Voor een nieuwe Randstadprovincie en Semi-sneltramwegen zie de pagina Centraal-Holland

Nederland en het Milieu

Het milieu van de gebouwde omgeving en het historische, weidse, open landschap. De rivierfronten.

Maart 2008 - een „kunstwerk" voor Tilburg – draaiend nog wel! Tja, Tilburg

Maart 2008 - een „kunstwerk" voor Tilburg – draaiend nog wel! Tja, Tilburg

21 Mei 2006. Wij kunnen een welkome aanvulling geven, zie alfabetisch onder de letter N van Nijmegen

Het Arnhemse Rijnfront

Op onze pagina’s over de toekomstige provincie Midden-Holland en Nederland en het Milieu hebben we het gehad over de al dan niet verheven, feestelijke, grootse, royale of zelfs fraaie entree’s van een aantal steden van af het hoofdstation. Wegens de disparate troep van hoogbouw die men daar vindt, in plaats van wat een waardige en voor de stad sprekende entree zou moeten zijn, hebben we steden als Leiden en de voorstadstations Amsterdam-Sloterdijk en Amsterdam-Zuid buiten beschouwing gelaten. Over Rotterdam en het onooglijke verschil tussen drie gebouwen die elk een uitdrukking van het kapitalisme zijn (Groothandelsgebouw, Nat. Nederlanden en de recente toren recht tegenover het station) moeten we het nog hebben.

Maar er is een andere entree die altijd nog ouder en meestal karakteristieker en mooier is dan de toegang per spoor, die over een meer of een rivier. Aan een wijds meer zijn nog na de oorlog een paar schitterende stedebouwkundige kansen gemist. En ik was nog zo hoopvol! Toen ik, eind jaren 70 of begin 80, voor de Rijksdienst voor de Monumentenzorg een aantal opdrachten in Groningen had, reed ik van mijn woonplaats Leiden langs Amsterdam naar de polder waar Almere moest worden aangelegd en dan over de dijk langs het randmeer naar de brug bij Harderwijk waar ik de polder weer verliet om via Zwolle verder te rijden. Ik droomde van een blanke stad aan een ka met zeiljachten aan het randmeer - om nogmaals Vondels woord aan te halen, een stad die zich „heerlijk open” zou doen... Tot mijn ontzetting werd het een polderstad met namaakgrachtjes met namaak traditionele huizen, de grachtjes met een ellendig profiel met veel te hoge kademuren, een soort grote open riolen, de huizen in een ellendige depressieve kleur baksteen.
Zoals men begrijpt was het een verademing de steden aan de grote rivieren te bezoeken, Dordrecht in Holland, Maastricht in Limburg, maar niet het minst die steden langs Rijn, Waal en IJssel als Arnhem, Nijmegen, Deventer en Kampen.
Maar nu is er het plan Rijnboog in Arnhem. Niet ontworpen door een Gelderse of maar Nederlandse architect, maar door een buitenlander, die de stad in tweeën wil knippen met een soort nat bassijn recht van de Rijn de stad in op de, ja op wat aanlopend?
Nu schrijven we „nat bassijn” omdat het er op de kaart zo uitziet, maar nu krijg je het gedonder met een buitenlandse architect, die schijnt te denken aan een bassijn als een afgesloten dok zoals men ze bijvoorbeeld vindt in Engelse docklands. Zelfs een buitenlander zou beter moeten weten als je maar even denkt aan die getijderivieren die een groot deel van de dag vies slijk laten zien, zoals bijvoorbeeld die door Bilbao waar het Guggenheim Museum armzalig poogt zijn waardigheid te behouden op de steile oever. Zoiets lukt alleen bij enorme maten en geleidelijk afdalende kaden.
Wanneer je dan toch meent dat hier een pleinachtige ruimte op zijn plaats is, handhaaf dan die brug, als die hoog genoeg erover gaat kan ze wel aardig worden uitgewerkt, maar sluit het Rijnfront! Trek het bijvoorbeeld zelfs door: voor het Provinciehuis langs tot de brug - met gepleisterde woningen in drie lagen - zodat er weer een mooi front ontstaat en het gat van de Oorlog eindelijk wordt gedicht. Het Provinciehuis hoeft geen twee keer front te maken, maar als men wil kan men een „geconcentreerde vista” maken, een opening van een meter of tien tussen de huizen, recht in het midden.
En wat zou je die pleinachtige ruimte leuk kunnen inrichten, aan alle kanten met ruime treden de geringe diepte overbruggend! ’s Zomers een plasvijver voor kinderen, door zijn grootte een adempunt in het centrum, in alle wintermaanden een grootse ijsbaan om te zwieren en bescheiden baantjes te trekken (in zomerse en winterse rust, „muziek” kan men als „onnatuurlijk” naar het binnenste van café’s verbannen) - dat schaatsen wordt zeker een attractie nu het steeds moeilijker wordt om ’s winters ergens buiten te schaatsen.
Jammer genoeg zou je zo nog maar een deel van de stad redden, want door de hoogbouw die overal in „Rijnboog” wordt voorgesteld, wordt het silhouet van de stad - en daarmee de royale entrée over de rivier - voorgoed verpest. We hebben dat uitgelegd in onze rubriek over Leiden: die woningen in hoogbouw, behalve dat ze een sociaal-hygiënisch kwaad zijn, worden nooit meer afgebroken omdat de projectontwikkelaars ze per appartement verkopen.
Nu zie je nog van ver, b.v. van de spoorbrug, eerst de twee (in deze rubriek al genoemde) kantoortorens aan het station en dan komt het gave gezicht op de stad met de toren van de Eusebius als accent met culturele meerwaarde, als referentiepunt voor alle Arnhemmers: hier is Arnhem.
Als het nu nog maar een dubbelstad was, die eerst kwam, waar je omheen kon kijken, maar de hoogbouw vult visueel het gehele gebied van ver voor het station tot voorbij de oostkant van het voorgestelde „dok”, de Eusebius valt in het niet of wordt zelfs geheel onzichtbaar...
Om met Dordrecht te vergelijken: het is alsof Zwijndrecht met al zijn hoogbouw de sprong over de rivier heeft gemaakt en half voor Dordrecht is geschoven.
Het gezicht van af de boot van de oostkant doet zich pas „open” wanneer men de brug passeert, het wordt dan direct doodgeslagen door een moderne stad die alle aandacht opeist. Van uit het zuiden soortgelijke overwegingen. Kortom, een plan van een dergelijke hoogte en omvang dat de oude stad er als een zielig aanhangsel bij komt te hangen. Weg historie, weg culturele identificatie.


Arnhem

Exemplarisch voor hoe chaotische toestanden, de wildgroei van ongecoordineerde kantoorbouw, aangepakt kan worden, lijkt de metarmorphose van het Arnhemse stationsplein. Gereed is het niet op het ogenblik, maar het heeft er alle schijn van dat de hoofdlijnen in één hand zijn gehouden. Arnhem heeft natuurlijk het voordeel van de oplopende Veluwezoom - van ver gezien doet hoogbouw het altijd beter in een geaccidenteerd terrein. Wij hopen dat een goede logistiek van de treinsporen (ruimte voor een hogesnelheidslijn naar Duitsland) bewaard wordt door het vlak op de sporen schuiven van de kantoorgebouwen, maar daardoor ontstaat wel de ruimte op het stationsplein die dergelijke gebouwen nodig hebben. Bovendien zijn de twee kantoorgebouwen die nu klaar zijn stedebouwkundig en qua architectuur volkomen op elkaar afgestemd wat een prettige indruk maakt en staan ze redelijk ver van het oude centrum dat even verder uit de trein zichtbaar blijft.


Groningen

Wij houden ons hart vast hoe in Groningen, de Metropool van het Noorden, de Markt aangepakt zal worden. Wat bij de ingang van de stad als Museum geldt en waar men tussendoor moet om de stad binnen te komen zonder te weten welke architectuur bij welk onderdeel van het Museum hoort (wordt trouwens de mooie eigen schilderijencollectie al weer getoond?) stemt niet hoopvol. In ons Manifest, bij Het Milieu van de Gebouwde Omgeving staat iets over de Markt, laat ons hopen dat daar architectonisch gecoordineerde bouw tot stand komt die in maat en schaal zowel bij de stad als het overblijvende deel van de Markt past.


Het Rivierfront van Nijmegen

In Nijmegen is een gelukkig besluit gevallen: herbouw van de Grote Toren van het oude Kasteel. Eindelijk weer eens herstel van iets groots, iets uit een periode van stevige architectuur, niet iets dat met de nostalgie voor elke slappe krul van grootmoederarchitectuur samenhangt of met grotendeels door verkeerd begrepen godsdienstige gevoelens „mooi” gemaakte sombere, detonerende kerkelijke hokken van kloosters en vaak ook kerken zelf uit het Neo-Gothieke tijdperk.
Laat men alstjeblief mooi gekleurde baksteen toepassen die bij het tijdsbeeld past! Het was al een uitstekend idee een maquette op ware schaal te bouwen. Zo kon men zien hoe uitstekend de toren in het profiel past, aan de ene kant zowel de Stevenstoren vrijlatend, als aan de andere kant de vrij hoge flats bij de oprit van de brug. (Ik heb er een lieve nicht wonen, maar dat maakt die flats - en ondanks het feit dat ze van binnen prettig ruim zijn - van buiten nog niet erg mooi). Maar goed ze staan buiten de „uitstraling” van de Grote Toren. Eindelijk eens een goed initiatief na het afbreken in plaats van restaureren van bijna de gehele benedenstad. Zo krijgt Nijmegen weer een samenhangend, waardig front aan de Waal.


Zwolle

In Zwolle treft bij het stationsgebied, wat de royale entrée van de stad moet zijn, een hinkende symmetrie van oud en nieuw aan het begin van de Stationsweg. Gelukkig staat Hotel Wientjes er nog - deftig burgerlijk negentiende-eeuws. De binnenstad een wettelijk beschermd Stadsgezicht, maar als je je op de Melkmarkt waagt, waar een wettelijk beschermd stedelijk museum hoort te staan, het Drostenhuis, dan krijg je de schrik van je leven: uitgebreid door zo een egotrippende moderne architect met een al even zo groot stuk als het oude Drostenhuis maar in een emballage-architectuur van de ergste nihilistische ellende: schaalloos, van ijzer (dat door de moderne jongens staal wordt genoemd, maar daarom niet minder detoneert), de ene helft van deze alles eromheen kapotslaande troep geheel gesloten, de andere beglaasd, zodat je al van de straat kunt zien dat deze helft geheel in beslag wordt genomen door één ijzeren trap met glazen treden die omhoog gaat en één ijzeren trap met glazen treden die omlaag gaat. Of als je wilt andersom. Een leuk spelletje op stadskosten en met stadsruimte die eigenlijk voor expositie bestemd zou moeten zijn.

foto
Zwolle, Museumuitbreiding in de Binnenstad. Er achter het oude Drostenhuis

Achter de gesloten helft is nog een trappenhuis, met van die ijzeren roostertreden zoals ze voor aan de gevel hangende brandtrappen nog wel worden gebruikt, dat nog een verdieping hoger opgaat. Want dat is het enige wat de egotrippende architaster met zijn glazen, met ijzer versterkte trappen wel heeft begrepen: over zo een dwingende stijgende sculptuur kun je niet nog een trap leggen! Maar zijn de geachte raadsleden van deze gemeente al even ziende blind als die van Leiden? Heeft geen één gezegd: kunnen we dan die brandtrappen niet iets ruimer en breder maken en vóór twee keer zo veel expositieruimte hebben? En heeft geen één gezegd: collega’s raadsleden, wat zijn we eigenlijk met het patrimoniaat aan het doen? En heeft geen één gezegd: collega’s raadsleden, zullen we nou niet eens eerst in Amsterdam gaan kijken wat er van de allure en de omgeving van het Rembrandthuis nog over is?
En toen het definitieve ontwerp er kwam: heeft niemand gevraagd „wat moet die roje piel bij de ingang doen?” Wat is dat toch, zijn ze allemaal aesthetisch of in elk opzicht impotent, die moderne ontwerpers, dat ze allemaal met phallische hoogstandjes, liefst bloedrood, hun potentie willen bewijzen? Voorbeelden te over: in Nieuwkoop een in tweeën geknipte villa waar de rode paal recht in het midden tot aan de puntige samenkomst van de dakhelften zijn kunststuk uithaalt, in Leiden een buikige rode totempaal voor de ingang van het Gerechtsgebouw, in Pechtold’s Wageningen een uitschuifpiel voor wie de symboliek niet duidelijk mocht zijn...
En waarom op het dak van die gesloten doos dat plattelandsvilla’tje? Wij denken dat de architect zich daar op zijn oude dag gaat terugtrekken: en dessous de chez moi le déluge.