwerk dat geen beeldhouwwerk is maar vlakke assemblage van plaatmateriaal... dan ga je tenslotte denken: ze geven nu (2005, Zomerhitte) het boekgeschenk uit en dat is door hem geschreven, misschien dat hij op zijn oude dag weer tot zijn beeldende, lapidaire stijl terugkeert en een serieus onderwerp bij de horens neem... Vroeger had je goed geschreven en serieuze cultuur bij dat geschenk, denk aan Presser’s Nacht der Girondijnen.

 

Maar dit! Enkelt blote borsten en blote billen en blote bloemmetjes. En dan de houterige dialoog – als een Laat d’Avondistische excursie, helemaal vergetend dat De Avonden een bepaald, allang passé milieu caricaturiseerden.

Wat een bloot-vlees-fixatie! Zijn broers en zusters hadden hem wel in de gaten, getuigen hun bewoordingen in de overlijdensadvertentie « Tot het laatst helder van geest heeft het lichaam van onze broer Jan na een bovenmate actief leven zich moeten overgeven aan de dood ».

Amen. Wordt vervolgd.

Maart-April-Mei MMVII

Wat is het geheugen toch een raar huis: je doet de deur open en je bent niet alleen in de hal, maar meteen zijn alle kamers open. Verleden week was Marina de eerste, toen kwam Martinus, maar nu komt Jan-Willem er ook bij: toen dat Delftse Corps zijn laatste lustrum vierde dacht ik „er komt toch niemand die ik ken ». Heb nu spijt als haren op mijn hoofd, want Martinus is er geweest en bovendien Jan-Willem Jansen, een goede vriend uit de studietijd. Het maakt het des te dringerder om naar Finland te gaan want Jan-Willem is inmiddels overleden. Wat had ik hem graag nog gezien!

                                               Marina

Ze stond stralend en mooi onder aan de trap in het huis aan de Phoenixstraat. In de steek gelaten door Martinus Schuurman, maar het deerde haar niet. Marina. Het is een halve eeuw geleden, Martinus was een studiegenoot bouwkunde en de gelegenheid een van die zeldzame, zotte corpsfeesten – een jaarlijks festijn of een lustrum – waarbij we voor de dag dames mochten uitnodigen. Het zal een bal, een toneel- of een muziekuitvoering zijn geweest of zoiets gecombineerd met een diner. Laten we zeggen dat een concert achter de rug was en dat we ons opmaakten voor de eetpartij. Dat verklaart tenminste waarom Marina daar stralend en onbeheerd in de gang stond. Het blijft een reconstructie, om de waarheid te achterhalen zou ik naar Finland moeten waar Martinus al weer tientallen jaren woont, en indien hij zich de episode nog herinnert. Ik was er met een vriendin van school die ik niet te lang in de steek kon laten om nader met dit geschenk van de Goden kennis te maken. In de weken die volgden ben ik naar Rotterdam gefietst, waar ze woonde – al even onbeheerd in een groot huis, maar in die jaren vijftig kon je nog zo vreselijk groen zijn, ook al studeerde je al een paar jaar, dus daar kwam het niet van. En als ik aan haar voorhoofd terugdenk, dan zal het met Martinus ook wel zo iets geweest zijn: dat voorhoofd ontbrak waarschijnlijk geheel, althans het weinige dat er onder haar pony overbleef suggereerde een groot gebrek en ook haar conversatie bevestigde het beeld. Had Martinus serieus met haar over muziek gepraat?

Ze beschrijven... ja, wat herinner je je precies. Martinus had iets van een fanatiekeling. Hij was een gedrevene. Misschien nog. Maar hij mag het, hij is aartsmuzikaal. Hij had een concert gecomponeerd dat is uitgevoerd door het studentenorchest en het klonk verdomd goed. Stevig, melodieus en mooi handwerk. Zo was Martinus zelf en zo stel ik me zijn gebouwen voor die hij in het verre Finland zal hebben gebouwd.

„Ga je mee naar de Sakker!” Het was een druilige, sombere winterdag aan het eind van de middag toen ik Martinus op de societeit „Phoenix” tegen het lijf liep. Deze sakker, ook wel le sacre du printemps genoemd, bleek toen ik ja had gezegd in de Stadsgehoorzaal in Leiden te worden uitgevoerd en het vervoer was Martinus’ motorfietsje. Het was een geluk dat ik elke week van ons huis in Oegstgeest naar Delft fietste en de weg door Voorburg, Leidschendam en Voorschoten verdomd goed kende met alle punten waar de blauwe tram overstak of alleen maar onverhoeds van de ene kant van de weg naar de andere kant bewoog. Het was donker en nat en een verlichte tram zou je wel zien, maar Martinus reed als een dolleman zonder dat hij de weg goed kende. Ik denk dat ik toen al mijn longen heb beschadigd door het tegen de wind in telkens naar voren gillen: Martinus! - tramrails! Martinus! - tramrails!

Niet lang daarna is Martinus op dat ploffietsje naar Finland gegaan waar hij zich inderdaad in kleine stukjes heeft gereden, zodat hij, om het voornaamste te vertellen, maar onbelangrijke details over te slaan, in het ziekenhuis aan elkaar is gelapt, voornamelijk door een verplegende Auliki met wie hij toen terug is gekomen waar bleek – ik bedoel toen ze eenmaal getrouwd waren – dat zij allergisch was voor het natte Nederlandse climaat – of waren het de barakken van ’t Duivelsgat waar ze woonden? – zodat ik nog boos ben op zijn onverantwoordelijke motorrijden. Niet omdat ik bijkans omgekomen was op onze tocht naar Leiden en terug – de Goden voelden kennelijk niet voor zo een sacrilège, evenmin als ze Martinus toen in de steek hebben gelaten – maar omdat wij en zij toegelaten hebben dat Holland zo een talentvolle jongen verloor.

Maar die scène met Marina onder aan de negentiende-eeuwse trap van het negentiende-eeuwse huis van Ma Van den Burg van wie de achterklap beweerde dat ze in haar goede jaren hoerenmadam was geweest – of was dat van dat oververhitte Delftse studentengepraat – vijftig jaar geleden en ergens weggeborgen in dat huis met z’n vele kamers dat geheugen heet en als door toverkracht plotseling haarscherp weer op het netvlies geworpen door een recensie over een roman met de geheimzinnige titel Lucifer van een mevrouw C. Palmen die meer romans heeft geschreven. Nu heb ik een uitstekende herinnering aan de Lucifer die al één keer tot smithereens is geslagen maar die ik gelukkig weer in mijn geheugen heb kunnen herstellen – alsof ik een lieve verpleegster was die een arme Hollandse jongen die daar aan stukjes lag als een Phoenix uit zijne asse heeft laten herrijzen – zodat ik dolblij ben dat de ijverige recensent vertelt dat we met een roman à clé van doen hebben met als hoofdfiguren Peter Schat en Marina Schapers. Zat er dan toch iets in dat voorhoofdsloze hoofd, iets dat veel van muziek, veel van componisten hield? Toch zal Martinus het niet gemerkt hebben en dat zal, met onze linksheid, wel de voornaamste reden zijn geweest dat hij haar in de steek had gelaten. Er deden anders – ook toen al – veel spannende verhalen over haar de ronde. Zal ik toch naar Finland gaan om te vragen: Waarom Martinus! O, waarom Martinus! – Of zal ik wat fantaseren, wat zeg ik, een novelle à clé op de markt mieteren?

Desinas ineptire! – schei toch uit met zo gek te zijn. Houd toch dat goddelijke beeld vast. Nooit meer aan haar gedacht – door export naar Amsterdam volledig uit onze belangstelling verdwenen. Ik had ook nooit meer van haar gehoord, niet dat ze getrouwd was, niet dat ze was omgekomen. Laat ik het alstjeblieft bij die ene flits van herinnering na zoveel jaar houden. Zoals ze daar stond. Lekker en voluptueus maar toch lief. Schuchter, verkennend, appetijtelijk. Prachtig gespannen vel, niet te dik maar fijn van kleur met iets romigs. In een nauwsluitende, mouwloze avondjurk. Sexy, maar niet vulgair. Bij voorbaat verontschuldigd – althans tijdelijk – voor intellectuele tekortkomingen. Consumerend maar niet vretend. Uitdagend maar toch zo bescheiden dat je alleen maar een lieve herinnering overhield.

Postscriptum. Net nu ik dacht dat ik het huis van de herinnering weer had gesloten, zodat ook alle kamers goed op slot waren, of daar komt mevrouw C. Palmen met een lang stuk in de/het NRC/Handelsblad dat me een nog kwetsender verstoring geeft van mijn fantastische Lucifer-beeld dat alleen de naamsconnotatie Lucifer van haar roman met Vondel’s drama Lucifer al had gegeven. Lucifer! de lichtdrager. Die eerste verstoring was door een uiterst slonzige rottige pokdalige opvoering door het beroepstoneel van de Lucifer, jaren en jaren, misschien wel veertig jaar na die splendide opvoering waaraan ik zo een goede herinnering bewaar en die ik uit de brokstukken, de smithereens, na die tweede uitbeelding langzaam weer had hersteld. Moet je je voorstellen: haar Lucifer heet niet Lucifer naar een bepaalde romanfiguur uit lang na Vondel’s werk en ook volgt hij niet haarscherp uit haar roman als de gevallen Engel, onontkomelijk oprijzend uit het verhaal: er is immers geen andere vergelijking mogelijk – neen, het moet in een paginagroot artikel uit de doeken worden gedaan dat Vondel’s Lucifer model heeft gestaan voor de hare!

De slechte gevoelens door zo een contra-recensie bij een mens opgeroepen! : nu ren ik waarempel naar de boekhandel om dat boek te kopen...

Maar eerst de weer herstelde, onbezoedelde herinnering aan de Lucifer, die van Vondel. Locatie en jaar: Vrije School aan de Waalsdorperweg in Den Haag, begin jaren vijftig. Spelers: leerlingen van de school. Regie: leraren Nederlands en Eurhythmiek (de leer van hoe je je goed beweegt). Die school was fantastisch, mijn twee zussen zaten er op, ik weet er alles van. Ze had maar één nadeel: als je er af kwam en de maatschappij in wou of wilde gaan studeren, dan kreeg je een enorme klap op je hoofd. Die school was natuurlijk veel te idealistisch. Zo studeerde een hele klas wel een jaar op de Lucifer. De reien bewogen eurhythmisch: als een volleerd ballet schreden of dansten ze door de spelers heen om aan de andere kant van het toneel op hun beurt het spreken van de snelle alexandrijnen of kortere, hamerende regels, al naar Vondel had beschikt voor zijn reien, te vervolgen.

« Op, treckt op , ghy Luiciferisten, / Volght dees vaen.

Ruckt te hoop al uw krachten, en listen / Treckt vrij aen!

Volght dezen Godt »

 (Oproep aan de opstandige Engelen om Lucifer te volgen in zijn Opstand.Vondel, Lucifer, regels 1274 e.v.)

Dit motto klinkt als een oproep aan alle boze machten, 17de-eeuwse Calvinistische predicanten zowel als kwaadaardige moderne recensenten die de herrijzenis van Lucifer uit de creatieve pen van mevrouw Palmen maar niet willen begrijpen, om de oorspronkelijke Lucifer als Godslasterlijk, respectievelijk Lucifer Herrezen als genre-overschrijdend te verpletteren.

Ja, maar wat wil je? Een roman à clé schrijven, die geen roman à clé blijkt te zijn omdat je aan het eind vertelt dat hij over Peter Schat en Marina Schapers gaat? In het Nawoord heet het (tussen haakjes mijn commentaar) „Sommige personages in Lucifer komen uit de hemel vallen, sommige leiden een leven in de literatuur." (Ik neem aan dat mevrouw Palmen de moderne spreekwoordelijke uitdrukking « Uit de hemel vallen » op het oog heeft, en niet de Lucifer’ s gevallen Engelen, Lucifer en zijn Luiciferisten, die in de Hel terechtkomen. Maar dan nog zie ik geen tegenstelling tussen deze figuren en figuren die zowel uit den Hoge komen vallen als een leven in de literatuur leiden – zie alweer Vondel’s drama). ,,Sommige personages spelen een rol in de verhalen over het beschreven tijdperk en sommige personages bevinden zich ergens tussenin."

(Punt. Een heel tijdperk beschreven in 350 bladzijden! -- Dat’s pas waar voor je geld.

Aannemende dat de twee categorieen sommige personages uit deze tweede zin zijn inbegrepen in één of de twee categorieen van de eerste, hebben we hier te maken met een werrelende veelheid van mogelijkheden. Aannemende dat met « tussenin » niet tussen het beschreven tijdperk en een ander tijdperk, maar tussen met beide benen stevig op aarde staande en ergens nog naar beneden vallend betekent, kan ik opmaken dat het verhaal aan boord van een space-shuttle speelt. Maar ook dat – wanneer we aannemen dat Selma Lagerloef’s mooie verhaal over Niels die met de ganzen meereist, Niels Holgerszoon’s Wonderbare Reis, een verhaal over het beschreven tijdperk is – dat we alweer een wonderbaarlijk verslag hebben over Niels die meevliegt op de trekkende ganzen. Ik geef slechts twee varianten, maar ik dank de schrijfster voor deze caleidoscopische vrijheid van keuze, die het boek voordat ik het zal gaan lezen al ontzettend spannend maakt. Ze continueert:)

„Voor elk personage in Lucifer geldt dat ze niets zeggen wat hun niet door de schrijver in de mond is gelegd. De sporadische zinnen die hierop een uitzondering vormen zijn terug te vinden in de literatuurlijst." (Eerst zijn we blij dat schrijfster nog het zo verhelderende onderscheid tussen de datief hun en de accusatief hen wil maken. Heb dank schrijfster! Dan kijken we in de literatuurlijst – nergens een verwijzing naar die bepaalde zinnen te vinden. Dan gaan we deze laatste twee zinnen nog eens close readen. Allereerst de grammatica die niet deugt: een personage is geen meervoud. Maar, alla, een constructio ad sententiam zoals we in het Engels in dergelijke gevallen nogal eens vinden. Maar dan, geldt niet voor elke roman – de ondertitel van Lucifer luidt nadrukkelijk roman – dat de personen niet heel veel zeggen dat hun door de auteur in de mond is gelegd? Afgezien nog van de flauwe casuistiek of mevrouw Palmen kan bewijzen – ja, is het nu een sleutelroman of niet – dat geen van haar personages een bepaalde zin nooit gezegd heeft. Goed, ze continueert:)

„In de afgelopen jaren sprak ik talloze mensen over Peter Schat en Marina Schapers en over de dramatische gebeurtenissen op 26 juli 1981. Ik ben hen (ja heus, het staat er) dankbaar voor hun verhalen." Tot zover mevrouw C. Palmen. Ik heb de vijfde druk in handen, en ik vind het bepaald storend, slordig en onwelwillend tegenover de lezers, dat die drukfout „hen" in plaats van „hun" nog niet is hersteld.

Maar nu mevrouw Palmen’s philippica tegen de moderne Luciferisten, die gemene recensenten die stormlopen tegen haar Lucifer, haar Berg van Licht. Laat ik het niet over enige vreemde woorden en tournures hebben in dit ellenlange Sympathie voor de Duivel (NRC-Handelsblad, 6 April 2007). Zoals „dodenadvertentie" of een verhaal dat zichzelf opent („Het scheppingsverhaal opent met een beginselverklaring" – alweer zo een Anglicisme). De opmaakman van de krant (want zo gaat het meestal) heeft een paar saillante uitspraken er uit gerukt en in een groot oranje-rood corps opvallend middenin geplaatst: (a) „De hybride is niet alleen mijn vorm, ze is ook mijn thema" en (b) „Ik wist wat ik deed toen ik de roman « Lucifer » doopte".

De uitspraak onder (b) komt nog succincter voor in de eerste alinea’s als „Lucifer heet niet voor niets Lucifer", en, daaronder, nog dat het verhaal niet voor niets een roman wordt genoemd, niet voor niets dat nawoord en die literatuurlijst heeft, niet voor niets in de 21ste eeuw verschijnt (sic!) en dan: „Het zijn allemaal niet literaire, vreemde tekst-elementen die meewerken aan de identiteit van een literair werk. Dat ze verwarring zaaien over de aard van het werk en het daarmee een duizelingwekkende dubbelzinnigheid verlenen, is conform de natuur van Lucifer. Onder dat motto presenteert de roman zich aan de lezer: « Maar wat u in de war brengt, is nu juist de aard van het spel » Ik had het zelf niet beter kunnen zeggen. (Het motto op p. 5, « But what’s confusing you / is just the nature of my game », is, zoals Connie Palmen schrijft, ontleend aan Sympathy for the Devil van de Rolling Stones. Ik neem aan dat andere schrijvers ook motto’s gebruiken om iets beter, althans in compacter vorm, uit te drukken dan ze zelf kunnen zeggen. Vervolgt mevrouw Palmen:)

„De roman gaat over verwarring, over de vermenging van fictie en werkelijkheid, over de onmogelijkheid van een zuivere staat, over het noodlottige verbond tussen taal en moraal en over het scheppen. (En dan de er uit gelichte zin (a) alsof hij logisch volgt uit de voorgaande:)

„De hybride is niet alleen mijn vorm, ze is ook mijn thema."

Hiermee eindigt haar inleiding, waarin we ook nog vinden dat vooral Vondel’s Lucifer de bron van inspiratie is geweest – dat is dan kennelijk een van die dubbelzinnigheden. Zoals ik Vondel’s Lucifer begrijp is hij een consequente, niet dubbelzinnige figuur, een hemeling die door God’s creatie van Adam op aarde in toorn en wrok is ontstoken. Maar mevrouw Palmen beweert (zelfde philippica) dat de Calvinistische predicanten vertoornd waren op de Lucifer, omdat het stuk aan genrevermenging deed, aan dubbelzinnigheid leed. Wel, de predicanten waren gewoon geergerd door de „vleesselijke manier (waarop) de hooge materie van de diepten Godes wordt voorgesteldt" – een bezwaar dat al evenzeer bepaalde Protestantse stukken gold, kortom zij waren tegen alle toneel waar godsdienstige zaken vleselijk, dat is door personen, worden vertoond. Het is het oude iconoclastische bezwaar tegen uitbeelding anders dan door het Woord en ze waren alleen maar extra in hun nopjes omdat ze een Catholiek konden treffen. De Hoofden van de Schouwburg hadden expres voor het stuk, waarvan men veel verwachtte, de toneelhemel opnieuw laten schilderen en de voorstelling ging gepaard met veel kunst en vliegwerk (engelen die uit de hemel worden gemieterd en dergelijke en de slag tussen de goede Engelen en de Luiciferisten wordt wel niet vleselijk voorgesteld – terecht lijkt mij – maar hij was te horen). J.F.M. Sterck schrijft over die eerste opvoering op 2 Februari 1654 (Wereldbibliotheek, 1931) « Lucifer wordt wordt verheerlijkt „met licht en glans van fackelen" en komt op in een praalwagen door duivelsche geesten voortgetrokken; een heusche slag wordt geleverd tusschen Engelen en Duivelen, waarbij bliksem en donder op het tooneel schrik verwekken. »

De predicanten klaagden bij Burgemeesteren die lieten weten de voorstellingen te zullen verbieden, maar die probeerden nog iets te redden door de tweede voorstelling door te laten gaan, zeggende dat het te laat was die nog te verbieden. Het getij was midden in de eerste Zeeoorlog tegen Engeland ook niet zo gunstig voor Vondel – in het rampjaar 1672 werd de Schouwburg zelfs voor vijf jaar gesloten. Predicanten bleven zeuren, zodat het Stadsbestuur ook de uitgave ophield – waarschijnlijk niet al te strikt, gezien de zes drukken die nog in 1654 verschenen en zijn aanvankelijke weigering met de motivatie dat het publiek dan des te begeriger zou zijn om „’t zelve te koopen".

Kortom, voor de orthodoxie was een grens overschreden – niets vaags of vervagend of hybride of genremixing.

De Wikipedia vermeldt dat mevrouw C. Palmen behalve in het Nederlands al even voortreffelijk aan de Universiteit van Amsterdam in de philosophie is afgestudeerd. En dat ze zich door de grote mannen Derrida en Foucault heeft laten inspireren. Philosophen. Tja. Genrevermenging is zeker in de geest van het Derrideus-Foucaldiaanse denken. Foucault gebruikt zelfs termen als „archaeologie" en „monument" op een volstrekt eigen manier in zijn pogingen horizontale verbanden te leggen tussen verschillende disciplines die zelf al allerlei termen op hun particuliere manier bezigen. Waarlijk, het dogma van de H. Drie-Eenheid is helder als zonneschijn vergeleken bij wat deze heren te berde brengen.

Mogen literatuurcritici alstjeblieft orde in de chaos scheppen door met vaste criteria hun materie te lijf te gaan? Schept mevrouw C. Palmen niet zelf chaos door zonder enige adstructie de critiek „moralistisch" te noemen? Gebruikt ze daar het woord „moralistisch" zoals het gewoonlijk gebruikt wordt, of geeft ze er – geheel Foucaldiaans – een eigen mening aan? Een mening die definieerbaar is zonder de godsdienstige bijsmaak die moralistisch nu eenmaal heeft en die het voor het weerleggen van kunstcritiek zo ongeschikt maakt? In een verhaal waarin ze het woord „moralistisch" zonder nadere uitleg gebruikt om argumenten van anderen te weerleggen kunnen we haar helaas het voordeel van de twijfel niet gunnen.

Uit het eind nog iets: „In het nawoord en in de literatuurlijst zou ik de sleutel voor de roman prijsgeven en daarmee de personen uit de werkelijkheid, op wie Lucifer is geinspireerd, compromitteren, beschuldigen of erger, karaktermoord op hen plegen." Natuurlijk, die critici denken dat mevrouw C. Palmen met al haar grensoverschrijdingen gewoon van twee walletjes wil eten. Charactermoord op Peter Schat en Marina Schapers? kom, nou! de heren critici hebben er nix van begrepen! mijn boek is fictie. Waarom dan dat n.-woord en die l.-lijst in the first place? Nou ja, als het een uitsmijter is in the last place, dan nog wordt Peter Schat’s naam gebruikt op de blurb vooraan op het dust-jacket.Maar neen, het zijn de „zichzelf noemende kenners van de historische waarheid (bedoelt ze nu „de zichzelf de kenners van de waarheid noemende..."?) die Lucifer als sleutel-roman lezen en daarmee een eenduidige identificatie veroorzaken tussen Lucas Loos en Peter Schat." Peter Schat niet „lezen, beluisteren, interpreteren en fictionaliseren staat voor mij gelijk aan doodzwijgen". Interpretatie is voor haar de levensvoorwaarde voor Peter Schat. Als een pancreator treedt mevrouw Palmen op – helaas niet uit het niets creeerend maar bepaalde personen naar haar eigen beeld scheppend en – als de echte orthodoxie – de waarheid die ze „fictie" noemt in pacht hebbend en alle anderen ontzegt er anders over te denken omdat ze dan aan „waarheid" doen in plaats van aan fictie – wel, nogmaals, waarom een sleutelroman wanneer je die sleutel voortdurend omdraait?

Over de vrijheid van de lezer het volgende. Op bladzijde 15 lezen we over een uitspraak van de figuur Prins. Ze beging met „Met drank op vergeet je dat er mensen zijn van wie je zielsveel houdt" en gaat verder met „en daar is dronkenschap ook voor bedoeld. Voor dronkaards is de liefde een last, want ze hebben te veel lief." Het zijn vreemde bewe-ringen die geen falsificatie toelaten, maar dat hoeft ook niet wanneer de figuur uit de roman zo duidelijk wordt dat we weten wat voor betekenis – if any – we aan zijn woorden moeten toekennen. Maar mevrouw Palmen wil ons een handje helpen. Dus staat er tussen de twee gedeelten « verzuchtte de Prins als iemand die daar ruimschoots ervaring mee had ». Het is als precisering bedoeld van iets wat uit de context duidelijk zou moeten worden – of het dat nu doet of niet (heeft die „ervaring" met drank of met liefde of met de sentimentele liefde van een dronkenman te maken?) doet even niet ter zake. Wat ter zake doet is dat andere schrijvers niet de behoefte gevoelen hun dialoog expliciet te verduidelijken. De dialoog gaat verder met „Stel je niet zo aan, Prins" snerpte Mica van Hoorn met een wat ouderwets aandoende dictie (...) toen we het hoorden heeft iedereen (...) een fractie van een seconde aan moord gedacht". Enzovoorts.

Wel eens van dictie gehoord, lieve lezer? Ik zal het woord nog een keer gebruiken – in relatie tot de smithereens. We kunnen aannemen dat gezien de gemiddelde intelligentie van het (voormalig de Libelle lezende, het blad schijnt ter ziele te zijn) romanlezende publiek van de Grachtengordel – die trouwens volgens een grapje van Uri Rosenthal zich vandaag den dag voornamelijk in Amsterdam-Zuid uitstrekt – en nu heb ik het nog niet eens over de canon van de geschiedenis die een groot en fraai pand in een voor Neder-land zeer uitzonderlijke stijl uit 1882 (Huis van Nienhuijs, Heerengracht 380, door A. Salm in de style François I ) als een voorbeeld geeft voor de 17de-eeuwse grachtuitleg – en dit alles „ter leering ende vermaeck" van een vriend die juist een flat in Amsterdam-Zuid heeft gekocht in de mening dat hij dan veilig buiten het bereik van de Grachtengordel zit – om na deze excursie mijn zin te hernemen: mevrouw Palmen heeft grote kennis van de doelgroep tot wie ze zich richt en het behoeft niet eens een diepgaande kennis van die doelgroep om te begrijpen dat ze zich gevleid voelt omdat hier een deftig woord verschijnt dat ze net, zonder al te veel op haar tenen te staan, zomaar begrijpt!

Ook hier gaat mevrouw Palmen in haar scheppingsverhaal zo ver dat de lezer zelf niet meer de vrijheid wordt gelaten zich voor te stellen hoe mevrouw Van Hoorn spreekt en wat voor dictie ze wel heeft – is dit nu niet juist die gevreesde charactermoord waarover ze het heeft?

Nu we het toch over charactermoord hebben – ik wilde nog één pagina zien voor het boek definitief ter zijde te leggen, toch maar het risico nemend nog meer in smithereens te zien vallen, en daarom sloeg ik op goed geluk bladzijde 107 op, intuitief aanvoelend waar Marina Schapers voor het eerst den volke getoond zou worden. Ik weet dus niet of voor haar ontwikkeling cruciale gebeurtenissen zoals de scheiding van haar ouders worden vermeld of niet – wat nu volgt moet dus onintentionele charactermoord worden genoemd – wat mij en mijn herinnering aan Marina Schapers betreft weer ruimschoots smithereens.Wij lezen „Clara was echt. Geen man wiens mond niet openviel als hij Clara voor het eerst zag. Ze benam je de adem, zo verschrikkelijk mooi. Slaapkamerogen, een geelbuine teint, een rechte neus, een perfecte, scherpe kaaklijn, lang, voluptueus, een figuur als een godin. Beestachtig mooi, gevaarlijk mooi."

Geelbruin! jakkes! denkt ze nu aan het Americaanse „golden delicious" en wil ze om niet betrapt te worden dat niet met goud-bruin vertalen? Scherpe kaaklijn? Als ze nu eens „ronde kaaklijn" had geschreven, had dat voor haar habituele lezers enig verschil gemaakt? Voor mij wel, want ik vind „scherpe" agressief klinken. En dan dat „beestachtig mooi, gevaarlijk mooi" – zijn we nu op weg naar de in de literatuur gewone reactie van de proleet die iets moois niet aan kan? Dat openvallen van de mond voorspelt het ergste. Wat moet dat een vreselijk gezicht zijn voor een mooie vrouw: al die mannen wier monden openvallen! Zelfs doodvallen uit ademgebrek!

Ik ga er maar een lange nacht over slapen om hier weer tegen te kunnen.

En lo, behold! – en zie! in eenvoudig Nederlands – midden in de nacht was er een stralend licht en de engel Gabriel verscheen mij en sprak « Vrees niet want ik verkondig je grote blijdschap: weldra zal The Annotated Lucifer verschijnen met in de marge alle duistere passages verklaard. » Ik weende van ontroering en vreugde, vroeg Gabriel mijn dank den Heere over te brengen, trok mijn lap-top op mijn lap en ging onmiddellijk met deze hulp aan het werk.

Waar was ik. Oja, „figuur als een godin". Annotatie in de marge: „Pun on the double meaning of the Dutch figuur : figure or person."

Verder: „En zodra Clara begon te praten werden die mannen helemaal gek. Die hese stem, dat rauwe en toch lieve geluid. Maar er was iets met haar, dat zag je ook op het eerste oog. Het is das gewisse Etwas dat alle echte sterren in zijn wereld gemeen hebben. Een verdriet, een pijn die je door het hart snijdt, maar die tegelijkertijd hun aantrekkelijkheid vertienvoudigt."

Aha, wel twee ann. Eerst „das gewisse Etwas, (Germ.), a certain something, presumably taken from Karl Heidegger", vervolgens „vertienvoudigt, common topos in the Nether-lands after the poem about a Bok die machtsverhief en worteltrok by Kees Stip, whose last line runs Maar het feit waardoor hij voort zal leven, is, dat hij de menigte die hem huldigde met tien vermenigvuldigde."

C. Palmen’s text vervolgt: „Mannen die vallen voor vrouwen als Clara weten het zelf waarschijnlijk niet, maar ze vallen voor dat ene dat ze niet kunnen begrijpen."

De annotatie luidt: „ „vallen voor vrouwen" in this meaning very unusual for „vallen op vrouwen". „Vallen over" lit. means „to tumble over", here perhaps a hypercorrection in order not to be seen as a Catholic author."

Palmen verder: „Ze vallen voor die wond, voor dat lijden dat door de schoonheid heen schemert, hoe ingenieus, geestig of hysterisch de vrouwen het ook overschreeuwen. En overschreeuwen doen ze het allemaal. Het is een combinatie die hij heeft leren kennen als fataal: een verborgen lijden en de moed der wanhoop van de vrouwen die zich onder de last van het lijden proberen uit te worstelen. Het is een combinatie die hen uiteindelijk te gronde richt en voor die ondergang menen de mannen hen te kunnen behoeden. Dat is de liefde van mannen voor vrouwen."

Annotatie: „Immediately after the novel’s publication the phrase Dat is de liefde van mannen voor vrouwen has become a shibboleth for the „G.G." to let know each other they read the novel. (G.G. is the acronym for pertaining to or people of the Grachtengordel at Amsterdam)."

Connie’s vervolg: „Zo steekt die in elkaar. Maar ja, het drama is natuurlijk dat zulke mannen zelf tot in het diepst van hun ziel gehavend zijn, daarom vallen ze op een ander ongelukkig wezen. Bij voorkeur op een alcoholiste, maar wel eentje met talent."

Annotatie: „Sic !"

Vervolg: „Beeldschoon, maar zielig. Talentvol, maar onzeker. Stralend, maar ongelukkig. Ze vallen op de Marilyn Monroes en iedere vrouw in de wereld van de glamour heeft iets van Marilyn Monroe. Zolang die mannen zich bezig kunnen houden met het redden van een vrouw, hoeven ze niet in hun eigen afgrondelijke leegte te duiken. Die mogen ze dan vergeten."

(Hier komt de aap boven water in de persoon van Marilyn Monroe. Eindelijk weten we op wie Clara gemodelleerd is. Maar continueren we:)

„Mannen als hij, die van de tussensekse zeg maar..."

Hier wordt de interessante lezing onderbroken door een soort tussennoot: „The translator did not find this word in the Dutch vocabularies. By „tussensekse" (lit. Middlesex) the author presumably means „gay, queer", or one of the other common terms to denote homosexuality. The contributors to Van Dale, the great Dutch dictionary, assure the translator that they will list this word as soon as it will be „ingeburgerd"."

Hernemen wij: „Mannen als hij, die van de tussensekse zeg maar, zijn vrij van megalomane, macho reddingsfantasieen, daarom hebben zij een betere band met die gekwelde engelen. Want kijk, een man die er alles voor doet om een vrouw te behoeden voor de val, wordt vanzelf arrogant. Hij ontkent zijn eigen zwakte, blaast zich op tot heer en verlosser en plaatst zich daarmee boven zijn vrouw. Het redden geeft hem een vals idee van macht en liefde. Hij wil dat die vrouw op hem leunt en naar hem opkijkt, zodat zijn eigen, wankele zelfvertrouwen wordt gestut.

„Alles doe ik voor je, opdat jij niet lijdt," stralen ze uit en ze begrijpen er niks van dat hun getergde schat op een dag haar fraai gelakte nagels uitslaat en zich los wil krabben uit deze verstikkende omhelzing."

Hier volgt een onthullend commentaar. Wat een inzicht in onze psyche!

„Early Dutch commentators held this whole passage on „Clara" for a „piece of cheap American neo-Freudian psychology" but gradually the insight gained ground that there’s more in the passage than meets the eye. From an early debunking „such writing about femininity always boomerangs (...) imagine what would happen if one converts this whole splendid transgression from sexuality to heterosexuality to sexuality again and vice versa to a kind of transsubstantiation as to the author herself by substituting in the whole passage „Connie Palmen" for the he-person(s) and Clara by the author’s famous lovers..." (a certain morning paper).

This base transmogrifying of the passage gradually has given way to the recognition that this „metaphorically inverse universe of the novel" (N.N. in The Late Evening Standard ) is symbolical for „the consummate love of ms. Palmen for her partners in Amsterdam" (Anon. G.G. in The Very Early Morning Telegraph ).

Het einde van de passage en zijn annotatie luiden: „Je moet een vrouw haar lijden niet afnemen, het is vaak het enige waarin ze groots kan zijn" en: „Since the novel’s publication the phrase Dat is de liefde van mannen voor vrouwen has become a „Winged Word" (gevleugeld woord ) in Dutch literary circles."

Zal ik moeite hebben mijn oude verrukkelijke wezen uit deze aesthetische en zielkundige drab weer als een vrouwelijke Phoenix uit hare asse te laten herrijzen? Neen hoor, de waarheid aan de macht – Clara is dood, leve Marina!

Die veertig jaar latere voorstelling was bij De Appel. De Nieuwe Groezeligheid had al hard toegeslagen. Het beeld zag er chaotisch uit – de regisseur had geen enkel begrip voor ordening in de hemelscharen. Elke speler had mogen aantrekken wat hem het eerst in de zin kwam, zodat, indien de regisseur al enig idee had waarmee hij met de voorstelling heen wou, deze idee niet overkwam.

En dan wat mevrouw C. Palmen de dictie zou noemen! Ook hier speelde een absoluut onbegrip voor wat Vondel met het drama had bedoeld en hoe het nu nog interessant zou kunnen zijn. Iets wat je dictie zou kunnen noemen was gewoon afwezig – ik lieg even om de zaak scherper te laten overkomen, er was namelijk één excellente speelster, die de alexandrijnen en andere veerzen van Vondel prachtig wist te zeggen, namelijk Sascha Bulthuis. Alle anderen waren kennelijk na haar op school of zelfs op de toneelschool geweest toen men de culturele erfenis van onze Gouden Eeuw niet meer zo zag zitten. En aangenomen bij De Appel zonder dat deze culturele deficientie een probleem scheen te vormen...

Maar toch: Lucifer is dood, lang leve Lucifer!!

 

 

 

 

 

 

 

 

Reacties (0)


Kuyper's Weblog
http://www.sociaal-liberalepartij.nl/weblog/article.php?story=20070408201647856