Stichting Arent van ’s-Gravesande
Mei 2007 tot Maart 2008 - Het Joodse Weeshuis te Leiden. Zijn waarde als monument van geschiedenis en architectuur. De procedures tegen defamatie van het gebouw en eraan verbonden herinneringen.

Begin Mei 2007 lag er een verbouwplan ter visie waarvan het „oude gedeelte” (het eigenlijke, in 1928 gebouwde Joodse Weeshuis) nadrukkelijk was uitgezonderd en waarbij slechts het na-oorlogse, door de Gemeente toegevoegde gedeelte zou worden gewijzigd. Wij hebben hiertegen een bezwaarschrift ingediend omdat uit niets bleek dat de gemeente bereid zou zijn de (voornaamste) ontsierende wijzigingen (die ze zelf heeft aangebracht) ongedaan te maken of anderszins het gebouw waardig te onderhouden en te laten gebruiken, al was het maar defamatie van het gebouw te voorkomen door het vuil niet op het toegangspad voor de voordeur te laten staan. Aanvullend hebben wij op 15 Mei 2007 en uitgebreider op 24 Mei 2007 plaatsing op de Rijkslijst van Beschermde Monumenten verzocht. (In tegenstelling tot b.v. de lelijke, latere doorbraak van het Gangetje die met zijn aspect dat we op elke straathoek van de Haagse voor-oorlogse uitbreidingen vinden en dat volstrekt niet past in de Leidse binnenstad die op voorslag van de Gemeente wèl was geplaatst toen de Jongere Bouw aan de orde was). Wij wachten nog steeds op een bericht aangaande ons bezwaar en ook de Bezwaarschriftencommissie van de Gemeente heeft nog niets van behandeling gehoord.

Wel is er in het najaar een plan gepubliceerd (dat al ingediend bleek te zijn terwijl wij een bezwaarschrift tegen het vorige aan het schrijven waren) dat sterk ingrijpt in het oude gedeelte (en opnieuw niets restaureert) en dat door het „demissionaire” college is goedgekeurd, zodat de inbreng van de nieuwe wethouder voor bouw- en woningtoezicht bij voorbaat was lamgelegd. Wel is de gemeente nu een procedure bij de rechtbank begonnen om de schorsende werking van de beroepschriften van een viertal partijen tegen dit laatste plan te doen opheffen. Zitting op 6 Maart ten Paleis van Justitie.

Wij geven hier alvast het voornaamste van de aanvragen van 15/5 en 24/5 van de Stichting Arent van ’s-Gravesande.

Leiden, 15 Mei 2007 (...)

Hierbij verzoeken wij u over te gaan tot plaatsing op de Rijkslijst van beschermde monumenten van het Joodse Weeshuis te Leiden, Roodenburgerstraat 1A, cadastraal bekend Leiden, sectie M, nr. 7445, als een goed voorbeeld van de vooruitstrevende ideeen van hoe een weeshuis er moest uitzien in de jaren ’20 van de twintigste eeuw, als een van de beste werken van de architect, de heer B. Buurman, en vooral om de historische waarde, die zowel herinnert aan de zorg waarmee de Joodse gemeenschap haar wezen omgaf, als aan het dodelijk lot dat verzorgers en kinderen heeft getroffen.

Wij zijn er niet geheel gerust op dat deze waarden door de plaatsing alleen op de gemeentelijke lijst van beschermde monumenten voldoende gewaarborgd kunnen worden, afgezien van het feit dat het ons onduidelijk is waarom een monument van een zekere allure en groot historisch belang niet tesamen met vele andere voorbeelden van de jongere bouwkunst op de landelijke lijst is geplaatst.

Het gebouw wordt vermeld in J.Dröge, E. de Regt en P. Vlaardingerbroek, Architectuur & Monumentengids Leiden, Leiden, 1996; de geschiedenis wordt kort vermeld in algemene geschiedschrijvingen zoals L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereld-oorlog, deel 6, eerste helft, p. 327,

J. Presser, Ondergang, deel 1, p. 337; en in locale geschiedschrijvingen zoals in Leids Jaarboekje 1995, p. 123, en Leiden, De Geschiedenis van een Hollandse Stad, deel 4, Leiden, 2004, p. 115 en 233.

Behalve wegens hier vermelde afschuwelijke gebeurtenissen – waarom wij het voorstel vermelden van enige Leidse burgers om in het gebouw een gedenksteen te plaatsen met de namen van alle omgekomenen – heeft het gebouw tevens een functie als plaats van herinnering aan het afschuwelijke dilemma van het hoofd van het weeshuis of hij zijn kinderen bijeen zou houden of zou laten onderduiken met het risico van het verlies van hun Joodse identiteit.

Wij menen dat dit gebouw, dat gesticht is als een toevluchtsoord voor sociaal beroofden, beter als een gebouw met een sociale functie, ook die als hulpcentrum voor verslaafden, behouden kan blijven dan bijvoorbeeld als kantoorpand, maar wij menen dat zeker een gedeelte, bij voorkeur de toegang en de ingangshal aan de Roodenburgerstraat als memorieplaats aan de achtervolging en de morele dilemma’s van oorlog en achtervolging waardig in stand moeten worden gehouden.

Vandaar dat wij tegelijktijdig onze zienswijze aan het gemeentebestuur kenbaar maken dat herinrichting met de grootste zorg en vooral respect dient te gebeuren. (....)

24 Mei 2007 (...)

In aanvulling (...) cadastrale gegevens van het Joodse Weeshuis, maar ook van de omliggende panden waarmee het een hechte, wel-gecomponeerde stedebouwkundige eenheid vormt en waarmee we onze aanvraag tot plaatsing op de Rijkslijst van beschermde monumenten willen uitbreiden.

Het gaat om het nutsgebouwtje links van het Weeshuis, gebouwd door dezelfde architect in hetzelfde jaar (1928), dat de overgang vormt naar de veel oudere, wel van de nog Zoeterwoudse tijd van voor 1895 stammende bebouwing, en dat aan straat de hoogspanningsruimte van het Weeshuis bevatte en meer naar achteren eerst een fietsenstalling en vervolgens een ruimtetje voor tuingereedschap.

Het is ongenummerd tussen Roodenburgerstraat 1a en 2 inliggend, cadastraal bekend M 4910.

Verder betreft de uitbreiding en complementering van onze aanvraag de huizen die Buurman in 1924 aan de overkant van de straat in ongeveer dezelfde stijl met dezelfde soort gele baksteen en dezelfde kleuren heeft gebouwd, namelijk Cronesteinkade 16, het grootste op de hoek als zijn eigen woonhuis Cronesteinkade 18 en ook hier het naar voren springende om in de rooilijn van het oudere gedeelte van de Roodenburgerstraat te komen Roodenburgerstraat 2.

De cadastrale nummers zijn Roodenburgerstraat M 7445 voor het Weeshuis zelf. Zoals men ziet heeft de Gemeente Leiden de bestemming als „berging-stalling (garage-schuur)” opgegeven. (...)

De oudste plannen voor een Israelitisch Wees- en Doorgangshuis dateerden al uit de vorige eeuw, de architect W.C. Mulder heeft in of omstreeks 1894 een plan gemaakt voor een groot gebouw aan de „Middelste Straat” in Vreewijk – de huidige Hugo de Grootstraat – dat architectonisch gesproken gelukkig niet is doorgegaan want het was een zeer middelmatig ontwerp in de neostijl van het ogenblik. Wij vermelden het omdat het bureau van Mulder, waarmee Buurman zich later heeft geassocieerd, op de hoek van de Zoeterwoudese Singel en de Cronesteinkade een zeer groot stuk land bezat waarop eerst Mulders woonhuis is gebouwd en, na Mulders overlijden de Oud-Catholieke kerk in 1926 door Buurman en waarvan al in 1903 het terrein voor het Joodse Weeshuis was afgesplitst en verkocht aan de vereniging die het nieuwe weeshuis wilde bouwen.

In de jaren twintig zijn de plannen voor nieuwbouw weer opgenomen, dus Bernard Buurman (1883-1951) wist toen hij zijn eigen woonhuis bouwde in 1924 dat hij hoogstwaarschijnlijk de opdracht voor het Weeshuis aan de overkant van de straat zou krijgen. Vandaar de fraaie geplande stedebouwkundige situering en aanpassing aan de oudere bouw van woonhuis en weeshuis.

Het woonhuis, Cronesteinkade 18, is opgenomen in de genoemde Architectuur & Monumentengids Leiden, p. 134, waar ook vermeld wordt dat het als één geheel is gebouwd met Cronesteinkade 16 als een woonhuis voor de weduwe Mulder en tegelijk met het eveneens door Buurman in dezelfde gele baksteen en overeenkomstige stijl ontworpen, naar voren springende pand Roodenburgerstraat 2, dat de overgang vormt naar de oudere bebouwing.

Aan de algemene geschiedenis kan in het bijzonder over Leiden en het Weeshuis worden toegevoegd

L. Kasteleyn, Vervolging en Bescherming, Joden in Leiden 1933-1945.

Over het weeshuis tot 1929 verwijzen wij nog naar I. Leman, Het Centraal Israelietisch Wees- en Doorgangshuis in Woord en Beeld, 1890-1929, ’s-Gravenhage, 1929, het beste over de voorgeschiedenis en de bouw in 1928, geillustreerd met een aantal photo’s, o.a . van de eerste steenlegging op 18 Juni 1928, waarbij vier kinderen van leden van de bouwcommissie de vier hoekstenen hebben gelegd. De namen der kinderen waren in de stenen gebeiteld, aan de voorgevel zijn nog zichtbaar die van Henriëtte Herzberger (links gezien als men voor het gebouw staat) en van Heskelientje Levisson (rechts gezien als men voor het gebouw staat), de stenen aan de achterkant vermeldden de namen van Rudi Viskoper en Harry Heilbut.

Op de bouwtekeningen (Regionaal Archief Leiden) is te zien dat de voorgevel slechts geringe wijzigingen heeft ondergaan, waarvan de belangrijkste de toegevoegde dakkapellen zijn en de vervanging van de roede-indeling van de tweezijdig naar voren springende ramen van de symmetrisch naast de ingang gelegen trappenhuizen. Deze ramen hadden een door glasroeden gevormd geometrisch patroon. Boven de ingang was in (bronzen?) metalen, Romeinse capitalen de Hebreeuwse naam van het Weeshuis aangebracht: Machseh Lajesoumim. Deze zijn verdwenen, wel is een verdieping hoger nog een decoratief, naar voren springend gebeeldhouwd ornament aanwezig, even als de oorspronkelijke metalen toegangsdeuren waarin in glas een grote Davidsster is uitgespaard.

In het toegangspad is een bronzen gedenkplaat; op het linker muurtje naast het toegangspad is nog een kleine herdenkingsplaquette bevestigd.

Zoals gezegd tolereert de Gemeente Leiden een buitengewoon oneerbiedig gebruik van het Weeshuis door de Stichting Parnassia die plantenbakken in een gemene kleur en vuilcontainers voortdurend op het ingangspad laat staan, die evengoed ergens anders zouden kunnen worden geplaatst.



Bezwaarschrift U-bochtlocatie

Leiden, 29 Januari 2007

Aan het College van B & W van Leiden.

Geacht College,

Naar wij vernemen is, anders dan wij meenden, de U-bochtlocatie pas op 6 Januari j.l. ter inzage gelegd (Stadskrant van 6 t/m 12 Januari 2007). Wij passen onze brief van 26 Januari 2007 ook aan door bij dezen formeel bezwaar te maken.

Voor de rest blijft de brief (hieronder copie) onveranderd.

Met vriendelijke groet, hoogachtend,

W. Kuyper


Leiden, 26 Januari 2007

Geacht College,

Door ziekte zijn wij niet in staat geweest op tijd een zienswijze over de U-bochtlocatie in te dienen en wij hebben het plan slechts vluchtig gezien - wij hopen dat u een enkel woord nog in uw overwegingen zal kunnen betrekken.

Ons hoofdbezwaar hebben wij al naar voren gebracht in het kader van het bestemmingsplan: contrair aan het in de wet gestelde optimale gebruik van de openbare ruimte frustreert dit plan de aanleg van een extra spoor aan de stadszijde van de spoorbanen. „Regeren is vooruitzien” hebben wij toen gezegd. Al met oog op het nog niet definitief vastgestelde tracé van de Rijn-Gouwelijn is dit plan prematuur, ook op de lange baan gezien: b.v. wanneer men in verband met een Station Merenwijk een extra spoor tot aan de Merenzijk zou willen aanleggen, of de spoorverbinding naar Haarlem op een of andere manier (plaatselijk) zou willen verruimen.

Wat de architectuur betreft hebben wij grote waardering voor de schaal en de constructieve opvatting van het „glazen” gedeelte en minder voor de gesloten lift- en trappenhuizen, en in het geheel niet voor de manier waarop ze zijn samengevoegd:

Hangt het glazen gedeelte nu aan het gesloten of vindt het gesloten gedeelte zijn steun bij de constructie van het glazen?

Voorbeelden waarbij de combinatie wel is gelukt hebben alle - om begrijpelijke redenen van constructieve en daarmee aesthetische helderheid - één van de twee andere oplossingen: ofwel op enige afstand plaatsen van de gesloten „torens” of wel ze geheel in de andere bouw opnemen.

De laatste oplossing heeft het voordeel dat ze ruimte zou scheppen voor eventuele aanleg van nog een spoor zonder dat het gehele gebouw opgeschoven hoeft te worden.

Met gevoelens van verschuldigde hoogachting verblijven wij, namens de Stichting, de secretaris,

W. Kuyper



Bezwaarschrift ROC

Leiden, 26 Januari 2007

Aan het College van B & W van Leiden.

Geacht College,

Wij hebben zeer grote planologische, stedebouwkundige bezwaren tegen de bouw van het gebouw voor „ROC-Lammenschans” - hierbij komen zeer grote aesthetische en sociaal-hygienische bezwaren voornamelijk wegens de onmenselijke schaal van het gebouw.

Verder hebben wij zeer grote bezwaren tegen het vooruitlopen op een definitief tracé van de Rijn-Gouwelijn, alsmede op de vorig jaar voorgestelde bestemmings- en beschermd stadsgezichtplannen.

Het is volstrekt onaanvaardbaar een gigantisch gebouw met een „uitstraling” tot honderden en honderden meters in de rondte als een geisoleerd plaatje te behandelen - als een z.g. postzegelplan.

Ons eerste planologische bezwaar is dat de extreme, in het verband van de stad volkomen uit de toon vallende hoogte van tientallen meters (verergerd door de lengte van meer dan 200 meter) volstrekt gecompenseerd kan worden door de ruimte te gebruiken die voor de Rijn-Gouwelijn is gereserveerd. Dit geldt te meer nu de bouwvergunning is verleend vooruitlopend op een definitief besluit over aan-leg van dit bijzondere tracé van de Rijn-Gouwelijn c.q. de aanleg ueberhaupt van dit t.o.v. treinverkeer defectieve, gevaarlijke, langzame en onconfortabele vervoermiddel (waarvoor bovendien om het rendabel te maken een 15.000 nieuwe woningen in het Groene Hart van Holland bijgebouwd zouden moeten worden). (T.o.v. de buslijnen die opgeheven zouden worden kan nog worden opgemerkt dat het tracé star is en in geen enkel opzicht de flexibiliteit van buslijnen heeft).

Een sociaal-cultureel bezwaar is dat de evidente nadelen van de mastodontische bouw op een ongelukkige plaats niet opwegen tegen ook maar enige sociale of educatieve voordelen: het ROC is een private onderneming waarvan de winst niet te algemenen nutte wordt aangewend terwijl het de vraag is of de opleidingen (die voor het merendeel evengoed intern door de bedrijfstakken zouden kunnen worden verzorgd) een dergelijk groot beslag op de openbare ruimte dienen te leggen.

Sociaal-hygienisch is de zich ver-uitstrekkende schade die aan het monumentale stadsgezicht en de prettige leefomgeving in de wijde omtrek wordt toegebracht.

Wij spreken dan niet eens van de schaduw die het gebouw vooral in de wintermaanden kan werpen, hoewel deze nog veel uitgestrekter is dan op de getoonde diagrammen. Deze diagrammen bestrijken namelijk alle een gebied ten oosten van de Lammenschansweg, terwijl toch zelfs woningen aan de westkant van de Lammenschansweg te lijden zullen hebben van de schaduw. Neen, wij hebben het over het moeten zien van zo iets groots in een wijk van eensgezinswoningen waar men in goed vertrouwen heeft gewoond en vaak zijn woning gekocht, menende dat het karakter van de wijk gespaard zou blijven, ja zelfs waardig gekeurd het tot een beschermd stadsgezicht te worden verheven!

Wel, in stedebouwkundig opzicht is er niets „verheffends” aan het gebouw, slecht een bruut, a-sociaal, neo-liberaal stellingnemen met veronachtzaming van de sociaal-culturele waarden van de buurt.

En niet alleen de buurt. Indien er bij het ter visie leggen ook maar enige zichtlijnen van af enkele belangrijke punten in de stad waren getekend zou het publiek juister zijn geinformeerd over het architectonische geweld van dit gebouw. Niet alleen schuift het gebouw visueel voor de hele Professorenwijk, wanneer men een standplaats inneemt ergens op een wijde cirkel ten oosten ervan, ten zuidoosten, ten zuidwesten, schuift het voor nog veel grotere stukken van de stad: de complete binnenstad die een beschermd stadsgezicht is, de Staalwijk, de Petruskerk met alle op de monumentenlijst geplaatste woningen eromheen, worden aan het gezicht onttrokken of volstrekt gekleineerd, tot een krachteloos Madurodammetje gereduceerd.

Wij maken hierbij tevens (een andere manier van beroep op de Provinciale goedkeuring met een art. 19 procedure is immers niet mogelijk - wat een democratie, wat een democratie, waarin een controlerend lichaam zijn eigen controle controleert!) bezwaar tegen het verlenen van de art. 19 goedkeuring door de Provincie waardoor de Provincie op zeer laakbare wijze haar toezichthoudende taak op planologisch gebied laat varen.

Wij zouden het erg op prijs stellen wanneer de immaterieele schade veroorzaakt door de bouw, die daad van cultuur-barbarij, gequantificeerd zou kunnen worden, zeker nu 99 op de honderd inwoners van Leiden die het gebouw in het zicht zullen krijgen in beroepsprocedures als „niet-belanghebbend” zullen worden aangemerkt.

Wij merken ten aanzien van de stedebouwkundige aspecten nog op dat het gebouw een door niets gemotiveerde wig drijft tussen de wijken aan de ene kant en de wijken aan de andere kant.

Een toren als van de Petruskerk (die bovendien slank en welverzorgd is) heeft een culturele meerwaarde, maar wat is de culturele meerwaarde van het ROCgebouw-Lammenschans dat het voor tientallen jaren (misschien wel langer indien ook hier zoals bij de oude gebouwen van het ROC afschrijving achterwege blijft) het stadsgezicht mag blokkeren en hoogst detonerend boven de wijk uitrijzen?

Wij handhaven alle eerder opgesomde bezwaren - de meeste in iets andere bewoordingen dan wat hierboven staat, maar het gaat hier om een dergelijke enormiteit dat er telkens andere bewoordingen mogelijk zijn - en wij spreken onze verbazing en teleurstelling erover uit dat de Raad in Zijn nieuwe samenstelling niet tot beter, meer humaan inzicht is gekomen.

Wij menen overigens dat zelfs als de Rijn-Gouwelijn zou worden aangelegd zoals op de ter visie ge-legen hebbende plannen voor het ROC-Lammenschans is getoond, de sterk detonerende, onmenselijke, in de wijde omgeving ruw ingrijpende schaal van het gebouw tot een sociaal-hygienisch acceptabele hoogte van een viertal verdiepingen teruggebracht zou kunnen worden door de halte van de Rijn-Gouwelijn te overbouwen.

Overbouwen is technisch goed mogelijk, en zelfs financieel blijkt er bij een gebouw dat voorgesteld wordt boven de „haarspeldbocht” bij het station Leiden-Centraal geen bezwaar te zijn.

Behalve een droge halte is een bijkomend voordeel groter gemak voor fietsers over de Lammenschansweg: ze zouden bij een redelijke hoogte minder last hebben van regen en windstoten bij de hoge kop van het gebouw.

Er zou zelfs ruimte zijn te vinden voor een comfortabele bushalte en een garage, zodat het oude voornemen bij de opheffing van de blauwe tram (wegens gevaar en verkeerscongestie) zou kunnen worden uitgevoerd: railvervoer over het bestaande spoor kan de reizigers, met name uit Voorschoten, die naar het Centrum of het Centraal Station willen, makkelijk en snel vervoeren en zelfs bij een Station Haagweg (of „Station Universiteit”) die voor de Universiteit of naar de Breestraat laten uitstappen. Dan kan Station Lammenschans worden gekoppeld aan een kleine stadstram en Station Haagweg aan het Stadsparkeerplan.

Resumerend zien wij in het onderhavige plan slechts grote nadelen ten opzichte van alle denkbare varianten.

Met vriendelijke groet, hoogachtend,

W. Kuyper, secretaris



Over deze pagina

1 October 2006

De Stichting bestaat dit jaar 20 jaar. Ter gelegenheid van dit feestelijke feit heeft de S.L.P. de Stichting een pagina gegund. Het is de bedoeling zo spoedig mogelijk zaken die niet spelen in landelijk verband te doen verhuizen uit de pagina’s van de S.L.P. hier naar toe en ze op den duur op een aparte Web-site onder te brengen. Gezien de persoonlijke banden tussen de besturen van de S.L.P. en de Stichting is het niet urgent, maar het zal wel duidelijkheid verschaffen omtrent de algemene lijnen van de S.L.P. Veel van de zaken die de stichting behartigt zijn van plaatselijk, vooral Leids belang, maar andere gaan het eng locale ver te boven, zoals bijvoorbeeld de Rijn-Gouwelijn die -- doordat ze alleen rendabel wordt als er tien- à vijftienduizend woningen aan gebouwd worden en er gigantische tranferia aan de rand van het Groene Hart van wel 65 meter hoog bij worden gebouwd -- dat Groene Hart volkomen dreigt te verstikken. Een andere zaak eveneens van nationale importantie is het ontbreken in de plannen voor het Rijksmuseum van een waardige ingang waar niet passanten - vooral fietsers - en voetgangers en bezoekers elkaar verdringen.
Om het heugelijke feit van het twintigjarig bestaan te vieren hebben drie schrijvers hun krachten gebundeld om met een badinerend artikel te beginnen dat hieronder volgt. Een verrassende visie op de ontploffing van het kruitschip te Leiden waarvan weldra (12 Januari 2007) de tweede eeuwwisseling zal plaatsvinden.



Van Oerle’s bedekte kerkenkruis in Leiden - een Rooms gun-powder complot in Holland?

Wiebe Hogendoorn, Wouter Kuyper en Tomas Ross

Deze ontboezemingen, drie exercises de style over hetzelfde onderwerp, worden geopend door Wouter Kuyper. Hij schrijft: toen ik als architectuurhistoricus die herhaaldelijk over Arent van ’s-Gravesande’s Marekerk in Leiden heeft geschreven - het laatst uitgebreid in 2003 in mijn Het Monumentale Hart van Holland - op de achterpagina van een gerenommeerde qualiteitskrant het artikel van Marc Laman las over het met behulp van een zekere Google ontdekte Kerkenkruis te Leiden (Met Google ontdekt: het Leidse Kerkenkruis, NRC-Handelsblad, 20/9/2006) - toen was mijn eerste reactie „wat stom! had ik zelf kunnen bedenken! natuurlijk, een kerkenkruis!”. Enthousiasme sleept je wel eens mee. Mijn volgende reactie was om in mijn agenda te kijken of het misschien 1 april was - quod non, voor de jongere generaties: wat niet zo bleek te zijn.
Een blik op de illustratie liet zien dat ze met behulp van Pieter Bast’s vogelvluchtkaart van omstreeks 1600 is gefabriceerd, terwijl met de bouw van de Marekerk, één der vier genoemde „kerken”, in 1639 is begonnen en deze buitengewoon mooie kerk in de nieuwe stijl van het Hollandse Classicisme (die algemeen door de overheid geadopteerd zou worden voor de bouw van Calvinistische bedehuizen) pas in 1649 in gebruik zou worden genomen. En een vogelvluchtkaart is per definitie al niet geschikt om precies de locaties van gebouwen te bepalen. En het kruis wijst niet oost-west, maar noord-zuid... En de cirkel, die door slechts drie van de vier „kerken” is getrokken, heeft als middelpunt de Burcht, geen kerk maar in oorsprong een militair steunpunt van de Graaf van Holland, dat in 1639 nog niet in het bezit van de stad was. Men voelt het, de moeilijkheden voor de theorie begonnen zich op te stapelen. Maar je moet niet flauw zijn, je moet bij zulke zaken scherp de achterliggende idee in ogen houden, zoals een zekere hoogleraar architectuurgeschiedenis altijd beweert.
Op dat ogenblik werd ik opgebeld uit Hilversum, waar hij al sinds jaren woont, door Wiebe Hogendoorn, een Neerlandicus, die zijn leven heeft gewijd aan het drama in Nederland, o.a. aan de geschiedenis van de Leidse Schouwburg. Hij is zijn Leidse jaren nog niet vergeten en hij heeft bijvoorbeeld de grote atlas van Hugo van Oerle meegenomen naar het Gooi. Die historische atlas, die Van Oerle heeft samengesteld met de Leidse archivaris juffrouw Versprille en haar staf, bevat een schat aan illustraties en historische plattegronden van de stad.
Wat een vreemd kruis, zei Hogendoorn, met die extra lange stijl noord-zuid, en bovendien, ik heb gemeten op Van Oerle’s kaarten en die lijn van de kruising van de Pieterskerk naar die van de Hooglandse kerk (voor wie het niet weet: dit zijn twee van de drie grote, voor-Reformatorische ofwel in degelijk Calvinistsch taalgebruik oorspronkelijk Roomse parochiekerken van Leiden) - die lijn loopt op zijn hoogst langs de hoek van het Stadhuis, waar in die tijd de Vierschaar van Rijnland was gevestigd... En wat zou, behalve de Burcht, trouwens nog zo een seculier gebouw als het Stadhuis voor belang hebben bij een kerkenkruis? Nou moet je niet flauw zijn, zei ik, die jongen heeft misschien les gehad van die hooggeleerde architectuurhistoricus te Leiden die vindt dat het op de achterliggende idee aankomt. Geef eens een voorbeeld zei Hogendoorn, die zich niet gauw knollen voor citroenen laat verkopen. Weet je zijn fameuze voorbeeld niet? Dat is de Grote Zaal in Den Haag - dezelfde die sinds de Romantiek wel de Ridderzaal wordt genoemd. Die zou dan zijn afgeleid van Westminster Hall in Westminster, en als je tegenwerpt dat de oorspronkelijke Westminster Hall veel kleiner was dan de huidige die van na de Grote Zaal stamt, dan blijkt dat die idee van die eerste zaal al zo duidelijk achterlag aan wat de dertiende-eeuwse Hollandse bouwers hebben opgericht, dat ze deze vroege idee van de latere Westminster Hall al duidelijk als richtsnoer hebben gebruikt! Overbodig haast, maar in het belang van wat hier verder te berde wordt gebracht niet geheel irrelevant, is natuurlijk dat deze mijnheer met zijn Jesuitische casuistiek uit het Roomse Nijmegen stamt.
Ja, zei Hogendoorn, en die Lodewijkskapel was toch helemaal geen kapel? Neen, inderdaad vroeger de kapel van het Sint Jacobsgasthuis was het gebouw door de stad in 1595 tot Saaihal geapproprieerd en versierd met het houten klokkenspitsje dat eigenlijk bestemd was geweest voor de Raamlanden. En hoe past de derde grote parochiekerk, de Vrouwenkerk, in het verhaal?
Pet af voor Wiebe Hogendoorn! Maar ik hield nog even vol... tja, zei ik, die Vrouwenkerk was toen aan de Waalsen toegewezen en die zou op den duur toch afgebroken worden... de idee, Wiebe, de idee!

Ja, goed en wel, Wouter, de idee! Maar schakel mijn goed Gereformeerde opvoeding niet uit! Waarom zou een steile Gomarist als Jacob van Brouchoven behoefte hebben aan zo iets subversiefs als een typisch Rooms kerkenkruis... en waarom subversief als zijn partij, de Contra-Remonstranten, in Leiden vaster in het zadel zat dan waar ook? En hoe bloedig waren die vervolgingen der Remonstranten eigenlijk, de ergste in de hele Republiek zoals Laman beweert? Ze hebben en masse de stad verlaten - velen niet verder dan de omliggende dorpen - maar er is toch geen één een kopje kleiner gemaakt?
Ik bel je terug zei ik, eerst kijk ik nog even wat ik in 2003 heb geschreven en ik lees vooral het hoofdstuk over de Marekerk in Guido Steenmeijer’s uiterst degelijke en betrouwbare biografie van Arent van ’s-Gravesande nog eens over (Tot Cieraet ende Aensien deser Stede, Arent van ’s-Gravesande, Architect en Ingenieur, ca. 1610-1662, Leiden, 2005).
Voordat ik dat had kunnen doen ging opnieuw de telefoon. Het was Tomas Ross. Ik ruik een complot, sprak hij. Wat, zei ik, toch niet van al die SS-ers die we nog niet ontdekt hebben? Veel erger nog zei hij, twee gun-powder plots met sinistere gevolgen... ik ruik er een in Leiden, een typisch Rooms complot, een kerkenkruiscomplot, maar ik kan er de vinger niet op leggen...
O, zei ik, ik ben met iets heel anders bezig, wel iets wat met een mystificatie te maken heeft, maar echt architectuurhistorisch hoor... hoewel, Wiebe belt me er over op en, als van rechtgeaarden Calvinistischen huize, denkt hij toch ook dat er meer achter zit... Geef me een uur de tijd, dan ben ik achter de feiten en dan bel ik je terug.
De feiten zijn nuchter. Jacob van Brouchoven was wel lid van de Veertigraad, uiteraard tot zijn dood in 1642, en als privépersoon heeft hij Arent van’s-Gravesande opdracht gegeven tot het ontwerpen van een liefdadige instelling, het Hofje van Brouchoven, maar eind 1638 moest hij wegens het roulerende systeem als Burgemeester aftreden en het was Mr. Willem Paedts, een zeer invloedrijke (en aan het eind van zijn leven zeer rijke) Regent, die toen aantrad als Burgemeester en samen met Arent van ’s-Gravesande op inspectie ging naar Maassluis om daar de kruiskerk als voorbeeld te bestuderen en zelfs copieen van tekeningen en het bestek liet maken. Begin 1639 werd de locatie vastgesteld en de grond verworven - in de oude stad. Natuurlijk, want aan de overkant van de Oude Vest was het niet zo paradijslijk als bijvoorbeeld Ed Taverne het in zijn zo sterk door Marxistische ideeen beinvloede proefschrift beweert. Die dissertatie heet In het Land van Belofte - ik citeer in de moderne spelling, want je weet nooit of de oude spelling van die gevelsteen waaraan de titel is ontleend wel exact door de moderne spellingsmachines heenkomt, bij Taverne althans is het niet gelukt. Kortom, de wijk die in 1611 werd begonnen, was een vies industriewijkje, bestemd voor de stinkende beroepen zoals leerlooierijen, die men in de oude stad kon missen als kiespijn - geen plein, geen kerk, als openbaar gebouw alleen bijna dertig jaar later Arent van ’s-Gravesande’s Lakenhal op een terrein waar eerst huizen stonden. De elegante, chique nieuwe Kerk daar stichten was gewoon onmogelijk. Maar misschien dat Taverne, gevormd in Nijmegen in de tijd dat het historisch materialisme er hoogtij vierde, de situatie-idee ook wat kan oprekken. Pas toen de nieuwe ring om de stad een heel eind gevorderd was dacht men aan het graven van een keurige nieuwe gracht in het oosten, die uiteraard de Heerengracht zou heten en waaraan de volgende stadsarchitect, Willem van der Helm, een grote kerk zou ontwerpen die bulkte van de citaten - zowel architectonisch als wat situering betreft - van de Westerkerk in Amsterdam en de Nieuwe Kerk in ’s-Gravenhage. Als zo een idee chronologisch heen en weer kan springen, waarom betrekt Laman die Nieuwgefundeerde Kerk, nogwel in het oosten der stad, niet in zijne beschouwingen?
Ik bel vast Tomas op om voorlopig verslag te doen. Ik dacht het al, zegt die. De stukken van de legpuzzle beginnen in elkaar te vallen. Kijk nog even in de recente biografie van Van Campen, die immers advies heeft gegeven over de bouw - bleek die niet Rooms toen hij overleed? En Carel Fabritius, je bent toch net bezig geweest met Fabritius, was die niet plus calviniste que le roi?
O jee, zeg ik, nu begin ik ook lont te ruiken. Maar niets erover, jij moet de Paapse complotten zelf ontdekken. A propos, nog twee architectonische zaken. Ten eerste dat op de stadskaart van Blaeu van omstreeks 1645, dus na de aanvang van de bouw, de kerk nog voorkomt als een kruiskerk à la Maassluis en ten tweede dat Van ’s-Gravesande zelf Van Campen er bij heeft gehaald voor advies en dat Paedts onder wiens Burgemeesterschap de cruciale beslissingen zijn gevallen veel rekkelijker was dan Brouchoven en bijvoorbeeld goede betrekkingen onderhield met Johan de Witt... - twee setbacks voor het extreem Gomaristische standpunt! Bovendien mag de hoofdorde van de Marekerk wel het eenvoudige en onbezoedelde Jonisch zijn, erboven zweeft toch het naar Catholicisme riekende Corinthisch!
Dank je, tot over een uur - denk inmiddels nog eens na over één klein feitje: was Van Campen’s voornaam niet toevallig Jacob?
Precies 60 minuten later was Tomas’ stuk er. Het overtreft alle verwachtingen, and ever so true! Er is geen speld tussen te krijgen. Het resultaat van ogenschijnlijk kleine details in hun juiste, wezenlijke proporties zien en haarscherpe deductie. Over bloedig en knaleffecten gesproken - de vaderlandse architectuurgeschiedenis is veel ontroerender dan ik ooit had kunnen denken. Hier is het.

» Toen Jacob van Campen terugkeerde van zijn uiteenzetting over de wenselijke verbeteringen van het ontwerp van de Marekerk voor het Gerecht der Stede van Leiden, was hij tevreden. De Revolutie is
voltooid
, dacht hij, en: Zo is de eer van mijn Leidse familie gewroken. Zijn Leidse familie, Regenten van stand, waren in 1618 door de Contra-Remonstrantse, Gomaristische omwenteling van het pluche gemieterd en moesten één-en-vijftig jaar in de coulissen blijven staan voordat ze weer Veertigraad werden. De revolutie ging over de Paapse opvatting van het Hollandse Classicisme: Jonisch prachtig voor kerken (vooral als een stadsbestuur, zoals gewoonlijk, niet te veel wilde spenderen aan het gebouw), maar Corinthisch, als de traditionele orde voor Roomse kerken boven alles!
En als het kon de Gemengde Orde, het Composiet of Romeins - de naam spreekt al boekdelen - voor het wereldlijk gezag.
Die andere crypto-Catholiek, Salomon de Bray, had het voorbereidende werk gedaan: gesteld dat Corinthisch eigenlijk de orde was geweest van de Tempel van Salomo, het grote, ideële exempel voor alle Christelijke kerken.
En Arent van ’s-Gravesande mocht dan wel een Calvinist zijn, overwoog Jacob van Campen - anders zou hij nooit stadsarchitect van Leiden kunnen zijn - maar als zijn adept als was in zijn handen wanneer het op zijn idee van Classicistische architectuur aankwam. De Marekerk gebouwd naar het voorbeeld van de doopkapel van Sint Jan van Lateranen en, omdat die kapel naar Vroeg-Christelijk voorbeeld niet naar het Oosten maar naar Jerusalem is georienteerd, verbeterd naar het fresco met de kapel in het Vaticaan! De Classicistische revolutie was nu voltooid in de belangrijkste steden van Holland... Amsterdam, Leiden, ’s-Gravenhage. Het was een geluk dat Huygens, Calvinist bij uitstek, voor de Revolutie was gewonnen - voorgesteld in termen van decorum en vernieuwing die aan de Calvinistische republiek een waardig aanzien zouden geven...
Ook voor de Stadhuizen zou de Revolutie gelden... het grootste, het meest ontzagwekkende zou in Amsterdam komen... dat kon niet worden geforceerd, maar de tijd werkte voor de Revolutie... Huygens zou het stadsbestuur masseren... architectuur gestoeld op die van de Stadhouder... maar de paleizen in aanzien overtreffend!
Eer en roem zouden de opdrachtgevers verwerven, maar ook hij. Toen de opdracht voor het Stadhuis in Amsterdam was verworven bleken haat en nijd, afgunst en roddel de onvermijdelijke metgezellen van roem en eer. En Delft werd een onaangenaam struikelblok. Toen de admiraal Van Galen was omgekomen werd zijn grafontwerp met Corinthische pilasters geweigerd... Te kostbaar was het excuus, sterker, het moest geheel zonder pilasters worden uitgevoerd. Vooral de schildersbent, die voor haar opdrachten van het Calvinistische patriciaat afhankelijk was, weerde zich. Te veel concurrentie met Willem van Oranje’s graf was een ijzersterk argument. De bentleider was wel Carel Fabritius, een zeer getalenteerde maar door-en-door Protestantse schilder. Zou die hem, Jacob van Campen, aartsbouwmeester, niet belachelijk maken met een schilderij vol onaangename toespelingen op zijn werk in Amsterdam? Hij sprak erover met zijn zoon Alexander. Die zoon was illegitiem, maar zijn naam Alexander had wonderen gewrocht: alle Alexanders zijn, zoals men weet, lieden van extremen: groots en meeslepend zijn ze, zeer groots en onweerstaanbaar meeslepend, ofwel klein en complotterend: extreem klein en uiterst bedrieglijk complotterend. Denk aan Alexander de Grote, aan Alexander Farnese als Paus Paulus III.
De crisis brak uit met de dood tegen de Engelsen van admiraal Tromp. Nu, in een Stadhouderloos tijdperk zeker, kwam het Corinthisch voor zijn graftombe in Delft in aanmerking!
Zoon Alexander reageerde doldriest. Te doldriest misschien. Was nu een heel kruitschip nodig om Fabritius uit de weg te ruimen?
Het vervolg leek in nevelen gehuld. De ramp met het kruitschip was in 1654, in 1657 overleed Van Campen en weldra was men het spoor bijster van bastaardje Alexander. «
Hier is het goed even te onderbreken om saluut te brengen aan Tomas’ excellente detective werk. Maar de even dramatische als onverwachte Leidse ontknoping moet nog komen. Luister.

» Speurwerk in het archief van Florence, de bakermat van grote architecten, brengt aan het licht de vestiging aldaar in de tweede helft van de zeventiende eeuw, van een zekere Alessandro d’Holanda, over wiens afkomst niets bekend is, maar die weldra de familienaam Giudici aanneemt, naar men zei omdat zijn vader een rechter, een giudice, was geweest. Een goed woordenboek geeft aan dat de klemtoon op de eerste lettergreep van giudice ligt, maar ook dat het woord eveneens in overdrachtelijke zin gebruikt wordt. En aangezien de familie uit louter architecten bleek te bestaan ligt het voor de hand dat zij gezworen hadden als rechters, als richteren een onrecht te wreken. Zij beidden hun tijd en keerden na twee eeuwen naar Holland terug. Het hoofd van de clan, een Roomse architect uiteraard, vestigde zich in Rotterdam en bouwde daar de Rosaliakerk. Nog steeds beidde hij zijn tijd. Die kwam in 1806 met de aanstelling van Lodewijk Napoleon als eerste Koning van Holland - een Catholiek nog wel. De rest was eenvoudig. Een schip met buskruit was een bekend wapen in de handen der familie. Het ontplofte in 1807 en Lodewijk Napoleon - die, als hij al niet in het complot zat, het met beide handen aangreep om zijn grootsheid en populariteit te bevestigen - gaf terstond opdracht op de zo mooi vrijgekomen plaats tal van gebouwen met vooral veel decorum te stichten: een nieuwe Universiteit zou het stralend middelpunt zijn. De Jacobskapel werd tot Roomse kerk ingericht, ze heet nog steeds Lodewijkskerk naar Koning Lodewijk en Jacob van Campen’ familie had volledige satisfactie: het kerkenkruis was nu echt compleet - architect van de kostelijke Roomse uitdossing werd uiteraard Giovanni Giudici, die het altaar een zeer rijke tabernakelachtige ombouw gaf in de Corinthische stijl, die bovendien met de grote schelpvormige nis erboven de herinnering aan de Jacobsschelp levend houdt. «

Ruim driehonderd en vijftig jaar na de buskruitramp te Delft en bijna twee honderd jaar na de buskruitramp te Leiden, als een leerzaam aandenken door W. Hogendoorn te Hilversum, W. Kuyper te Leiden en T. Ross in Den Haag.



Treffende Illustratie bij de Alexandriade

Waar en wanneer hebben we die zwarthemden ook al weer gezien?

3 October 2006, een datum met allemaal 2’s en 3’s, voor de hand liggend om iets te zeggen over grote mannen en 18 jaar (18 is immers 3 maal 2 maal 3) tweede monumentenwet

De ALEXANDRIADE ofwel de GALERIJ VAN BEROEMDE EN BERUCHTE ALEXANDERS
De Volkskrant heeft dit jaar gemeld dat de voormalige minister Elco Brinkman (nog steeds of thans) de machtigste man van Nederland is. Van verschillende zijden wordt dat betwist en wij hebben geen instrument om het na te meten, maar wij geloven zeker dat Elco thuishoort in deze galerij al was het maar om zijn naam en zijn vermogen om af te breken.
Zijn naam staat niet in ons woordenboekje van voornamen. Je zoudt hem als bijvorm van „Eelco” verwachten, maar daar figureert hij niet. Het lijkt ons dus waarschijnlijker dat het een plaatselijk, obscuur verkleinwoord van „Alexander” is. Je hebt van die naam vele verkleinwoorden, denk b.v. aan „Alexje”, „Lexa’tje”, enzovoorts, een van de mooiste is wel de Portugese op -inho: Alesandrinho, waarvan voor vlot gebruik het begin nog wordt weggelaten, zodat je Sandrinho, Andrinho krijgt. Vooral het laatste is fraai, omdat je dan ook aan een verkleinwoord van het Griekse „aner” (genitief „andros”) kunt denken: mannetje. Slimme lezers begrijpen waar wij naar toe willen.
Maar eerst naar Elco Brinkman die met zijn betonconnecties zeker een van de machtigsten van het land is. Op een ongelukkige dag is deze figuur minister van WVC geworden. WVC stond voor „Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur” en zo is deze minister verantwoordelijk voor de tweede monumentenwet van 1988 - de eerste dateerde van 1961.
Een van zijn afbrekende daden waarom hij herinnerd wordt is zijn besluit, in 1984, om tegen het advies van de Jury in, de P.C. Hooftprijs niet aan Brandt Corstius toe te kennen.
Een volgende was de nieuwe Monumentenwet van 1988, een wet zo slecht en onvoldoende, dat het woord „vod” nog te veel is. Zij vervangt de eerste van 1961, die redelijk werkte, maar die naar Brinkman’s oordeel kennelijk te veel geld kostte. De cultuurbarbaar!
Die eerste wet was tot stand gekomen na tientallen jaren aandringen van oudheidkundige verenigingen, vooral van de KNOB, de „Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond”, een bond die nog steeds bestaat (zie zijn Bulletin) en die in 1988 al een bijna 90-jarig bestaan achter de rug had. Voorzitter te dien tijde was Keessie Goekoop, die tevens burgemeester was van Leiden en nog enige tientallen andere petten tegelijk ophad. Maar hij was voornamelijk bekend om zijn gezagsgetrouwheid en fijne neus voor waar het zwaartepunt van de macht lag. Ook was hij goed van innemen, maar dat is een trek die hij met vele bestuurders gemeen had. Men zou kunnen denken dat Brinkman zijn plan om monumentenzorg volkomen te ontkrachten, ja, naar de bliksem te helpen, nu onder het mom van „decentralisatie” gemakkelijk door de kamer zou kunnen jagen. De heren en dames volksvertegenwoordigers waren toen al weinig intelligenter dan de domste waar Ajaan Hirsi Ali nu over klaagt.
Maar er waren een paar ambtenaren op het ministerie die er niet op vertrouwden dat de zaak lekker zou lopen. Had de Bond niet een halve eeuw op een goede monumentenwet aangedrongen? Zou hij zich dat echt niet meer herinneren? Zou Goekoop wel in zijn eentje de Bond kunnen overtuigen?
Zo kwam het dat de ledenvergadering werd verrast met de mededeling dat de Bond een Directeur had gekregen. Wij hadden eerst „aangesteld” willen schrijven, maar er was natuurlijk geen enkel besluit van de Bond. Niemand vroeg waarom een directeur eigenlijk nodig was, een enkele snuggeraar informeerde waarvan de Bond met minder dan 1400 leden en grote moeite om zijn Bulletin boven water te houden die Directeur eigenlijk zou gaan betalen - waarop geen antwoord kwam. Maar de snuggeraar hield vol en vroeg het een jaar daarop bij de jaarvergadering weer. Toen kwam de voor de hand liggende aap uit de mouw: het Ministerie van WVC betaalde de directeur. Toen gingen de leden - van wie de meeste al zeventig of tachtig jaar oud waren - rustig slapen. Vragen waarom die Directeur eigenlijk bij de Bond was gedropt kwam bij niemand op. Men begrijpt dat een zo weinig attent, aan aderverkalking lijdend gezelschap zijn goedkeuring hechtte aan het nieuwe wetsvoorstel.
In de kamer bereikte het toverwoord „decentralisatie” zijn doel. „Decentralisatie” was de panacee voor alles, het kon zo gek niet zijn, en de gemeenten stonden te juichen over de grotere zeggenschap die zij zouden krijgen: ze mogen sinds 1988 de sloopvergunningen zelf afgeven, zelfs de minste geringste deelraad. Dat het geld niet gedecentraliseerd werd en de kraan gewoon bijna geheel werd dichtgedraaid merkten de gemeenten pas achteraf.
De gevolgen voor de monumenten zijn desastreus - we komen er nog wel op terug, laten we hier opmerken dat de grote plaatsen zoals Amsterdam als lang voor de Oorlog, lang voor de eerste monumentenwet, gemeentelijke monumentenverordeningen hadden en dat de centralisatie van de eerste monumentenwet er juist was omdat bleek dat de gemeenten met alle goede bedoelingen niet tegen de projectontwikkelaars waren opgewassen. Wel, die projectontwikelaars zijn er - stevig gesteund door Alexander Brinkman - niet kleiner en minder machtig op geworden.
Cees Goekoop werd voor zijn welwillende medewerking beloond met het voorzitterschap van de geamputeerde monumentenraad.
Bij alle ellende komt nog dat het ministerie met een afleidingsmanoeuvre het aantal ingeschreven monumenten zo ongeveer heeft verdubbeld, zodat het beschikbare bedrag per object wel gevierendeeld wordt.
Die afleidingsmanoeuvre heette het „Monumenteninventarisatieproject” - MIP in de wandeling - dat bedoeld was om enthousiastelingen voor Neo-gothiek en andere „grootmoederarchitectuur” lange lijsten op te laten stellen van alle gebouwen van 50 tot 150 jaar oud die naar hun mening waardig waren op de monumentenlijst geplaatst te worden. Die mening werd dan door de Provincies (waarvan de meeste volstrekt niet op die taak waren berekend) gecanaliseerd, zeg maar omgetoverd, tot „adviezen” over plaatsing op de lijst van „jongere monumenten”.
Dat gebeurde volgens de meest idiote criteria, als er al criteria werden gehandhaafd. Een afgrijselijk voorbeeld van de Provincie Zuid-Holland volsta.
De gemeente Boskoop heeft een grote opleving gekend in de jaren 1880-1914, zodat er een groot aantal verrukkelijke „planterswoningen” is gebouwd. Bijna alle liggen en lagen ze in een vierkant om het oude centrum, een vierkant dat wij daarom het „gouden vierkant” hebben gedoopt. Het MIP (in een MIP was uiteraard veel plaatselijke invloed) dacht terecht dat al deze villa’s ongeveer in gelijke stijl ongeveer gelijkwaardig waren en alle plaatsing op de lijst van beschermde monumenten verdienden. Zo als helaas bij zowat alle gemeenten ging de Provincie op de „beleidsstoel” van de minister zitten: ze adviseerde niet volgens een van criteria die in de wet worden genoemd voor monumentaliteit, zoals schoonheid b.v., maar geheel volgens de portemonnaie van de minister: aanbevolen werd één villa te plaatsen, die bovendien niet aan het vierkant staat maar wat apart aan een zijweg en die - dat hale je de duivel - net was gerestaureerd zodat de minister niet zo een vervelend subsidieverzoek aan zijn broek zou krijgen.
Zodat een groot aantal villa’s die èn van aardige architectuur zijn èn bijeen een fraai gezicht vormen èn illustratief zijn voor een tijdperk van de boomkwekerijen aan hun lot zijn overgelaten.
De gemeente Leiden ligt ook in Zuid-Holland, hier bestaat een actieve groep bewonderaars van moderne architectuur, die sterk gelieerd is aan het stadsbouwhuis en die zichzelf volledig in staat acht monumentenqualiteit te evalueren volgens de vreemdste criteria, zodat de doorbraak van het Gangetje van net voor de Oorlog (architectuur die zo weggelopen is uit een troosteloze nieuwbouwwijk van Den Haag) op de lijst is geplaatst, alleen maar om een grove doorbraak salonfaehig te maken, of de treurige schoorsteen van de voormalige gasfabriek (die, over het Galgewater gezien, het zicht op de Marekerk zo „aardig” afleidt), of de Meelfabriek die al tientallen jaren het silhouet verknoeit, kennelijk om de goegemeente te wennen aan allerlei afgrijselijke hoogbouw die op stapel staat - wel, ook de wat betere architectuur van de woonhuizen aan het Plantsoen werd voorgesteld voor de lijst. Maar ja, de selectie uit duizenden schoot niet op en een zekere ALEXANDER („Elco”) Brinkman werd ongeduldig: hij had daar immers een huis gekocht en wilde restaureren. Hij wilde geen mogelijke subsidie mislopen en bovendien wilde hij belastingaftrek voor groot onderhoud dat aan de eigenaars van geregistreerde monumenten wordt verleend.
Men begrijpt het, de dienstdoende directeur van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, ook zo een hielenlikkende grappenmaker, was alleszins bereid om Elco’s huis bij voorrang voor te dragen!
Vroeger werd voorrang verleend aan bedreigde monumenten, vooral echte oude, uit de hoogtepunten van het vaderlandse bouwen - thans worden deze verwaarloosd, met het ellendige nevenverschijnsel dat goede vaklieden tot de zeldzaamheden gaan behoren, timmerlieden die met de profielschaaf kunnen omgaan, metselaars die een fijn toogje kunnen metselen. Neen, vandaag de dag wordt dat door de Alexandriade groots en meeslepend aangepakt, vooral door de betontycoons: veel beton, veel plaatmateriaal, vooral met de nietmachine vastgezet, en dan over alles een verfje in een laffe, groezelige kleur. Weg met eerlijke constructies! Weg met eerlijke materialen! Leve de nieuwe groezeligheid!
Over ALEXANDER pechtold en zijn bemoeienissen met de Leidse Schouwburg toen hij een blauwe maandag wethouder van monumenten was hebben we het al gehad: uiteraard wilde hij een originele trap laten verwijderen en heeft hij toestemming gegeven om de oorspronkelijk gelakte trapleuningen in een laffe blauwe (!) kleur te laten verven, soppen is misschien een beter woord, en de gangzijde van de omloop werd gesopt in een soort kanariegeel waarvan je sterretjes voor de ogen krijgt.
En deze ALEXANDER zag zichzelf als Minister al met krijgsroem overladen: - eveneens als A. de GROOTE Chandahar (in het huidige Afghanistan) was binnengetrokken zouden zijn troepen Chandahar binnentrekken! Zo steunde hij het kabinet met het slecht doordachte plan om een „vredesmissie” naar Afghanistan te sturen die net zo met de Afghanen zou verbroederen als de Amerikanen met de Irakezen! En nu al sinds 1989 vergeten we maar steeds de uitgangspunten en daarmee de omvang van de NAVO duidelijk vast te leggen: zo overkomt het ons nu dat Amerika nog maar een week geleden zo handig heeft gemanoeuvreerd dat alle troepen in Afghanistan onder NAVO-bevel staan. Zodat de NAVO voor Amerika het vuile en onbegonnen werk mag opknappen - hoe staat het eigenlijk met het overdragen van gevangenen die vervolgens naar Guantánamobay worden gebracht en tegen alle gevoel van recht oneindig lang zonder faire rechtspleging worden vastgehouden? Waarom werkt Nederland mee aan schending van de Geneefse conferentie?
Rest nog te vermelden over accumulatie van functies (met vaak tegengesteld belang) van deze Alexandriade dat de Leidse Raad in zijn hoogste wijsheid enige jaren eerder besloten had Keessie Goekoop het wethouderschap van monumenten aan te bieden! ’s Werelds zotheid in Leiden in klein bestek gedemonstreerd.