Centraal-Holland

VERKIEZING PROVINCIALE STATEN

De Sociaal-Liberale Partij heeft Wouter Kuyper (foto) en Hans Held voor de verkiezingen op 7 Maart 2007 voor de Staten van Zuid-Holland candidaat gesteld in de kieskring Leiden. De lijst heeft nummer 14 gekregen. Voor deze verkiezingen wil de partij de volgende punten uit haar algemene programma extra benadrukken:

RAILS WAAR RAILS THUISHOREN!

Vrijliggende treinsporen, geen levensgevaarlijke sneltrams door de binnenstad! Tegen de Rijn-Gouwelijn, vóór een snelle, comfortabele en frequente treinverbinding!

OPENHEID VAN BESTUUR - Geen Megaprovincie Half-Holland!

Geen oncontroleerbaar Achterkamertjes-Randstadverband! Traditionele samenhangende eenheden, geen kunstmatige deelraden maar ook geen onbeheersbare Randstadprovincie bestaande uit heel Noord-Holland, heel Flevoland, heel Utrecht en heel Zuid-Holland met wellicht Almere als hoofdstad!

MENSELIJKE WONINGBOUW!

Woningbouw van prettige hoogte aansluitend aan de bestaande kernen of door renovatie. Geen verafgelegen grote achterstandswijk juist op het diepste punt van Holland.

SPAAR HET MILIEU!

Woningbouw in het Groene Hart geheel door renovatie, geen uitbreiding van het bebouwde areaal, ruimte voor industrie door hergebruik bestaande terreinen.

NATIONALE EN INTERNATIONALE POLITIEK:

Door goed onderwijs bewust en sterk van eigenwaarde en daardoor met zoveel mogelijk invloed in de Europese Unie!

Geen groezelig pragmatisme, maar partijvorming op principes!

Hier volgen de vijf voornaamste punten uit Een Fantastisch Plan voor Centraal-Holland.
  1. Centraal-Holland omvat Amsterdam, Utrecht, de Rijnstreek, Leiden, ’s-Gravenhage, Delft, Rotterdam met het Waterweggebied en het Hart van Holland.

  2. Vertegenwoordiging door 100 Statenleden die in principe in Leiden bijeenkomen. Provinciale diensten gespreid over de middenlinie van Utrecht tot Leiden.

  3. Snel en frequent vervoer over de Middenlinie door de Nederlandse Spoorwegen. Geen hortende en stotende Rijn-Gouwelijn, maar een wel-geoliede, snelle en comfortabele vrijliggende verbinding langs de kortste lijn.

  4. Geen diep-gelegen polderstad - een soort New-Orleans-in-the-Polder - midden in de Zuidplaspolder, het diepste punt van Holland, als een Lower Bijlmermeer.
    Niet meer hoge woningbouw of kantoorbouw in het groene gebied of te dicht bij historische dorps- en stadskernen.
    Minimale woningbouw in het Groene Hart, geheel door renovatie, geen uitbreiding van het bebouwde areaal.

  5. Geen tunnel bij Delft maar de twee extra sporen door Delfland langs nieuwe tuinstad; de aanvoerlijn naar de Hoge Snelheidslijn van Haarlem via Leiden, Den Haag-Hollands Spoor, Delft, Rotterdam, Dordrecht, Breda.

Voor de volledige tekst van dit plan klikt u naar Een Fantastisch Plan voor Centraal-Holland.


Treinen of trams, milieu en bereikbaarheid

Leiden

Ware liefhebbers van de democratie, u hebben we voldoende uiteengezet waar de SLP voor staat.

Ook de voorstanders van goed onderwijs en een nationale – maar geen nationalistische – canon van goed Nederlands en van de geschiedenis ingebed in de Europese en wijdere historie.

Liefhebbers van het milieu. Stem dubbel tegen de Rijn-Gouwelijn! Ook bij de Provinciale Staten moeten voldoende tegenstemmen komen, de Provincie gaat door met het ontwikkelen van buitengewoon slecht geplande railverbindingen voor (snel)trams die in de natuurgebieden zoals het Groene Hart leiden tot woningbouw en industrieterreinen die weer hun eigen wegen en auto’s aantrekken, zodat de bereikbaarheid van de bestaande stedenring steeds moeilijker wordt. 

Zoeterwoude

Indien de plannen voor de Rijn-Gouwelijn doorgaan wordt de Elvenbaan, een stukje natuurgebied, opgeofferd voor een werkplaats en opstelsporen. Waarom daar? Dat zou toch ook in Alphen op het bestaande emplacement kunnen? Neen, want de ontwerpers van de Rijn-Gouwelijn zijn niet van plan om de trams ook elke 7½ minuut naar Alphen te laten rijden, ze moeten dus ergens keren! Maar zelfs bij eens in de vijftien minuten wordt het gewone treinverkeer ontregeld (denk aan de gevaarlijke ongelijkvloerse kruising van spoor en tram net tussen Lammenschans en Elvenbaan) en zullen de Spoorwegen hun lijn opheffen.

Zoeterwouders, denk ook aan het transferium van 65 meter hoogte dat de ontwerpers van de Rijn-Gouwelijn aan de A4 willen bouwen. Overal van uit het Groene Hart zichtbaar, maar wel het meest van uit Zoeterwoude!

De Sociaal-Liberale partij is voor sterke verbetering (sneller, comfortabeler, verhoogd, frequenter) van de bestaande spoorlijn met een halte bij de Burg. Smeetslaan, die we om de gedachten te bepalen het station Zoeterwoude-Heineke zullen noemen en waar beslist een onderdoorgang voor het wegverkeer moet komen.

Inwoners van Oegstgeest en Leiderdorp

De SLP is voor kleinschalig openbaar stadsvervoer (busjes zoals nu naar de parkeerplaats en kleine trams rondrijdend op enkel spoor) met uitlopers naar Oegstgeest en Leiderdorp.

Teylingen

De SLP ijvert voor verbetering van de „Oude Lijn” van Leiden via Haarlem naar Amsterdam. Ongelijkvloers maken van alle kruisingen en frequente stoptreinen voor tussenliggende stations zoals nieuwe in de Merenwijk in Leiden, Noordwijk, Sassenheim en Lisse en de bestaande in Voorhout en Hillegom.

Maar ook internationaal: de „voedingslijn” naar de TGV niet alleen naar Den Haag, maar ook naar Leiden en Haarlem.

Katwijk

Katwijk is al te groot voor een sneltram: er zouden aanvoerlijnen per bus moeten komen. Wel, dan kun je evengoed in plaats van overstappen nog een paar minuten in de bus naar Leiden blijven zitten.

Noordwijk

Noordwijk is meer gebaat bij een station op de Oude Lijn dan bij een tram die in Katwijk volstroomt met Katwijkers en vervolgens in Valkenburg met Valkenburgers die niet meer kunnen zitten. Terug van Leiden is het nog moeilijker: eerst alle leerlingen die op weg zijn naar het ROC-Station, dan alle Valkenburgers, dan alle Katwijkers – het was niet zonder reden dat de oude blauwe tram eerst naar Oegstgeest en Rijnburg reed en zich dan pas vertakte in lijnen naar Katwijk en Noordwijk.

Rijnsburg, Valkenburg en nogmaals Oegstgeest

Rijnsburg en Valkenburg-dorp schieten niets op bij een Rijn-Gouwelijn. Oegstgeest al evenmin.

Alphen aan den Rijn en Bodegraven

Alphenaars, je reisduur naar Leiden-Centraal wordt twee keer zo lang. Zonder toiletten, zonder eerste klas, voertuigen die huppelen vergeleken bij treinstellen, rumoerig publiek eerst voor het ROC-Lammenschans, dan voor het ROC-LeidenCentraalStation.

Bodegravers, helaas! bij aanleg van een Rijn-Gouwelijn wordt de spoorlijn van de NS onrendabel en dus opgeheven. Reken maar uit hoeveel tijd je dan nodig zult hebben om naar Leiden te komen: door die extra auto’s die de Rijn-Gouwelijn meebrengt door de extra woningen om althans het deel Alphen-Gouda rendabel te kunnen maken zal de N11 niet alleen in de spitsuren, maar de hele dag vol zitten.

Alphen, Bodegraven, Boskoop en Waddinxveen

De Sociaal-Liberale Partij is ook voor sterke verbetering van de lijn Alphen-Gouda als treintracé door nieuwe bogen van Waddinxveen direct naar Zoetermeer-Den Haag en direct naar Rotterdam wat een enorme service voor de forensen uit Waddinxveen zou betekenen.

Doortrekken via Alphen-Bodegraven-Woerden naar Amsterdam en koppen van frequentere treinen te Waddinxveen naar Gouda.

Oja, over de horizonvervuiling die voor Waddinxveners de aanleg van de Rijn-Gouwelijn met transferia van 65 meter hoog bij Leiden en ten westen van Gouda (op het knooppunt met de A12 en A 20) zou betekenen: niet alleen zien ze in de verte dat bij Leiden, maar als ze zich omdraaien dat bij Gouda. Enz.

Gouda

De Sociaal-Liberale Partij is voor  mooie steden waar de historische gebouwen niet ontsierd en verkracht worden door opzichtige reclames – zeker niet wanneer het musea betreft – in een dynamische, niet beestachtig grote (vier bestaande bij elkaar wil de commissie Kok) maar goed geordende provincie. Geen „sneltrams” maar snelle, comfortabel treinverbindingen: betere treinverbinding met Waddinxveen-Alphen, geen transferium ten westen van Gouda met het risico dat geen enkele sneltrein meer in Gouda stopt.

Zoetermeer

Niet nog meer provinciale semi-treinen. (Een semi-trein is natuurlijk een mooi woord voor semi-tram). Verbetering van de lijn Utrecht-Den Haag: vrijliggend, vier sporen van Zoetermeer naar Den Haag. Naar het noordwesten: treindienst via boog naar Waddinxveen en door via Alphen-Woerden naar Amsterdam.

Voorburg

De intercity moet weer in Voorburg stoppen, door verbetering van de lijn kan er zelfs dan nog tijdwinst op het hele traject ’s-Gravenhage-Utrecht worden behaald. 

Rotterdammers, vooral die gebruik maken van de westtakken van de metro!

Inwoners van Capelle en Nieuwerkerk!

De Provincie wil een grote Vinexwijk bouwen op het diepste punt van Zuid-Holland, in de Zuidplaspolder, die ontsloten moet worden door de metrolijnen naar Capelle en naar Zevenkamp-Nesselande eindeloos en eindeloos uit te breiden naar die wijk – hetzelfde verhaal als bij de Rijn-Gouwelijn : de metrostellen komen al vol in Capelle en Zevenkamp aan. En ook hetzelfde verhaal over meer auto’s en meer wegen in het Groene Hart met meer verkeer dat de wegen om Rotterdam zal belasten. Hoe dan ook wordt die Vinexwijk al door haar onbereikbaarheid een achterstandswijk

Snellere treindiensten naar het oosten – dat de trein naar Enschede 8 minuten in Utrecht blijft staan is onacceptabel!

Iedereen die tegen opheffing van bestaande spoorwegen is: stem op de SLP die sterk voor verbetering van de bestaande lijnen is!

Treinreizigers! De exploitatie van de treinen wordt door het Rijk gesubsideerd, zodat een kaartje op noodlijdende lijnen (b.v. Alphen-Boskoop) betaalbaar is – daar betaalt iedere Nederlander aan mee, maar dat spaart het Milieu. Over de prijs van de kaartjes voor de Rijn-Gouwelijn is nog niets bekend.

Ondernemers! Bij een dynamisch Leiden hoort een snelle en confortable spoorverbinding met Utrecht, geen langzame „sneltram” die de reisduur naar Alphen verdubbelt! Elk half uur intercities naar Alphen, Bodegraven, Woerden, Utrecht, elk kwartier stoptreinen, de helft richting Utrecht, de andere helft via Alphen en Waddinxveen-Gouda en/of Waddinxveen-Zoetermeer. De SLP maakt zich sterk voor een verhoogde baan met ongelijkvloerse kruisingen – niet alleen bij Morsweg, Haagweg, Telderskade, Zoeterwoudseweg, hoog over het Wilhelminakanaal, maar ook bij Zoeterwoude-Heineken, Alphen (Centrum en Gouwe) en Bodegraven, zodat de sneltrein veilig binnen het half uur van Leiden-Centraal naar Utrecht kan rijden. Geen sneltram die de reistijd van Leiden naar Alphen al verdubbelt en die opheffing van het hele spoortraject betekent. De noodzakelijke woningbouw leidt met zijn meer auto’s en wegen tot onbereikbaarheid van de oude stedenring of Randstad.

Bewoners van Leiden Zuid-West! Het doorgaande verkeer moet de wijk uit!  Nieuwe verbinding A4 en A44 verdiept door de punt van Voorschoten en onder de Vliet door.

Voorschoten... Geen kiezersbedrog maar harde woorden. Helaas moet de verbinding tussen de A4 en de A44 door de punt van Voorschoten. Wel zoveel mogelijk verdiept en onder de Vliet door. Leiden Zuid-West moet worden verlost van het doorgaande verkeer, van alle andere oplossingen hebben meer mensen last of ze zijn totaal onbetaalbaar. Het is een nare consequentie van de aanleg van de A4 en de N11, die niet meer weg te denken zijn.

De SLP is overigens voor verbetering van de Vliet als vaarweg zodat er geen zandauto’s meer door de kern van Voorschoten hoeven te rijden.


Hoe stemmen in de Kieskring Leiden?

Wie niet in de Kieskring Leiden woont, maar wel in Zuid-Holland, kan op de SLP stemmen door voor 2 maart zijn oproep of stempas te laten omzetten in een kiezerspas en vervolgens over de gemeentegrens te wippen en in Kieskring Leiden op lijst 14 te stemmen.

Bijvoorbeeld dicht bij de stations in Capelle-Schollevaar, Gouda, Zoetermeer of Leiden, er komt zelfs een stembureau op Leiden-Centraal in het stationsrestaurant La Place.

Of in het gemeentehuis van Capelle, vlak bij de metrohale Capelle-Centrum.

Voor wie in Rotterdam woont: niet alleen Capelle aan den IJssel, maar ook de nieuwe gemeente Lansingerland (Berkel en Rodenrijs, Bergschenhoek, enz.) ligt in de Kieskring Leiden.

Voor wie in Delft woont: Pijnacker-Nootdorp ligt in de Kieskring Leiden.

Voor wie in ’s-Gravenhage woont: Wassenaar en ook de hele gemeente Leidschendam-Voorburg met hun bus- en tramlijnen liggen in de Kieskring Leiden.



Februari 2007

„Randstad” of Half-Nederland? - naar een Nederland in Twee Versnellingen?

Het griezeligste bij deze verkiezingen is dat alle grote partijen een standpunt voor of tegen een Randstadprovincie innemen zonder dat nog duidelijk is hoe het bestuur van zo een provincie moet worden ingericht (een Super-Quango Half-Holland of een democratische, niet te grote provincie?) en hoe de omvang moet zijn: delen van Zuid-Holland en Noord-Holland, met delen van Utrecht er bij of geheel die drie provincies met nog Almere erbij?

De Sociaal-Liberale Partij heeft enige maanden geleden haar ideeen concrete vorm gegeven en op de web-site (www.sociaal-liberalepartij.nl) gezet bij de pagina Centraal-Holland. Gezien de ligging en de grenzen die wij voorstellen kan men beter van Centraal-Holland of Midden-Holland spreken bij onze „Randstad” dan van een „Randstadprovincie”.

Meestal wordt echter van de „Randstad” en „het Randstadbestuur” gesproken, wij zullen voor het gemak hier die termen gebruiken - hoewel iedereen eronder iets anders verstaat.

Pas in Januari 2007 is het rapport van de „Adviescommissie Versterking Randstad” gepubliceerd, waaruit blijkt dat deze commissie (kortheidshalve de „Commissie Kok”) niet is uitgegaan - zoals sommige van de partijen dachten - van wat in de wandeling al jaren de „Randstad” wordt genoemd, maar van de gehele provincie Utrecht - dus ook Amersfoort erbij - en de gehele provincies Noord- en Zuid-Holland en, plus niet alleen - alweer: zoals sommige partijen dachten - Almere er bij, maar de gehele provincie Flevoland! Aan het begin van haar rapport schrijft de commissie dat ook Almere er bij moet. Maar reeds uit de volgende zin en de rest van het rapport blijkt dat „Almere” een euphemisme is voor „geheel Flevoland”: de commissie voegt er namelijk onmiddellijk aan toe dat haar „Randstad” 40% van de bevolking van Nederland bestrijkt, m.a.w. met Flevoland erbij vier gehele provincies opslokt.

Het vreemde is dat de commissie geen enkele argumentering of verantwoording geeft voor deze uiterst belangrijke keus. Hoe het voorstel voor de democratie, de transparantie en afstand van burgers tot bestuurders uitpakt laat zich denken.

Even een paar cijfers van dat Nederland-eerste versnelling en Nederland-tweede versnelling. Nederland-eerste versnelling heeft 40% van het inwoneraantal, maar de overgrote meerderheid van de industrieele, technologische en handelsbedrijvigheid, en het brengt wel 80 of meer procent van de belasting op, terwijl Nederland-tweede versnelling 60% van de inwoners heeft maar in andere opzichten getalsmatig sterk achter blijft.

Een zeldzaam onuitgebalanceerd geheel dat aan de positie van Holland tijdens de Republiek herinnert toen Holland alleen (zonder Utrecht) al 58% van het geld binnen bracht. De commissie mag dan in de wandeling naar Wim Kok worden genoemd, maar overal worden we herinnerd aan de regenteske stijl van Laurens-Jan Brinkhorst.

Overal is duidelijk dat een gepolijste bestuurstijl alles is en dat de volksvertegenwoordiging mag toekijken. Overal wordt zo veel mogelijk van de Rijkstaken afgeschoven naar de nieuwe provincie, zonder dat een degelijk Provinciaal Parlement wordt opgezet. Uitverkoop van verantwoordelijkheid van de Rijksoverheid is het wachtwoord. We hebben bij vele decentralisaties al gezien dat de gemeentes en provincies te weinig geld krijgen van het Rijk voor nieuwe taken en dat zelfs de provincies veel te zwak zijn om het openbare belang tegen machtige belangengroepen te verdedigen.

Op twee plaatsen (pagina’s 26 en 33 - men moet zo vriendelijk zijn de plaats in de eigenlijke verhandeling en in de conclusies die volkomen gelijk zijn aan wat in de verhandeling al wordt betoogd als twee te tellen) wordt lippendienst bewezen aan de democratie, bij de uitgangscriteria en de conclusies. Dat zijn telkens dezelfde vier punten. 1. Aansluiting tussen de schaal van de Randstadstrategie en de schaal van de besturen, 2. Bestuurlijke eenvoud, zodat de mogelijkheid ontstaat voor bestuurlijk ownership, 3. Doelmatigheid en slagvaardigheid, en 4. Democratische legitimatie.

Een echt ondernemersverhaal dat het goed doet aan de borreltafel. Punt één (waar we b.v. kunnen vragen wiens strategie? ) wordt even later uitgewerkt met „De Commissie is geen voorstander van omzetting van het bestaande takenpakket van de provincies in een takenpakket met ook rijksbevoegdheden”. Daar bestaat een levensgrote tegenstelling die vermoedelijk met dat onheilspellende ownership moet worden opgelost: delegeer allerlei evidente Rijkstaken aan de Provincies en noem ze provinciale bezigheden! De spoorlijn Leiden-Utrecht b.v. Vergeten zijn alle Rijksbeloften van versterking van de Oost-Westverbinding, neen, er moet provinciale concurrentie komen met een ongelukkige Rijn-Gouwelijn die het railvervoer Leiden-Alphen-Utrecht degradeert in plaats van opkrikt. Want alleen een paar Leidse raadsleden zijn zo weinig snugger om te geloven dat de spoorwegen hun lijn naast een sneltram zouden handhaven. Doelmatigheid en slagvaardigheid: ruim baan voor de industrie! Wij zien het Rondje Siemens al voor ons. Want waarom moet die ongelukkige Rijn-Gouwelijn gigantische transferia krijgen waar ze Leiden binnenkomt aan de A4, en even ten westen van Gouda aan de A12 en A20? Dat Rondje Siemens, pardon, Rondje Randstad, moet immers voortijlen op portalen bovenover de A4 en A12/A20! En als we dan deze lijn met z’n gigantische urbaniserende werking op het Groene Hart van Holland (en die ook nog eventjes Almere moet aandoen) in één provincie stoppen, dan ontduiken we lekker alle rijkscontrole en laten we de controle over aan de provincie die deze controle al helemaal niet kan uitoefenen (niet democratisch en niet op ownershipniveau - zie het in stukjes hakken van de Rijn-Gouwelijn om de milieu-effectrapportage te ontduiken en het onstellende zwijgen over de kosten van de exploitatie).

Om ook eens wat Engels te gebruiken: de balance of power is volkomen zoek.

De afstand burger tot bestuur wordt psychisch èn lichamelijk vergroot. We noemen het aantal inwoners, laten we nog een voorbeeld van de afstanden en de rangorden geven. Wat moet een Rotterdammer, iemand uit Den Haag, een Leidenaar of een inwoner van Zoetermeer wel denken wanneer Almere nu eens de hoofdstad van de nieuwe provincie wordt? Op het ogenblik is de volgorde naar inwoneraantal in Zuid-Holland: 1. Rotterdam, 2. Den Haag, 3. Dordrecht en dan 4 en 5 Leiden en Zoetermeer (ongeveer gelijk). In de Randstad van het rapport Kok wordt dat: 1. Amsterdam, 2. Rotterdam, 3. Den Haag, 4. Utrecht, 5. Almere, 6. Haarlem, 7. Zaanstad, 8. Amersfoort, 9. Dordrecht en dan weer 10 en 11 Leiden en Zoetermeer. (Voor de meeste cijfers uitgaande van 2003, voor Leiden en Zoetermeer van het begin van 2007, maar het kan zijn dat Zaanstad inmiddels Haarlem heeft ingehaald en Zoetermeer, dat iets minder had, Leiden). In het Randstadvoorstel van de Sociaal-Liberale Partij (zie „een fantastisch plan voor Centraal-Holland”) komt een Provinciaal Parlement of Statenvergadering van 100 gekozen leden, de overwegend landelijke gebieden van Noord- en Zuid-Holland blijven aparte provincies, zodat de stedenvolgorde wordt: 1. Amsterdam, 2. Rotterdam, 3. Den Haag, 4. Utrecht, 5. Amersfoort, 6-7. Leiden en Zoetermeer.

Ook aan het milieu wordt lippendienst bewezen. Maar verbrokkeling van het Groene Hart wordt zonder meer aanvaard met de mededeling dat het Groene Hart al deelgebieden heeft, en of de recreatieve ontsluiting voor de stadsmens de open gebieden respecteert of tot verkokering leidt komt niet aan de orde. Sterker, door de uiterst vage definitie van wat het Groene Hart nu eigenlijk is en wat zijn grenzen zijn, blijven de opmerkingen van de Commissie een slag in de lucht: wanneer het haar zo uitkomt dan is het Groene Hart ofwel ongeveer wat wij eronder verstaan ofwel een concentrisch stelsel met het kustgebied, de duinen en het IJmeer erbij.

Terwijl het uitgangspunt van de trias politica voor zorgvuldig bestuur het Rijk en een goede balance of power in alle bestuursorganen in de 19de eeuw toen geheel Nederland nog maar drie millioen inwoners telde buiten discussie was, zou hier voor een nieuwe provincie van 40% van 16 millioen = 6,4 millioen inwoners dit gezonde beginsel overal geweld worden aangedaan. Transparantie en duidelijke verantwoordelijkheid, een menselijke afstand van bestuur tot de burgers - meer dan zes millioen! - alles moet wijken voor een typisch achterkamertjes-no-nonsense bestuur. Dat het zijn schaduwen al vooruit werpt hebben we gesignaleerd bij de onbezonnen devolutie van de Kamer aan de Provincie Zuid-Holland van de inrichting van het Groene Hart van Holland. (Onder ander de mening van het Provinciebestuur dat er geen beroep mogelijk is tegen belangrijke wijzigingen van de bestemmingsplannen voor de Zuidplaspolder die een Hollands New Orleans-in-the-polder mogelijk moeten maken).

De conclusie luidt dat èn voor de democratie èn voor de bestuurbaarheid èn voor de taken èn voor de omvang ons eerder uiteengezette voorstel voor een provincie Centraal-Holland nog niet zo gek is, althans een veel beter uitgangspunt dan dit bovenbazenrapport.

November 2006

Ter gelegenheid van de herdenking van Cleveringa’s rede op 26 November 1940 tegen het ontslag van Meijers door de Duitse bezetters heeft Theo Toonen, decaan van de faculteit der sociale wetenschappen te Leiden, een verhandeling gehouden over de gewenste bestuurlijke indeling van Holland.

Zie Kuyper’s Weblog



Een Fantastisch Plan voor Centraal-Holland

Juist bij de komende Statenverkiezingen speelt de vraag die in belangrijkheid alle andere vragen overtreft: hoe delen wij het Westen planologisch en bestuurlijk opnieuw in.

Afschrikwekkende voorbeelden van de aanslagen die de Provincie Zuid-Holland op cultuur en milieu wil plegen zijn de plannen voor de Rijn-Gouwelijn met zijn sterk urbaniserende werking juist in het Groene Hart van Holland, en om in de allerdiepste polder van Holland, midden in het Groene Hart, een gigantische Vinexwijk te bouwen die door gevaarlijke, geisoleerde ligging niets anders kan worden dan een allochthonen-ghetto, een echt New Orleans-in-the-Polder.

Gezien de expertise die de Sociaal-Liberale Partij op het ogenblik in huis heeft voelen wij ons meer thuis op planologisch en cultureel gebied dan op dat van bestuurlijke herzieningen, maar toch willen wij, al was het maar om aan de kiezers duidelijk te maken dat deze verkiezingen belangrijker zijn dan ooit, de noodzaak van bestuurlijke herziening proberen aan te tonen en de discussie niet uit de weg gaan. Wij nodigen iedereen uit aan de bestuurlijke discussie binnen de Sociaal-Liberale Partij deel te nemen - liefst als actief lid op tijd voor de verkiezingen van Provinciale Staten.

Centraal-Holland. Naam en als zwaargewicht tussen twee middelzware broeders

Beginnend met culturele aspecten stellen wij een naam voor die recht doet aan de locatie van de nieuwe provincie, centraal in Nederland en midden tussen Noord- en Zuid-Holland, en die niet zo afgrijselijk klinkt als het wel eens gehoorde Randstad. Tja, de klank van dat woord... Tja, de vorm van een rand... is dat rond? De bedenkers van „een rondje Randstad” menen van niet, anders zou hun naam een pleonasme zijn en zo bont willen ze het wel niet maken. En wanneer we het laatste tracévoorstel voor een aldus genoemde zweeftreinverbinding zien dan is dat tracé allesbehalve rond maar heeft het een grote forensische uitstulping naar Almere.

In de beperking moeten wij meesters zijn: toevoeging van Almere aan Centraal-Holland versterkt de onvermijdelijke disproporties met de andere provincies alleen maar, het wordt bestuurlijk ingewikkelder en geografisch wijdlopig, terwijl het niet in te zien is waarom Flevoland met zijn huidige grenzen geen volwaardige provincie zou zijn.

Cultureel dus met een naam, Centraal-Holland, die niet alleen recht doet aan de ligging tussen Noord- en Zuid-Holland, maar die niet die doffe klank en ongunstige associaties van „Randstad” heeft. Om een paar te noemen: randaarding, rand-debiel, randvoorwaarde, randinzinking, randvaren, randjoe, randhoek, ranzig, randharige randgroepjongere, enz. Of met een nieuw woord voor gebrek aan groen: randschappelijk. En, om je internationaal te presenteren: de associaties van „rand” voeren op zijn best tot de Zuid-Afrikaanse munteenheid.

Cultuur, waaronder wij milieu en monumenten begrijpen, dient voorrang te krijgen bij alles waarmee de nieuwe provincie zich bemoeit. Indien we het Groene Hart volbouwen, niet alleen met woningen maar ook met industrie, kantoorgebouwen, extra wegen en wolkenkrabber-achtige transferia gooien we ons nationale geheugen en daarmee onze identiteit weg. Bij een gematigd nationalisme dat juist voldoende is om zonder angsten en xenophobiën aan een Verenigd Europa mee te doen past de zorg voor het patrimonium. Vandaar een pleidooi om de nieuwe provincie een aparte Gedeputeerde voor Monumentenzorg te geven met een aparte stevige dienst, die moeten voorkomen dat de Hollandse steden verpauperen tot een soort Madurodam-achtige braderiën in het „badkuipeffect” van randen hoge kantoorbouw en het inpakeffect van grote lappen met reclames.
Deze monumentenfunctie moet effectieve inspectie uitvoeren, corrigerend optreden waar gemeentelijke binnenstadsautoriteiten nog niet stevig genoeg zijn en zelf uitvoeren wat de gemeenten te boven gaat. Voor opleiding moet een Hogeschool op academisch niveau te Leiden worden gesticht.

Eveneens moet er een vergelijkbare dienst met eigen Gedeputeerde voor de zorg voor het historische landschap komen.

Dergelijke diensten moeten van de grond af opgebouwd worden. Hierbij past ook een zekere spreiding van de provinciale diensten over de provincie. Laten we voorlopig uitgaan van de grenzen die wij eerder hebben voorgesteld. Noord-Holland houdt zijn hoofdstad Haarlem en het landelijke gebied met Halfweg, Amsterdam en het Gooi worden met Utrecht bij Centraal-Holland gevoegd. In grote lijnen spoort dit voorstel met wat de planoloog Olaf Busch heeft voorgesteld (NRC-Handelsblad, 24-8-2006), alleen splitsen wij zoveel mogelijk af wat zichzelf kan besturen omdat wij wel de speciale problemen van Centraal-Holland onderkennen, maar willen voorkomen dat de nieuwe provincie meteen een staat-in-een-staat wordt. Wij delen zijn angst voor de urbaniserende tendenties die van Haarlem-Purmerend en Almere op de landelijke gebieden zullen worden uitgeoefend, maar de nieuwe provincie moet niet onwerkbaar groot worden door oneigenlijke taken: daar moet opnieuw de Tweede Kamer zijn verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke ordening van geheel Nederland opvatten en die niet aan provincies met vreemde inzichten overlaten.
Soortgelijke overwegingen gelden om als nieuwe Provincie Zuid-Holland de meerendeels landelijke gebieden in het zuiden met Dordrecht als hoofdstad in te richten.

Bij 2), de Vertegenwoordiging door 100 Statenleden.

De 100 Statenleden vergaderen in principe Leiden, de stad waar Floris V is geboren, die zoveel voor de vorming van Holland heeft betekend. Zij vergaderen op zijn minst 12 keer per jaar in normale vergadering. De locatie is van belang voor het historische bewustzijn dat weer zijn invloed heeft op cultuur en samenhorigheid.
Zes keer per jaar komen de Staten in normale vergadering bijeen op een plaats van uitzonderlijke cultuur-historische betekenis: in de Marekerk te Leiden gezien Leiden’s belang in de zeventiende-eeuwse provincie, in het Stadhuis (aan de Dam) te Amsterdam, de Dom te Utrecht, uiteraard de Statenzaal in ’s-Gravenhage (thans vergaderzaal van de Eerste Kamer, maar gebouwd voor de Staten van Holland), het Prinsenhof te Delft en ook een keer in Rotterdam.

Bij 3). Provinciale diensten gespreid over de middenlinie van Utrecht tot Leiden. Hiervoor is snel en frequent vervoer over de Middenlinie door de Nederlandse Spoorwegen nodig. Geen hortende en stotende Rijn-Gouwelijn, maar een wel-geoliede, snelle en comfortabele vrijliggende verbinding langs de kortste lijn. De middenlinie moet de bestuurlijke ruggegraat van Centraal-Holland worden zonder dat ervoor extra woningbouw wordt gepleegd of de industrieterreinen aangelegd (bijvoorbeeld tussen Leiden en Alphen, of woningbouw aan de Luttike Rijn tegenover de Gnephoek) - alle ruimte moet komen uit herinrichting van bestaande terreinen - uiteraard zonder hoogbouw, alleen ten zuiden van het station Alphen is nog ruimte voor kantoren.
Voor het vervoer dient de gehele lijn te worden verdubbeld en verhoogd in de kernen. Door de vele knelpunten is de reisduur van Leiden (Centraal) naar Utrecht, die in 1970 nog 40 minuten bedroeg via 42 in 1986 en 44 in 2006 thans opgelopen tot 47 minuten! Omgekeerd deed men er in 1970 ook 40 minuten over, dat was in 2006 opgelopen tot 45 en nu, door het vervallen van twee tussenstations, tot 41 minuten. Heen en weer in 1970 tachtig minuten, thans acht-en-tachtig! Een vermeerdering van 10%. Er dient gestreefd te worden naar een reisduur Utrecht-Leiden Centraal van 30 minuten met een halfuurdienst, vermeerderd met een „sprinter” voor tussenliggende haltes voor het traject Leiden-Alphen. In de toekomst met een (half ondergronds) station voor verbinding met nationale treinen op de hogesnelheidslijn.
Dus geen Rijn-Gouwelijn die veel extra tijd kost en die (door 15.000 woningen erbij in het Groene Hart om hem rendabel te maken) sterk urbaniserende, milieu- en horizonvervuilende effecten zou hebben. Een tram past niet bij een moderne provincie!
Voor alle zekerheid voor het Groene Hart wel extra, nationale bescherming, b.v. aparte status als park met bescherming van open weidegebieden, waterlopen, boerderijstroken, enz.

Bij 4), geen diep-gelegen polderstad (ons New-Orleans-in-the-Polder) op het diepste punt van Holland. Niet meer hoge woningbouw of kantoorbouw in het groene gebied of te dicht bij historische dorps- en stadskernen. Minimale woningbouw in het Groene Hart, geheel door renovatie, geen uitbreiding van het bebouwde areaal.

Bij 5). Geen tunnel bij Delft maar de twee extra sporen door Delfland langs nieuwe tuinstad; de aanvoerlijn naar de Hoge Snelheidslijn van Haarlem via Leiden, Den Haag-Hollands Spoor, Delft, Rotterdam, Dordrecht, Breda. Een nieuwe tuinstad ten zuid-westen van Delft past geheel in het onder 4) opgemerkte. Door de aanleg van een park ter plaatse is het open weidegebied al totaal verloren en tot kleine hokjes gefragmenteerd waarin een tuinstad nauwelijks opvalt.
Een aanvoerlijn naar de HSL alleen van af Den Haag is natuurlijk aardig voor Den Haag, maar een snelle verbinding met Belgie (en verder naar Frankrijk en Engeland) is evengoed van belang voor Leiden en Haarlem. (Op het ogenblik kost het reizen per trein via de Kanaaltunnel van Leiden naar Londen ongeveer drie keer zoveel tijd als per vliegtuig, inbegrepen de inchecktijden).

De Provincie moet een financieel charter krijgen gericht op qualiteitsverbetering, vernieuwing van onderwijs en technologie, niet op vergroting, meer van alles, uitbreiding, groei en dergelijke factoren die op het ogenblik de Rijksbijdragen aan provincies en gemeenten bepalen.

Een voorbeeld dat tevens aantoont hoezeer wij bij de vorming van de nieuwe bestuurlijke indeling betere wetgeving nodig hebben, in het bijzonder meer transparantie en betere beroepsmogelijkheden bij planologische zaken, geeft de aankondiging in de Staatscourant van de ter visie legging, medio 2006, van de „tweede partiële herziening streekplan Zuid-Holland-Oost 2003, Zuidplas” - in andere woorden het kader voor een gigantische Vinexwijk in de Zuidplas. Ter visie legging op de secretariën van Gouda, Waddinxveen, enz (alle gemeenten binnen de plangrens), maar niet in de gemeenten wie het door de geplande wegen en tramwegen (de Rijn-Gouwelijn) eveneens aangaat. Leiden bijvoorbeeld: moet die Rijn-Gouwelijn nog sterker op Gouda worden gericht? Alphen bijvoorbeeld: krijgt die Rijn-Gouwelijn nog geen bochtje naar Zoetermeer-Den Haag? Rotterdam bijvoorbeeld: moet de metro naar Zevenkamp en Nesselande (met weer gelijkvloerse kruisingen?) via het langst-denkbare traject worden doorgetrokken naar New-Orleans-in-the-Polder en dan nog naar Gouda? Dit plan betreft in feite een grote stadswijk verzonken midden in het Groene Hart van Holland. Cynisch laten Gedeputeerde Staten de op de kaart getekende grens van het Groene Hart staan en schrijven zij „aangezien deze herziening geen (wijzigingen van) concrete beleidsbeslissingen bevat, kan er geen beroep tegen worden aangetekend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State”.

Tja, waarom dan die ter visie legging van zes weken? Hadden we het dan niet geheel in de achterkamertjes van de technocratie kunnen doen? Jammer genoeg heeft bij ons weten niemand beroep aangetekend, zodat wij niet weten of de Provincie bij voorbaat op de stoel van de Raad van State is gaan zitten en hem maar eventjes voorschrijft wat de interpretatie van „(wijzigingen van) concrete beleidsbeslissingen” dient te zijn.

Is een democratische en culturele inrichting van het Westen dringend, in andere provincies spelen overeenkomstige problemen, zoals de vraag of het Noorden één provincie moet worden en of het samenwerkingsverband in de „Parkstad Limburg” (Heerlen en omgeving) enige democratische controle moet krijgen.

Iedereen zal zo langzamerhand op de hoogte zijn van het wijdverspreide misbruik van de z.g. artikel 19-procedure door de Provincies waarmee de gemeentelijke democratie wordt ondermijnd.

Indien er dan inderdaad zo een vraag naar huizen is waaraan niet door die kleine tuinstad ten zuid-westen van Delft en renoveringsprojecten voorzien zou kunnen worden, ligt het voor de hand het met bescheiden uitbreidingen langs de bestaande spoorweg en rijksweg tussen Rotterdam en Gouda te localiseren. Zonodig kunnen die dan worden verdubbeld, b.v. een spoorlijn voor het doorgaande verkeer en een met meer haltes en bij de twee grote wegen eveneens een met meer aansluitingen. Indien de bebouwingen op flauwe hellingen worden aangelegd van dijken haaks op de hoofdwaterkering met groen en waterbergingen midden tussen die dijken, wordt het gevaar bij overstromingen sterk gereduceerd.

(Dat betekent, à propos, dat de volgende werken sterk kunnen worden getemporiseerd: nieuwe duinaanleg langs de kust met alle ellende voor de badplaatsen en de toegang van het Noordzeekanaal van dien, en, wie had het gedacht: dan loopt het water in de trechter van de Noordzee nog hoger op, zodat er weer - leve Brinkman’s betoncongsi - nieuwe Deltawerken met gigantische sluizen voor de (Wester)-Schelde nodig zullen zijn. En dan die meters verhoogde Belgische zeeboulevard met alle vernieuwde hotels van de Nederlandse tot de Franse kust! Graag zullen de Nederlandse grondwerkers en aannemers de Belgische broeders helpen! Indien dan ook nog de Engelsen komen zeuren omdat het Noordzeewater hoger dan ze met hun stormvloedsluiting hadden gepland de Theems oploopt en compensatie willen, dan zal tegen die tijd de regering Balkenende de XVIIIde (of Balken zonder ende, of De Geer XXI, enz, enz) gaarne de beurs trekken.
Het hoeft geen betoog dat betere internationale klimaatbeheersing het grootste deel van deze ramp kan voorkomen, met het bijkomend voordeel dat we meer geld, tijd en aandacht aan onze eigen doordachte inrichting zouden kunnen besteden).


Hieronder volgt een aantal beschouwingen over het culturele milieu in enkele plaatsen die deel zouden uitmaken van de nieuwe provincie, te beginnen met die over Amsterdam.



25 December 2006 - Nog een ideele aanslag op het Stadhuis van Jacob van Campen

Nog een aanslag op het Stadhuis, ditmaal een „slechts” geestelijke, maar tekenend voor climaat dat door verzelfstandiging en commercialisering bij de musea heerst. Toen ik na maanden onthouding de beeldbuis weer eens aanzette, viel ik midden in een cultureel programma van de BBC waar Simon Schama een betoog hield over de Claudius Civilis van Rembrandt. Het was een genot weer the King’s English te horen - zo beschaafd, by the way, dat ik zo nu en dan moest denken aan de fameuse zin in My Fair Lady (de verfilming van Shaw’s Pygmalion ): her English is so good, she must be foreign! Er was zelfs één punt in zijn uitspraak waar hij (obsequiously, rather) de Koning zover tegemoet kwam dat er een ronduit ridicule verbastering van Claudius’ naam uitkwam. Wij komen er op terug. Eerst over de denigrerende persiflage op Van Campen’s gebouw waarvoor de museumdirectie van het Amsterdamse Stadhuis voor deze opname in situ toestemming had gegeven. De opname was ’s nachts bij kunstlicht gemaakt! Daardoor was er een hoogst artificieel, om niet te zeggen bedrieglijk inside out-effect ontstaan. In plaats van de Burgerzaal te tonen met heldere ramen waardoor het licht getempeerd door de twee binnenhoven zo prachtig naar binnen valt, stond Schama in z’n eentje te oreren in een vreemd-witte zaal met afgrijselijk zwarte gaten in plaats van ramen en helverlichte electrische luchters in een stijl die die van het Empire zal moeten verbeelden.
Juist nu je denkt, ha! niet in de ondergrondse silo achter het van Goghmuseum waar de Rembrandts en de Caravaggio’s van de zomer zo te lijden hadden van het vervreemdende bunkereffect, maar in de prachtige marmeren zaal en galerijen van het Stadhuis! Juist nu de National Gallery de schilderijen van Velázquez toont in een waardige, constructieve, setting - een gestructureerde architectonische omgeving waar de schilderijen van Caravaggio, Rembrandt en Velázquez op gemaakt zijn. (Ingrid Rowland, in haar bespreking van de tentoonstelling in de New York Review of Books van 21 December j.l. zegt nadrukkelijk „(in) conditions (which) include a monumental architectural setting for canvases carefully designed to be seen at a certain distance.
Bij daglicht was dan meteen duidelijk geweest wat voor een onthutsend onduidelijke plaats Burgemeesters voor Rembrandt’s schilderij hadden gekozen: het boogveld hoog boven de trapingangen van de noord-oostelijke galerij. Zelfs bij helder daglicht zou er niet veel van te zien zijn geweest, en bij de minimale zeventiende-eeuwse verlichting met lantarens en fakkels al heel weinig.
Maar ja, nu musea ingepakt worden in reclames en floodlight en heel Amsterdam op een grote braderie gaat lijken (de architectuur van de Bijenkorf wordt nu ook al ontsierd door spandoeken) meende het museum in het Stadhuis niet achter te mogen blijven in de om zich heen grijpende verkrachting van monumenten.
Apart hiervan was Schama’s praatje best interessant. Wel, men kent Claudius’ verhaal, en indien men het niet kent moet het in de landelijke en de plaatselijke canons worden opgenomen. Alleen moet Schama nog bijgebracht worden dat we hier in Nederland de klemtoon van Civilis op de tweede lettergreep leggen. Zoals we trouwens op het hele continent nog spreken van civil, civile, civiel, en zelfs in het Duits, ondanks de verandering van de spelling in het nationalistische tijdperk na de Frans-Duitse Oorlog, van civil in zivil, de klemtoon op de tweede lettergreep de lange i van het Latijnse woord nog in ere houdt. Of het nu plus royaliste que le roi was of een opzettelijke grol, fijngevoelig was het niet: het klonk alsof onze nationale canon begint met ene Claudius die een geslachtsziekte had: Claudius Syphilis klonk het telkens in Schama’s insulaire jargon.


27 April 2006
De Symbolische Waarde van het Stadhuis op den Dam voor het Huis van Oranje-Nassau.
noblesse oblige

Door de aanslag die wordt beraamd op één van zijn fraaiste onderdelen, de enig overgebleven Keizerlijke trap, wordt het Stadhuis op de Dam spectaculair en zeer pijnlijk geconfronteerd met zijn symbool-waarde voor het Koninklijk Huis.

« Van Keizerlijken stam » wordt dat Huis, met name Willem van Oranje, genoemd in het Wilhelmus, dat roerendste van alle volksliederen, dat zowel een apologie behelst van het optreden van Willem, die immers naar het buitenland is gevlucht, alsook een bemoediging voor het onderdrukte volk. Willem de Zwijger is, wel is waar, altijd de loyale onderdaan van de Koning is gebleven - zij het niet van diens dienaar Alva - maar als uiterste middel, echt het ultimum remedium, tegen het onrechtvaardige bewind, tegen de „tyran”, zijn „onderzaten” voorhoudt dat het geweten (of God, de hoogste Majesteit) kan verlangen dat men het voorrang geeft boven de aardse Majesteit.

Willem van Oranje gebruikte het Paleis te Breda als zijn hoofdvestiging, ja hoofdkwartier, voordat Alva het confiskeerde. Het Paleis was omstreeks 1535 gebouwd door Hendrik III van Nassau, die met dit grootse en eerste Renaissance paleis in de Nederlanden de status van de Nassaus hier bevestigde, erdoor van de Nederlandse Nassau’se definitief Nassause Nederlanders makend.

Ik heb in mijn verhaal van 1994 misschien wat te veel de nadruk gelegd op de antieke inspiratie van het Bredase Paleis. Hendrik III was natuurlijk, zoals het al in het eerste couplet van het Wilhelmus wordt benadrukt, „van Keizerlijken stam”, en in de Renaissance-tijd sleepte dat de verplichting mee zijn woning naar de woning van een Romeinse keizer te modelleren. Maar ook bij hem speelde de religieuse component mee: liefst vertoonde een waar Paleis de nodige verwijzingen naar het belangrijkste Bijbelse bouwwerk, de Tempel van Salomo. Sterk meespeelde, omdat de Bijbel niet alleen de Tempel maar ook de woning van Salomo en het Hooggerechtshof (het Sanhedrin) op de Tempelberg te Jeruzalem situeert. Zo is de Tempelberg nog steeds de heiligste of één van de heiligste plaatsen voor de drie Mozaische godsdiensten, het Jodendom, het Christendom en de Islam.

Maar zoals de antieke en de religieuse component bepalend waren voor Henrik III van Nassau toen hij de plattegrond van zijn Nederlandse Paleis bepaalde, evenzo waren ze een eeuw later bepalend voor de legitimering van de jonge, maar al machtige koopstad Amsterdam.

Omdat plaatjes snel veel inlichtingen kunnen geven hierbij de twee plattegronden, eerst het Paleis, dan het Stadhuis.



Reconstructie van het Paleis dat Hendrik III van Nassau als voorbeeldig Renaissancevorst van Keizerlijken stam te Breda stichtte. Zijn zoon René van Chalon, Prins van Oranje, voltooide de capel in een iets andere vorm maar in hoofdzaak gelijk: hier, op de eerste verdieping, het piano nobile, was een balustrade waarover men de dienst in de capel op de begane grond kon gadeslaan. Reconstructie van Hendrik III’s opzet, van de twee binnenhoven is alleen de linker, die met de hoofdingang, aan de oostzijde, pas onder Stadhouder-Koning Willem III afgebouwd. Van de trappen waren alleen de dubbele statietrap aan de buitenzijde van de Grote Zaal en de „Florentijnse” in de noordoost hoek gereed gekomen. Maar alle insiders, zoals Jacob van Campen, de architect van het Stadhuis, en Constantijn Huygens, de secretaris van de Prinsen, kenden de oorspronkelijke plattegrond, die nog als ontwerp in het bezit van Willem III was. Zo is de Keizerlijke trap in het Stadhuis afgeleid van de „Florentijnse trap” door verdubbeling van de onderste arm tot twee armen waartussen dan de bovenste arm verder gaat. Zeer zeldzaam in Nederland zijn de klimmende tonvormige gewelven als plafonds over de traparmen, zowel in Breda als in Amsterdam.



Eerste plattegrond van het Stadhuis op de Dam, 1648. Piano Nobile met Burgerzaal in het midden, Burgemeesterskamer linksvoor in het midden met hun voorzaal naast de Vierschaar (liturgisch rechts van de Vierschaar). Men ziet dat in navolging van Breda de galerijen op de einden van de Burgerzaal aanlopen. Van de lange gevels kan worden verteld dat er ramen boven elkaar zijn, waarvan de bovenste halfrond beeindigd, net zo als bij de Grote Zaal in Breda.
Getekend is de begane grond van de Vierschaar die over twee verdiepingen heenloopt, zodat Heren Burgemeesteren neerkeken op het Rechtspreken in de Vierschaar, zoals de Oranje-Nassaus en hun Hoge Gasten van uit de Groote Zaal neerkeken op het officieeren van de mis in de Capel. In de definitieve uitvoering zijn de wanden van de Vierschaar minder plastisch (de nissen zijn ondieper) en de twee bordestrappen met open vide aan de kant van de Nieuwe Zijde zijn vervangen door Keizerlijke trappen zoals aan de Damzijde. Deze bordestrappen herinnerden aan de allereerste Renaissancetrap van Breda, die in 1648 nog bestond, maar die in Hendrik III’s grootse plan misschien ook door een „Florentijnse trap” zou worden vervangen. Naar ik me herinner van een bezoek nu al weer tientallen jaren geleden tijdens de grote na-oorlogse restauratie, waren de trappen, heel bijzonder, overdekt met natuurstenen tongewelven - nog grootser dan in Breda waar ze tonvormig zijn gemetseld en gestuct. Op de gravures ziet men door het standpunt alleen de treden, wel is duidelijk dat ze ruimtelijk geintegreerd zijn in het Galerijen-Burgerzaal systeem en niet afgesloten zoals thans.
Exact boven de Vierschaar rijst de koepeltoren omhoog die wordt bekroond door het Kogschip als windvaan.

Toch steunt het Stadhuis voor zijn legitimatie symbolisch op het Duitse keizerrijk: de paviljoens op de vier hoeken, die gedekt worden door de Duitse keizerskroon, zijn als het ware de vier hoekstenen waarboven tenslotte de koepeltoren verrijst die bekroond wordt door het oude Amsterdamse wapen, het Kogschip, dat dateerde van voor de tijd dat de Duitse Keizer Amsterdam het voorrecht had verleend de Keizerskroon op zijn stadswapen te voeren. De Westertoren, klaargekomen voor de Vrede van Munster (1648) waarbij de Republiek niet alleen haar onafhankelijkheid van Spanje verkreeg maar ook uit het oude Rijksverband stapte, draagt nog de Keizerskroon. Wie om het Stadhuis heenloopt en de gevels bekijkt ziet dat in de onderste rij capitelen veel adelaars voorkomen, maar alleen aan de hoekpaviljoens de dubbelkoppige adelaar van het Heilige Roomse Rijk duitser Natie.

Wij zien dus in de hele symboliek twee concurrerende gedachten: aan de ene kant wordt de Paleis-Tempelidee in dienst van het Huis Oranje-Nassau als uitgangspunt genomen, de imitatie van het grote voorbeeld, aan de andere kant triomfeert de gedachte van de emulatie, men overtreft een bewonderd exempel. Wij kunnen de gedachten van de zeventiende-eeuwse Burgemeesters niet lezen, ze waren uiterst karig met het op papier zetten van hun deliberatiën, maar wij vinden het officieele standpunt, bewieroking van de vermaarde koopstad Amsterdam, die Rome en Athene voorbijstreeft (lees: vooral ook Antwerpen) en symbool van de Vrede die voorspoed zal brengen, uitvoerig bij Vondel die het in honderden regels heeft bezongen.
Ze wisten van de inbreng van Huygens: wat stroef en laat heeft hij een vermelding gekregen die, als het goed is, nog in het Stadhuis hangt. Niet alleen zichzelf vereerden zij, maar ook van Campen in het grote plaatwerk waarin de voornaamste plattegronden, doorsneden en gevels werden gegraveerd. Maar dat de Oranjes, in de eerste plaats natuurlijk Amalia van Solms, de weduwe van Frederik Hendrik, en het „Kind van Staat” Willem van Oranje, de toekomstige Willem III, wel degelijk notie ervan hadden hoe de plattegrond was afgeleid, bewijst wel de beschildering van de koepelzaal van het Huis ten Bosch, die Amalia van Solms geheel als een geschilderd Mausoleum voor Frederik Hendrik liet inrichten. In de eerste plaats is daar de Triomf, het leven en de apotheose (haast, in elk geval zijn ten hemelstijging), van Frederik Hendrik verbeeld, maar men vindt er ook allegoriën van de kunsten die onder Frederik Hendrik tot bloei zijn gekomen, in de eerste plaats dus Architectura, de moeder der kunsten.
Constantijn Huygens en Jacob van Campen leidden de uitwerking van het picturale schema in overleg met Amalia, en het kan nu wel zijn dat het tot zeer recent heeft moeten duren voordat het Stadhuis is herontdekt in deze Oranjezaal, maar het is ondenkbaar dat het op het plafond is geschilderd, in volle glorie en perfectie en voordat het in Amsterdam klaar was, zonder instemming van Amalia van Solms. Zij moet erin de voltooiing van Hendrik III’s gedachte hebben gezien. Het is bovendien recht onder de symbolische aanduiding van Architectuur geschilderd, boven de ingang en boven de schildering van de Investituur van Frederik Hendrik als Capitein-Generaal van de Unie, de enige functie van hem in alle Noordelijke Nederlanden, want in een paar Provincies had je natuurlijk nog de Friese tak van het Huis als Stadhouders. Deze plaats voor het Stadhuis is zeer belangrijk: niet alleen tussen Architectuur en Investituur, maar bovendien aan het begin van de cyclus: men gaat rond van de ingang langs Geboorte en Huwelijk tot Ten Hemelopneming, zodat men als hoogste Architectura vindt boven de ingang en de Godsnaam (het tetragram, in Hebreeuwse letters) boven de Apotheose. Zo was de cirkel van de Triomf rond, maar voor Amalia was er nog een andere cirkel rond: wat begonnen was met de Nassaus in Breda leidde triomfantelijk via de Amsterdamse vervolmaking tot de Apotheose hier. Wat als Tempel-Paleis in Breda was gesticht en door Van Campen voltooid in het Amsterdamse Tempel-Stadhuis wees hier in zijn perfecte architectuur naar de triomf van de Vredestichter uit het Huis van Oranje-Nassau. De Apotheose mocht voor de Staatsgezinden een eind van het Stadhouderschap betekenen, Amalia beidde haar tijd, sterk gesteund door Constantijn Huygens.
Verrassenderwijs kwam er steun voor Amalia van Amsterdamse zijde in 1659 toen Frederik Hendrik en Amalia’s dochter Henriette Catharina huwde met Johan George van Anhalt-Dessau: de hele partij werd uitgenodigd om te komen feestvieren op het Amsterdamse Stadhuis. Ook van de partij was Johan Maurits, die van het Mauritshuis, die na zijn Braziliaanse avontuur de scepter was gaan zwaaien in Cleef als Stadhouder van de Keurvorst van Brandenburg, dien de Stad graag te vriend wilde houden. Vondel was als altijd paraat om een gedicht te maken: « Een Hymen komt de kroon op ’t raethuis sluiten » en nog enige regels, waarvan enkele van de opmerkelijke iconografie van het Stadhuis („Steehuis”) getuigen: « (Henriette en Johan) ingehaelt, / Gewellekomt van Aemstels burgervaderen, / En ’t gansch stehuis, daer al de Goôn vergaderen, / En Godt-heên van ’t gezegende geslacht. » Hij refereert eraan dat - in tegenstelling met de „bijbelse” Vierschaar met Salomo, die zijn exemplarisch oordeel velt - de galerijen om de Burgerzaal alle versierd zijn met antieke Goden als voorbeelden voor de niet minder roemruchte Oranje-Nassaus, die „Godheden van het gezegende geslacht”.
Maria Stuart, Amalia’s schoondochter, zat inmiddels niet stil om de belangen van haar dynastie te behartigen en stelde vast het Paleis te Breda ter beschikking van haar broer Karel die zijn terugkeer naar Engeland voorbereidde. Toen die zaak eenmaal beklonken was ontvingen de Staten Karel op zijn doortocht naar Londen in het Mauritshuis, als Jacob van Campen’s schepping het fraaiste huis dat in Den Haag beschikbaar was. Het Mauritshuis had een Keizerlijke trap met tussenmuren tussen de armen zoals het Amsterdamse Stadhuis, die is na een brand omstreeks 1700 vervangen door een model met open armen, terwijl de Keizerlijke trap van Constantijn Huygens’ huis er vlak naast met de
sloop van dit elegante stadspalazzo door 19de-eeuwse Vandalen verloren is gegaan.
Van Van Campen’s keizerlijke trappen rest er nu nog maar één! Zelfs voor Lodewijk Napoleon, de eerste Koning van Holland, was een „inbouwpakket” van schotten genoeg - hij had oog voor de grote verdiensten van de trappen en zou nooit een barbaarse aanslag op ze beramen.
Tenslotte is het Stadhuis in de jaren 30 van de 20ste eeuw aan de Staat verkocht, zodat Rijksgebouwendienst zich heeft laten verleiden tot deze afgrijselijke inbreuk op de grote traditionele en kunstzinnige waarden van het gebouw.
Alle kunsthistorici die ik ken, niet alleen de Hollandse, maar ook de buitenlandse (waaronder Franse, die toch behoorlijk chauvinistisch zijn) roemen de ruimtelijke ontwikkeling van het interieur, waarvan de Burgerzaal met de Galerijen, de grote kamers en de trappen een fraai geintegreerd, onlosmakelijk geheel vormen.
De historische symbolische waarde van het gebouw als Stadhuis is welbekend, ze is voor buitenlanders nog eens onderstreept in het voortreffelijke werk van Katharine Fremantle, The Baroque Town Hall of Amsterdam. Minder of haast niet bekend (allicht dat Burgemeesters er wat mee verlegen zaten) is de grote symbolische waarde voor het Huis Oranje Nassau, dat het in de moderne tijd met een constitutioneel Koningschap moet hebben van vervulling van de vereiste ceremonieele handelingen, waarbij, omdat het een erfelijke Monarchie betreft, respect voor, ja imitatie en emulatie van de grote voorouders Hendrik III, Willem van Oranje en Frederik Hendrik past.
Vandaar dat hierboven de nadruk is gelegd op een stuk „vergeten” symbolische historie die Paleis van Breda en Stadhuis op den Dam verenigt. Wie een symbolische poot doorzaagt die aan deze gemeenschappelijke geschiedenis en cultuur herinnert, doet niet alleen de Stad tekort, maar zaagt ook zo te zeggen een poot door van de Stoel van de Monarchie. Vandaar dat wij besluiten met een beroep op Hare Majesteit deze ingreep niet toe te staan.

P.S. 1 Mei MMVI. Ik heb vorige week snel geschreven. Naar aanleiding van de opmerkingen van een paar lezers wil ik nog iets verduidelijken. Allereerst over Breda. In The Triumphant Entry of Renaissance Architecture into the Netherlands van 1994 heb ik de plattegrond van het Paleis weergegeven met de ingang (aan de Oostzijde) aan de onderkant, zoals gebruikelijk: men leest dan van beneden naar boven „zoals men het gebouw ervaart als men het binnenkomt”. Dat was de begane grond met de Hal-van-de-Colommen (de bediendenzaal) onder de Grote Zaal en de Capel zoals ze door René van Chalon was voltooid met privéloges, bereikbaar uit de Grote Zaal voor Hoge Gasten. Deze benedenzaal en de „Florentijnse trap” resteren nog in het gebouw dat aan het begin van de 19de eeuw ingrijpend is verbouwd voor de K.M.A. Ter vergelijking met Amsterdam wordt de tekening weergegeven met het Zuiden boven. De ingang is derhalve aan de linkerkant, men „komt binnen” in de richting waarin men leest.
Van Campen’s tekening is nu verduidelijkt door substitutie van de Noordvleugel door die van het uitgevoerde ontwerp, volgens de gravures van 1650, waarin het Stadhuis vier Keizerlijke trappen zou krijgen.
Ik ben wat snel door de bocht gegaan over Constantijn Huygens’ gedicht. Het is niet kruiperiger dan de gewone zeventiende-eeuwse gelegenheidsvlijerij. Het was geschreven ter gelegenheid van de inwijding van het Stadhuis in 1655. Huygens was een tacticus, een diplomatieke ambtenaar en een Calvinistische dichter - wat zijn aandeel was aan de hele affaire blijft schimmig, maar hij zal nog bij leven van Frederik Hendrik Burgemeesters hebben verzekerd dat de beroemde architect van de Stadhouder en graaf Johan Maurits wel voor ze zou willen werken. Het Stadhuis was nog lang niet klaar, met name de Koepeltoren kwam pas in 1665 gereed - in zijn proefschrift Het Stadhuis van Amsterdam (2004) geeft Pieter Vlaardingerbroek de zeer waardevolle inlichting dat door het Stadhuis te inaugureren in de zevende maand van het zevende jaar na de aanvang van de bouw Burgemeesters de duur van de bouw van de Tempel van Salomo imiteerden - wij vinden de bouw van het Huis en de Tempel van Salomo op verschillende plaatsen in de Bijbel alsmede de inwijding met een geweldige holocaust van 22.000 runderen en 120.000 schapen. Huygens’s heilwens aan Burgemeesteren werd op hun last door Elias Noski op een toetssteen gegraveerd met vergulde letteren. Dancker Danckerts nam het vers op in het voorwoord van de uitgave (eind 1660) van Vennekool’s prenten van het Stadhuis. Men vindt er de beroemde zin „van soo veel steens omhoogh op sooveel houts vanonder” waarmee Huygens de vele houten heipalen en het natuursteenwerk erop bedoelde. Hij noemt het ’t Achtste Wereldwonder en eindigt elegant en godvruchtig met de wens dat wanneer het einde van deze wereld aanbreekt God de nazaten van de Regeerders (in de Hemel) een huis zal laten bouwen als een negende wereldwonder ,,dat bij dit Nieuwe staa als ’t Oude stont bij dit.” Zien we naar het stadhuis van de Dam-Holzbauer-Bijvoet, dan leven we evidentelijk nog niet in het Hemelse Paradijs.

Maar over aemulatio en imitatio gesproken: voor het Paleis te Breda werd een fabelachtig rijke en fraaie serie wandtapijten uitgevoerd, de Nassause Genealogie genoemd, omdat ze de Nassause voorvaderen ten voeten uit en te paard gestegen voorstellen. De Amsterdamse regenten gingen nog een stapje terug (en omhoog): in de galerijen staan de marmeren beelden van acht Antieke goden en godinnen, van Jupiter en Saturnus tot Venus en Diana - tegenwoordig zou je van one-upmanship spreken.




Leiden - een plomp flatgebouw als in een Haagse slaapwijk aan het Leidse Rapenburg?

Je zou het niet voor mogelijk houden, maar B & W van Leiden hebben toestemming gegeven (alweer met artikel 19 en gefiatteerd door Ged. Staten van Zuid-Holland voor wie monumentenzorg worst zal wezen) om op de hoek van het Rapenburg (nr. 124) en de Nieuwsteeg een groot appartementengebouw neer te zetten met een plat en grof afgedekt penthuis erop, een geheel dat je in een Haagse buitenwijk zou verwachten maar niet een monumentale binnenstad, zeker niet in „zone A” van het Beschermde Stadsgezicht! Met parkeren in de tuin van dit keurblok van de Pieterswijk! (Zie ook bij Sociaal-Liberaal Leiden onder Beschermd Stadsgezicht). Protesteert, alle belanghebbenden, terwijl het nog ter inzage ligt! Protesteert!

Uit ons Manifest:
« De Sociaal-Liberale Partij meent dat het gebouwde milieu - ook als onderdeel van onze nationale identiteit! - voor iedereen van het grootste belang is, en dat bescherming landelijk geregeld moet worden. De reden dat de eerste monumentenwet, van 1961, bescherming centraliseerde was dat ook de bestwillende gemeenten, die al voor de Tweede Wereldoorlog monumentenverordeningen hadden, niet tegen de projectontwikkelaars konden opboxen. De monumentenwet van 1988 is in dat (en de meeste andere) opzichten een rampzalige achteruitgang. Beschermde stadsgezichten zijn een wassen neus en de Rijksdienst (die weldra geheel opgeheven zal worden) is verworden tot een papieren tijger. De Sociaal-Liberale Partij stelt voor elk gebouw, elke stedelijke structuur, elk landschap en elke waterloop ouder dan 200 jaar op een Rijkslijst te plaatsen ».

Veel van wat onder een provincie Midden-Holland moet vallen is nu nog landelijke of plaatselijke politiek, of zou onderwerp van nationaal debat horen te zijn.


Een rondje Midden-Holland langs het oude spoor of een rondje „extended Randstad”?

In het blad De Ingenieur van 23 December 2005 vindt men wat over de voorgestelde magneettrein en zijn tracé waardoor men niet alleen sterk begint te twijfelen over de ecologische inpasbaarheid en het ruimtebeslag bij de transferia, maar ook over het prijskaartje: kan men zulk vervoer nog openbaar noemen?

Over de inpasbaarheid in de natuur: kijk eens naar het laatste, net verlengde stukje Rotterdamse metro richting Alexander-Zevenkamp dat op pijlers in het landschap staat.

En dat heeft nog een zekere lijn en overzichtelijkheid, hoe het zal gaan met de reusachtige transferia met „autokoppeling” en „OV-koppeling” (een aansluiting aan de spoorlijnen), kan men zich alleen maar met angst en beven voorstellen.

Maar de noodzakelijke toevoer van reizigers die hoofdzakelijk uit de binnenkant van de ring moet komen betekent een aanslag van ongekende orde op het Groene Hart.

Wij komen hierop terug bij de twee transferia die voorgesteld zijn voor Leiden, Waddinxveen en Gouda.

De Ingenieur geeft een samenvatting onder de kop „rondje in detail” waarin we de regel vinden „Het Consortium heeft het tracé voor de magneet-zweeftrein al gedetailleerd uitgedacht”. Dat is wat ondoordacht voor De Ingenieur, alleen al omdat dezelfde zin verder gaat met „Schiphol krijgt een station bij de aankomst- en vertrekhal of (onze cursivering) bij de nieuw geplande terminal ten noordwesten van de huidige verkeerstunnel”.

Niet alleen hier, maar ook in Rotterdam en Amsterdam-Zuid zijn tunnels gepland waarbij een vraagteken moet worden gezet bij de beloofde snelheid van 400 km/uur: we zien bij de TGV dat de topsnelheid niet gehaald mag worden in de tunnel onder het Groene Hart van Holland omdat de doorsnee van de tunnel zuiniger moest worden uitgevoerd. Ook is het hoogst onduidelijk of dit station op Schiphol gecombineerd wordt met het spoorwegstation en het metrostation wanneer de Noord-Zuidlijn door Amsterdam naar Schiphol wordt doorgetrokken.

Het hele tracee heeft een „totale lengte van 200 tot 230 km, heeft veertien halten, waardoor opstappen in bijvoorbeeld Leiden of Delft ook mogelijk is”. Tja, wat verstaat het Consortium eigenlijk onder in Leiden en in Delft? En zijn het, bij nadere bestudering wel 14 haltes?

De voorgestelde haltes zijn Leiden, Schiphol, Amsterdam-Zuid, Amsterdam-Diemen of „IJburg”, en dan twee stations in of bij Almere, een halte waarvan de plaats „ergens” bij Nijkerk is (althans op het bijgevoegde kaartje, de text spreekt van een transferium dat verkeer „afvangt” van de A1 en de A28, dat is dus bij het knooppunt enige kilometers ten noordoosten van het centrum van Amersfoort), dan gaat het traject zoveel mogelijk via de middenberm van de A28 naar een achtste halte bij Utrecht-Lunetten, een negende bij Utrecht-De Meern, weer over de autoweg (de A 12) naar een station Waddinxveen waarna de A20 wordt gevolgd naar Rotterdam-Alexander. Dan wordt de zweeftrein weer een zweefmetro, nu onder de Rotte, naar het 12de station, Rotterdam-Centraal. Daar moet „een enkel rangeerspoortje opgeofferd worden, maar dat is te overzien”. Het Consortium heeft kennelijk meer details vastgelegd dan het aan De Ingenieur kwijt wil. Ook hoe de zweefmetro-trein dan weer over de A13 bij Delft komt wordt niet uitgelegd, evenmin waar het station bij Delft komt. Als het aan het kaartje ligt bovenop de afslag Delft-Zuid. De veertiende halte moet ergens bovenop het Prins Clausplein komen en och ja, bij dit reusachtige, spaghetti-achtige knooppunt passen ook nog wel een zweeftreinbaan met halte, transferium en verbindende autoafslagen van A4, A12 en het staartje van A13.
Schiphol, Amsterdam-Zuid en Rotterdam-Centraal zijn „hoofdlocaties” , daar zijn geen transferia met de Rijkswegen, op alle andere stations wel. Een frequentie van elke 6 minuten een trein wordt opgegeven, maar niet waar opstelsporen zijn en „eindhaltes” om wijzigingen in de frequentie of de lengte van de treinen te kunnen uitvoeren. Gezien de lus langs Almere en Nijkerk (in Gelderland!) lijkt de naam een rondje extended Randstad juister dan een rondje Randstad.
Behalve de fictieve aantallen automobilisten die hun auto in de transferia zullen laten staan is er nog zo een huiveringwekkende overeenkomst met de planning van de Rijn-Gouwelijn: het hot en her artificieel ontwikkelen van woonlocaties, meestal met dramatische gevolgen voor het milieu, om maar te proberen de zweeftrein rendabel te maken.
Volgens het kaartje worden de haltes (behalve de „hoofdlocaties”) verdeeld in transferia met auto-OV koppeling bij stedelijke locaties en transferia met auto-OV koppeling bij „ontwikkellocaties”. „Bij stedelijke locaties” heten Rotterdam-Alexander, Prins Claus, Amsterdam-Diemen of -IJburg, Almere en Utrecht-Lunetten, zeker omdat de vinex-wijkjes en andere uitbreidingen daar zo goed als voltooid zijn. „Bij ontwikkellocaties” heten de transferia op de punt van Zuid-Flevoland en ergens bij Nijkerk. Wat een vinex-wijkje aan het Eemmeer bij Nijkerk moet worden kan men zich voorstellen. Daar is op het kaartje een overstaplocatie op weg- en treinverkeer getekend. Die trein moet er dan ook nog komen. Om op het in de text gegeven getal van 14 stations uit te komen is de genoemde halte bij Amersfoort maar weggelaten. Ook op de punt van Zuid-Flevoland is nog geen gewoon spoor. Een „ontwikkellocatie” bij Utrecht-De Meern is in volle ontwikkeling. Een „ontwikkellocatie” bij de zuidpunt van Delft betekent in de ogen van de ontwerpers van het tracé waarschijnlijk toch niet een transferium boven de bestaande afslag bij Delft-Zuid, maar wat zuidelijker, met alle nieuwe rijkswegafslagen die nodig zijn om het transferium te bereiken en bebouwing van het open weidelandschap ten zuiden van de TH-wijk.
Een „ontwikkellocatie” net ten zuiden van Waddinxveen is een aanslag op het zeer bijzondere natuurterrein „het Weegje” en een woonwijk ingeklemd tussen rijkswegen en spoorbanen. Een transferium is gedacht boven de A20, maar dat betekent dat er geen zweeftreinhalte bij Gouda komt en de Gouwenaars dus of eerst naar het station moeten zien te komen en dan zullen moeten overstappen op de halte Waddinxveen om... Ja dat is nu een moeilijkheid. Het knooppunt van de autoweg waarboven de zweeftrein loopt en de treinen (of trams) naar Waddinxveen en Den Haag ligt net ten westen van de afslag van de spoorlijn Gouda-Rotterdam. Het is dus erg de vraag of je er in reisduur nu veel mee opschiet als je de ouderwetse trein van Gouda-Centraal naar Rotterdam neemt of eerst de ouderwetse trein (of de tram) naar Waddinxveen en dan bij de A20 overstapt in de zweeftrein naar Rotterdam. (We hebben het nu niet eens over het geestelijk „comfort” om enkele kilometers van het traject onder de Rotte te zweven). De reis van Gouda naar Den Haag wordt onderbroken door een extra station.
Over de reisduur spreekt een ontwikkelaar in De Ingenieur optimistisch „ook rijdt de magneetzweeftrein vaak genoeg, zodat het missen van een trein geen belemmering vormt”. Tja, maar als je nu in Gouda de trein mist en veel langer moet wachten om je overstaptransferium te bereiken? En terug? Of wanneer je met de auto uit Gouda naar het transferium komt ’s ochtends door de spits heen,’s avonds door de spits terug? Soortgelijke overwegingen voor Utrecht-Lunetten (hoe ik ook op de kaart tuur, wat voor treinverbinding een transferium op de autoweg bij Utrecht-De Meern kan hebben blijft geheimzinnig), soortgelijke overwegingen voor het transferium bij het Prins Clausplein en voor die bij Almere en Leiden.
Ook bij Leiden staat zo een ontwikkelingslocatie getekend. Misschien dat de Gedeputeerde, thans Wethouder Marnix Norder met zitting in talloze quango’s die zich met de ruimtelijke ontwikkeling van West-Holland bemoeien, ook voor aanleg van het rondje zweeftrein is en de ontwikkelingslocatie tussen Leiden en Alphen (behalve dat ze een aanslag op het Groene Hart is) reizigers voor het transferium moet aanvoeren. Hebben we hier dan geen dubbeltelling? Het lijkt wel weer zo een geval van arithmétique néerlandaise, Hollandse Rekenkunde: die reizigers die voor de Rijn-Gouwelijn zo gunstig zijn en die alle de winkelstand in Leiden met hun klandizie zullen vereeren, diezelfde reizigers maken opeens de zweeftrein rendabel!
Men denke zelf aan alle extra op- en afritten die bij de A4 nodig zullen zijn, enz. Bij „enzovoorts” bedoelen we de vergelijking van het aantal minuten om van Leiden-Centraal naar Schiphol en te komen of naar Den Haag of naar Delft of om eerst in een langzame (om niet nog gevaarlijker te worden) light-rail te stappen om na de zoveelste halte het transferium te bereiken om dan in luttele minuten naar het Prins Clausplein te komen of naar Delft-Zuid om van die plaatsen weer op de ouderwetse trage manier naar de centra van Den Haag of Delft te komen.

De reistijd van Rotterdam-Centraal naar Leiden bedraagt „volgens NS-dienstregeling” in het artikel 29 minuten, de „claim Randstadrapid” 15 minuten. Dat is gesimplificeerd, volgens de dienstregeling doet de comfortabelste trein er (elk half uur) 27 minuten over om naar Rotterdam te komen en inderdaad 29 minuten over de terugreis, de trein die ook in Delft en Schiedam stopt (ook elk half uur) 30, respectievelijk 31 minuten. Maar laten we niet flauw doen, laat de claim van 14 à 16 minuten worden gehaald, dan gaat die tijdwinst volledig verloren in de tijd nodig om per auto of per tram van het centrum van Leiden naar het transferium te komen (dan nog woont het overgrote deel van de 116.000 Leidenaars niet dicht bij het voorgestelde tracé van de Rijn-Gouwelijn).
„Amsterdam Zuidas-Den Haag” in 18 in plaats van 43 minuten. Prachtig, maar dan, hoeveel minuten van Prins-Claus naar Den Haag-Centraal? Naar Hollands Spoor betekent overstappen op Den Haag-Centraal en terugreizen. En als je nu eens van Amsterdam-Centraal naar Den Haag wilt? Overstappen op Schiphol en nogmaals op het Prins Clausplein? Utrecht-Centraal naar Rotterdam betekent overstappen, naar Amersfoort idem, naar Amsterdam-Zuid, Amsterdam-Centraal of Schiphol blijft van Utrecht het gewone spoor de enige verbinding.

We blijven met moeilijke vragen zitten, vooral hoeveel tijd het kost om naar de transferia te komen en hoe automobilisten er in de spits eigenlijk kunnen komen. De tijdwinst is wishful thinking. Op het traject (Amsterdam-Centraal naar) Schiphol naar Rotterdam-Centraal gaat al de TGV (en waarschijnlijk ook snelle binnenlandse treinen) rijden. Vrijmaking van alle ongelijkvloerse kruisingen van de oude lijn Amsterdam-Haarlem-Den Haag-Rotterdam zou daar nog enkele minuten tijdwinst geven. Nu al is de reisduur Den Haag-Hollands Spoor naar Rotterdam-Centrum 16 minuten, 5 minuten sneller dan het staatje in het artikel aangeeft, dat met „Den Haag” kennelijk Den Haag-Centraal bedoelt.
We blijven met aanslagen op het Groene Hart van Midden-Holland zitten en nieuwbouwwijken bij Almere en Nijkerk (en met vijftien in plaats van veertien stations).

Wie er mee opschieten zijn bankiers, advocaten en zakenlieden die snel van Amsterdam-Zuid naar Rotterdam-Centraal willen zonder op Schiphol op de TGV over te stappen en een enkele miljonair uit het westen die behalve zijn wagen daar ook permanent auto’s heeft geparkeerd in de oostelijke transferia voor snelle bezoeken niet te ver weg - naar verdere plaatsen zoals Groningen en Arnhem weegt b.v. van Den Haag per zweeftrein gaan en overstappen niet op tegen het comfort van iets langer in dezelfde trein blijven zitten. Naar het Zuiden zeker - het is trouwens opvallend dat alle forensen uit Brabant op Rotterdam, Den Haag en Amsterdam de grootste moeite zullen hebben om de transferia bij Rotterdam-Alexander of Delft-Zuid te bereiken.
Kortom, het rondje Randstad wordt van zijn periferie moeilijk bereikbaar, de grootste profiteurs zullen forensen zijn aan de binnenkant van de ring, juist in nieuw te bouwen wijkjes die het Groene Hart aantasten. Er is een nationale discussie nodig of het niet beter is die wijkjes aan de buitenkant van de ring te situeren en het weidelandschap open te houden.


8 Juli 2006

Rijksmuseum. Aangepast voorstel van de Stichting Arent van ’s-Gravesande voor een fietsersonderdoorgang gescheiden van de voetgangers en de entrées van het Museum. Langsdoorsnede passages Stadhouderskade-Museumplein, daaronder dwarsdoorsnede bezoekersverbinding van de ene binnenhof naar de andere.



Rijksmuseum Amsterdam

Hierbij een voorstel voor een waardige ingang voor het Rijksmuseum gecombineerd met onderdoorgangen voor fietsers en voetgangers. De tekening laat het zien: een luifel voor de vier bogen wenkt het publiek naar binnen. De luifel kan met de bestaande verlengd worden tot een soort hoefijzer zodat ook touringcarpassagiers beschermd binnen kunnen komen. Doorgang voor bezoekers en passanten. In het midden geringe helling naar beneden zodat de fietsers hun eigen baan krijgen door een (bij de architectuur van de Spaanse architecten aangepaste) high-tec doorzichtige buis opgehangen onder de bestaande onderdoorgang. Aan de zijkanten van de onderdoorgang ruime toegangen naar de verlaagde binnenhoven, die weer onder de fietsersbaan met elkaar worden verbonden. Combineert scheiding van voetgangers en fietsers met een waardige ingang en logische, overzichtelijke routing in het gebouw zonder Cuypers’ architectuur aan te tasten.

Rijksmuseum
Dwarsdoorsnede van het Rijksmuseum met gescheiden voetgangers- en fietsersroutes


Nu een paar impressies van korte bezoeken.

Wat een leuk idee om de Haringpakkerstoren te herbouwen!

Heel wat beter dan die herbouw aan de Martelaarsgracht: op vlucht staande 18de-eeuwse gevels helaas geflankeerd door 19de-eeuwse die niet op vlucht staan en waaraan ook verder zowat alles mis is. Lelijke raamindeling en ronduit afgrijselijk gedetailleerde kroonlijsten! Echt die gevels waarom aan het einde van de 19de eeuw juist de roep om bescherming van oudere huizen is gekomen. Het gaat om het samenhangende goed van het 17de- tot 19de-eeuwse patrimonium... daarin gaat men toch geen gevels opnemen die men in de Pijp rustig sloopt?
Erger kwaad op de Nieuwendijk: men raadt het, het zijn weer Hennis en Mauritz en C & A. De eerste met een grove, niet op de maat van de oude perceelsgrenzen gelede gevel, de tweede met een luchtbrug naar iets nieuws dat nog gladder voortijlt en waar zelfs geen architect aan te pas is gekomen. Een verschijnsel waar in het Octobernummer van Binnenstad naar aanleiding van zoiets aan de Nes over wordt opgemerkt: „(geef de ruimte aan dienstverlening met een menselijke schaal en) houd de komst van internationale winkelketens en platte vermaaksindustrie zoveel mogelijk tegen.” Dat is dus zowel aan de Oude als aan de Nieuwe Zijde jammerlijk mislukt.
Aan het Leidse Plein nog steeds die huizenhoge reclame voor het trapgeveltje van de bioscoop. Hoe lang nog? Als het Rijksmuseum, dat een nationaal voorbeeld moet zijn, zich niets aantrekt van de monumentenwet die ontsiering verbiedt en meer dan huizenhoge spandoeken voor Cuypers’ architectuur en het fragmentengebouw heeft... Reclames voor o.a. een groot gloeilampjesbedrijf uit het Zuiden des lands... alles zit onder deze commercieele lappomanie. Terug naar de Oude Stad. Leuke plannen om de Vijzelgracht weer open te maken, laat ’m, alstjeblief heren, niet in een punt eindigen! Dat is geen gezicht voor een gracht!
Een prachtidee om wat historische waterlopen te herstellen. Parkeergarages kunnen er best onder, uit het gezicht en water in het gezicht. Vooral de Amstel natuurlijk: maak het Rokin weer open, maar ook het Damrak en verbind ze: voorlangs of gedeeltelijk onder de Beurs en de Bijenkorf, voorlangs het Monument. Een prachtig tracé voor een watertaxi. Oneconomische hersenschimmen misschien, maar met parkeergarages eronder, met waterverkeer en meer tourisme moet een gedeelte in geld kunnen worden terugverdiend.
En indien we toch aan de Dam komen: dat nationale monument mag ook wel eens wat waardiger mag worden dan die lullige dubbelfiguur van Naatje op den Dam die er nu staat. Kunnen Raedeckers figuren niet in een kring om een eeuwige vlam worden opgesteld? Nog net voor Roland Holst’s cryptische nimmmervanertstotarendmuurtje?

Het openbaar vervoer lijdt hier ook al aan design, die ongecontroleerde egotripperij van ontwerpers die we al bij de architecten zo vaak opmerken. Wat heb ik aan een tram met glas zo laag dat ik naast de rails het asfalt kan zien? Zodat (want het moet of uit de lengte of uit de breedte komen) er beneden zo een dikke koker is dat je scheef op de stoeltjes (de enkele die er nog zijn, er kunnen echt veel meer in een tram) moet zitten en rugpijn krijgt. En dan mis ik nog de trein omdat lijn 16 nu opeens zowat op de Oostelijke eilanden stopt in plaats van voor het station. Waarom kan die tram niet met de bussen gewoon rechtdoor rijden en voor het station stoppen?

foto foto
Slecht voorbeeld doet slecht volgen! De toetakeling van ons nationale museum...
Middengedeelten van voor- en achtergevel van het Rijksmuseum verborgen achter reclame.

foto foto
Rembrandthuis met uitbreiding als een
gigantisch opgeblazen ventilatoruitlaat

Museumuitbreiding voor het oude
Drostenhuis te Zwolle

Wie was het eerst met zijn uitbreiding? Hoe dan ook: kwaad voorbeeld doet kwaad volgen. In het Rembrandthuis is het fijnzinnige interieur van De Bazel dat wel degelijk bij de stijl van het huis paste gesloopt. En als een andere permanente beschadiging is een stuk gemaltraiteerde tussenmuur bij de nieuwe ingang te zien. Educatief? Waarbij passend? Mooi?

Dit zijn een paar impressies van bezoeken aan Amsterdam, wij proberen „Midden-Holland” zo gauw mogelijk aan te vullen met notities over het milieu, gebouwd en landschappelijk, in de andere gemeenten die samen de nieuwe Provincie Midden-Holland moeten gaan vormen.



De Entrée van Amersfoort

Bij de Amersfoortse aanpak van het Stationsplein is de gekromde wand van één architectuur als een positief punt aan te merken, redelijk ver van het centrum, terwijl het centrum zichtbaar blijft uit de trein.


Delft - waardige of ondergrondse entrée?

In Delft wordt de royale entrée per spoor bedreigd door het voornemen het spoor onder de grond te stoppen. Alle gewone reizende Nederlanders en alle touristen, binnenlandse en buitenlandse, zullen het zonder zicht op de Stad en de Nieuwekerkstoren moeten stellen, reizen als mollen en zonder zich het heerlijk knagende dilemma te hoeven stellen welke stad en welke toren nu de mooiste zijn - Utrecht of Delft. Vandaar het voorstel van de Sociaal-Liberale Partij: omkoker de twee verhoogde sporen in plastic en leg de twee additionele sporen een paar kilometer meer naar het Westen aan achter de Voorhof om naar Schiedam.

Delft - stadsherstel of kitsch?

Het hart van Delft, de stad van Willem van Oranje en de Nieuwe Kerk met fabelachtig mooie toren (dat wonderbaarlijke verschieten in kleur naar boven toe, die prachtige spits wel één van de meest geslaagde punten van stadsherstel - nota bene door Cuypers en Gugel) en met Hendrick de Keyser’s Stadhuis en Mausoleum voor de Nassaus. Je denkt er nog te dwalen in de stad van Fabritius en Vermeer. Troetelkind van Monumentenzorg is de binnenstad zeldzaam gaaf. Maar ook hier slaat de de-regulering hard toe. De gemeente heeft een stuk grond aan de Voldersgracht ruim in het zicht van af de Markt, waar een negentiende-eeuwse gemeenteschool stond (na de Oorlog afgebroken en door een grof bouwwerk vervangen - men zou zeggen ’t kan niet erger) geruild met een projectontwikkelaar-aannemer voor een lap grond elders in de stad. Die aannemer pretendeert het Sint Lucasgildehuis te herbouwen dat eerst op die plaats stond om er een Vermeerhuis te stichten. Daarvoor heeft hij helaas een architectenbureau in de arm genomen dat toeten noch blazen van historische architectuur weet.

Voor de school van 1878 stond hier inderdaad het Gildehuis (van de schilders, beeldhouwers, behangontwerpers, plateelbakkers, enz ) van 1662. Dat was van vrij povere architectuur - weerzin tegen het Haagse en Leidse classicisme hadden voorkomen dat er behoorlijke architecten waren in Delft - men deed een gooi met een dak dat misschien vier dakschilden had maar misschien asymmetrisch was, twee lisenen met lijstcapitelen in plaats van pilasters met echte capitelen, maar wel een mooi groot fronton met in het midden een borstbeeld van Apelles, de grote Griekse schilder. Onder de kruiskozijnen was nog plaats voor mooie festoenen waar de Delftse beeldhouwers erg hun best op deden en die als mooiste onderdeel bij de sloop werden gered en nu al weer honderd jaar zijn ingemetseld in het Rijksmuseum boven de galerij van Huygens’ huis. Wie denkt dat de directie van het Rijksmuseum ze weer teruggeeft, heeft het mis. En deze keer kan men de directie begrijpen: de herbouw wijkt zo ver af van wat omstreeks 1660 gangbaar was dat men niet eens meer van een leuke pastiche kan spreken, het is regelrechte kitsch.
Dan hebben we het niet eens over de nieuwbouw aan de achterkant: daar komen een soort houten Zwitserse koekoekshuisjes die bovendien in maat en schaal alles missen wat ooit in Delft te zien is geweest. Over de voorkant in het zicht van af de Markt: de povere architectuur van het Gildehuis was gedeeltelijk te wijten aan het incorporeren van de onderverdieping van een oud gasthuis, maar dat moet nog erger worden door het afsnijden van quasi oude kozijnen door een glazen winkelpui. De bruinekozijnen-romantiek wil alle kozijnen in donkerbruin gelakt hout uitvoeren (zoals het ook wel gebeurde bij imitaties uit de jaren 1880 - maar dan bij imitaties van zestiende-eeuwse architectuur, omstreeks 1660 was het gebruik de kozijnen gebroken wit te verven, geen hond zou het in zijn hoofd halen om op de ouderwetse manier te lakken). Het allerergste zijn wel de grote dakramen in het vlak van het pannendak en, omdat het volume volgestouwd moet worden met flats, twee op de dakverdieping, uitvoering van het fronton in doorzichtig plastic... Apelles komt vlak en plat te zweven in een tympaan dat - naar gelang de bewoners van de linker- of de rechterzolderflat thuis zijn - ’s nachts zijn ene kant of zijn andere kant in het kunstlicht laat baden.
Zover is het met Delft gekomen - kan men zich voorstellen dat de SLP betere wetgeving voor de Beschermde Stadsgezichten voorstelt?

foto
Delft, de „herbouw” van het Sint Lucasgildehuis


foto
De koekoekshuisjes aan De Vlouw



Vele entrées - gebouwd en afgebroken milieu in Alphen aan den Rijn

Wie denkt dat Alphen met de komst van de Rijn-Gouwelijn per saldo niet zou verliezen of erop vooruitgaan komt bedrogen uit: ongetwijfeld worden de NS-spoorverbindingen naar Utrecht via Bodegraven en Woerden en naar Leiden opgeheven en op z’n best vervangen door een veel langzamere, minder comfortabele „snel”-tram. Ook wordt niet voorgesteld de lijn van Waddinxveen direct in de richting Zevenhuizen-Zoetermeer-Den Haag te voeren of naar Rotterdam.

De oudste entrée bij het spoor

De kern van Alphen lag net wat te ver van het Station en er waren net te weinig vermogende burgers om er royale villa’s te bouwen, zodat de Stationsstraat ondanks rijen bomen iets miezerigs heeft gehouden. De paar huizen van even na 1900 van de architect Hengeveld zijn niet royaal van opzet, petieterig en veel te druk van details die gedeeltelijk al weer zijn weggehaald.
Aan de Prins Hendrikstraat stonden een paar grotere huizen. Allereerst nummer 120. Met alle waardering voor Hengeveld in het algemeen, bijvoorbeeld voor Raadhuisstraat 100, het voormalige Raadhuis van Aarlanderveen, en zijn kerken zoals die te Boskoop, is dit een faliekante mislukking, een wanhopig verwarde troep van twee niet bij elkaar passende vleugels waartussen een enge nauwe ingangspartij onder een opzetgeveltje als een vreemde pendule met mislukte wijzerplaat is gewrongen. Toch heeft de Provincie nr. 120 voor plaatsing op de Rijkslijst aanbevolen, maar - met haar habituele liefdeloosheid voor evidente monumenten zodra er maar iets aan de hand is - Prins Hendrikstraat 66 niet. Prins Hendrikstraat 66 (het stond nabij nr. 80), ook van Hengeveld, ook van 1902, was zonder meer het mooiste woonhuis van Hengeveld. Royaal van opzet met een evenwichtige gevel met fraai brede, niet te dicht bijeenstaande vensters en interessante, leuke, goed geplaatste natuurstenen versieringen - en goed onderhouden! Een afgewogen geheel, ondanks details als bollen, toppinakel, kwartschelpen, enzovoort, van een voor Alphen ongebruikelijke grandeur.
Maar ja, met de fabriek ernaast en een groot terrein in handen van een fabrikant die kennelijk speculatieve plannen had. Daar alle panden die de Gemeente op haar lijst had staan en bloc tot Rijksmonumenten waren gepromoveerd, hield de Gemeente het voor gezien. Ze liet de gemeentelijke lijst gewoon leeg, zodat ze niet de moeilijke keus zou krijgen het algemeen belang tegen de echte of vermeende belangen van een ondernemer te moeten afwegen - gewoon leeg ondanks verzoeken van monumentbeschermende verenigingen totdat heel kort geleden de villa is gesloopt.
Het terrein ligt nog braak, ernaast is frisse nieuwbouw verrezen, zichtbaar speculatiebouw ontworpen door de jongste medewerker van een architectenbureau. Door herbouw van Hengevelds belangrijkste burgerlijke oeuvre zou het hele stadsbeeld kunnen worden opgekrikt. Juist omdat Hengeveld een weidse schermgevel voor een laag volume had geplaatst kan achter de gevel een ruim herenhuis worden gerealiseerd. De SLP is verheugd dat zij de Stichting Arent van ’s-Gravesande bereid heeft gevonden particuliere bijdragen die herbouw tot gevolg hebben te verdubbelen tot een maximum van € 3000,-

Over het spoor naar het zuiden

Over het spoor heeft Alphen een ruime woonwijk ontwikkeld, gelukkig zonder de horizonvervuilende en ook sociaal-hygiënisch onacceptabele hoogbouw van Alphen-Noord.
Maar tussen de wijk en het spoor is een strook gereserveerd voor kantoorbouw waarop nu op de meest in het oog lopende plaats Kluwer een gigantisch gebouw heeft gezet waarvan de hoge vleugels volstrekt niet passen bij het stedebouwkundige plan (het straatverloop) van de woonwijk. Als een concessie steekt het gebouw naar het circuit waar de wegen naar de woonwijk starten een rond doosje uit. Daar het met kleine plaktegeltjes in een (onbeschrijflijke soort kleur) is bezet een soort zuurtjestrommeltje bij wijze van concessie aan de burgers van Alphen aan den Rijn die hier elke dag langs moeten. Maar door zijn kleinheid volstrekt ineffectief om de logge onverschilligheid van de slecht ingepaste grote massa te maskeren...
Falende stedebouw, extra in het oog vallend door niet passende kantoren treft ook wat een mooi stadshart zou moeten zijn.

De entrée van het nieuwe centrum

Lopend langs ’t Roomse kerkhof aan de achterkant van de kerk op weg naar de plaats waar het centrum zich heerlijk open zou moeten doen, neuriën wij vast vol verwachting Vondel’s regels over Amsterdam: „Aan Amstel en aan IJ, daar doet zich heerlijk open / Zij die als Keizerin de kroon draagt van Europe” ... en dan betreden wij het terrein waar de Keizerin van Holland’s Hart zich heerlijk open zou moeten doen. En zelfs de poging is er. Verrijst daar niet als een flonkerend glazen juweel, als een gigantische, geslepen kristallen boleet het nieuwe Raadhuis van Alphen aan den Rijn?! Golvende, wolken weerkaatsende raamvlakken... prachtig en prachtig op een lichtglooiende grasvlakte zo groot als de grootste Engelse campus, voor alle zekerheid maar: zo groot als de grootste Amerikaanse campus. Een gebouw dat alle gebouwen om zich heen platslaat met zijn afwijkende futuristische architectuur...
Om het te kunnen bouwen is er gesloopt en de zoveelste doorbraak gemaakt. Had Alphen zich na de Oorlog nu maar aan geestelijke doorbraken gehouden. Het is de zoveelste doorbraak in een Hollandse stad die te klein is opgezet zodat de nieuwe architectuur overal mee botst. Het is niet alleen in Alphen zo, we vinden het ook in Leiden - wat vind je bijvoorbeeld van de „architectuur” van het Gangetje te Leiden? Het is niet te geloven, maar op verzoek van de gemeente op de Rijkslijst geplaatst, alleen maar om deze doorbraak salonfaehig te maken en door zo veel mogelijk andere te laten volgen - Aalmarkt naar Haarlemmerstraat en zo. Een ander voorbeeld is de onaangepaste stedebouw voor het front van het Dordtse stadhuis: daar doen de gebroeders De Witt een poging sculptureel de zaak goed te maken.
In Alphen is de ruimte die er voor de fraaie zijkant van de Hervormde kerk was juist weer dichtgezet met een schermwandje van architectuur... Alsof men een fraai gebouw met culturele meerwaarde beslist niet meer wil zien. Nu moet aan de overkant van de Rijn het Thorbeckeplein worden opgeknapt. Laten we hopen dat het groots blijft. Niet verpest met koffietenten, patatkraampjes en dergelijke wegens die vreselijke pleinvrees van de heren en dames stedebouwkundigen. En laten we hopen dat de prachtige sculpturen die het plein oorspronkelijk sierden, een bronzen leeuw en een bronzen tijger van de beeldhouwer Marinus Boezem, opgesteld op hoge bogen als op een antiek aquaduct, weer in ere worden hersteld!


Het Zuid-Hollandse Provinciale Landschap

Om per auto van Leiden naar Boskoop of Waddinxveen te rijden slaat men af van de N11 richting Hazerswoude. De landschappelijke inpassing van die verbindingsweg is zo minabel dat men er direct de ideeën, of liever de waanideeën of zelfs het totale gebrek aan ideeën van de Provincie in proeft. Een vaag boompje hier, een slonzig struikje daar, dan weer een stukje gras... nergens iets met de grootsheid of zelfs maar overtuiging van ware landschapsarchitectuur. Alles komt slordig en chaotisch over. Voorbij Hazerswoude staat gelukkig nog een forse rij bomen, rustig als in een allee aaneengeregen. Alleen slechts aan één kant van de weg. Maar van N11 naar Hazerswoude... Het is geen incident, op de weg van Leiden naar Zoetermeer is net de mooie bomenallee tussen Stompwijk en Zoetermeer gekapt en vervangen door miezerige, te ver uiteen geplante boompjes, ver van de zijkant van de weg en ook maar aan één kant. Waarom denken die landschapsontwerpers bij de Provincie toch dat de Hollanders eeuwen lang alleeën hebben geplant van dubbele (liefst vierdubbele) bomenrijen aan beide zijden van de weg? Zouden ze daarvoor misschien een goede reden hebben gehad?
De huidige landschapsontwerpers schijnen beslist niets van de geschiedenis te willen leren. Geen herplanting van alleeën, zeker geen nieuwe bomenlanen, maar bij voorkeur kleinschalige petieterige groenaanplanten die het landschap verbrokkelen, verkokeren - de zichtbare expressie van de verzuiling en de hokjesgeest. Niets groots, niets van nationale of zelfs maar provinciale dimensie, alles moet klein: huisje, boompje, beestje. Met de laatste twee te beginnen, dan zorgen voorstanders van het volkrijgen van oneconomische spoorverbindingen wel voor de huisjes!
En oja, superromantisch: dan vinden we op luchtphoto’s de contouren terug van estuariumstromen van een paar duizend jaar geleden. Goh, dat kan nog eens mooie waterreservoirs geven! Als „authentiek oud” voorgesteld, maar volkomen uit z’n verband van getijden, brak water en verbindingen stroomopwaarts en stroomneerwaarts gerukt. Het is alsof je een loupe op een historische landkaart legt en één geisoleerd stukje uitvergroot en „herstelt”. Superromantische chaos die het traditionele landschap bedreigt.


Boskoop, zijn zo vorstelijke entrée met het gebouwde en het groene milieu

De spoorlijn Alphen-Boskoop-Waddinxveen enz. is in 1934 aangelegd om sierteeltproducten per spoor te versturen. Twee buitengewoon verdienstelijke architecten, Schelling en Landman, hebben hun best gedaan om Boskoop een echt royale entrée te geven. Schelling’s station heeft zuiverheid van lijn en grootsheid in een klein bestek; Landman’s expositiegebouw (of Café-Restaurant Flora) is groots van schaal en groots van architectuur.
Twee keer heeft heel Boskoop zich uitgesloofd in de periode 1880-1935 om architectonisch iets bijzonders tot stand te brengen: allereerst in de jaren van bloei tot de Eerste Wereldoorlog met de ene „plantersvilla” na de andere, vervolgens na de Oorlog met zelfs nog enkele villa’s en publieke of semi-publieke gebouwen om te proberen de bloei vol te houden. Bij die werken hoorden behalve Landman’s Raadhuis (zeer verdienstelijk ondanks intensieve bemoeienissen van Burgemeester Colijn die zichzelf ook als een architect zag) een groots bouwkundig-stedebouwkundig ontwerp voor een royale entrée bij het station. Zo heeft Schelling het station ontworpen, Landman het Floragebouw en in samenhang ermee het Rosarium. Het Floragebouw heeft een rondvooruitstekende vleugel vanwaar men op het Rosarium kan kijken, geheel in de traditie van de grote Hollandse buitens met tuinen. Het Floragebouw was extra feestelijk omdat men hoopte dat Koningin Wilhelmina de bloemen- en sierbomenexpositie van 1935 zou willen vereeren met een bezoek! En inderdaad kwam Wilhelmina, vergezeld van Prinses Juliana.
Laten we hopen dat men in Boskoop Schelling’s station zal willen handhaven, des te belangrijker nu zijn stations te Leiden en Waddinxveen zijn gesloopt, en dat het Floragebouw een opknapbeurt krijgt.
De plantersvilla’s (de meeste tussen 1885 en 1915 gebouwd) liggen aan een wegenvierkant om het oude centrum aan beide zijden van de Gouwe. Ze zijn zo fraai - te samen en de meeste ook individueel - dat dit vierkant wel het Gouden Vierkant wordt genoemd. Maar toen het op plaatsing op de Monumentenlijst aankwam liet de Provincie met haar habituele calculerende liefdeloosheid voor monumenten het afweten. Er was eerst een plaatselijke inventaris opgemaakt waarop vele villa’s voorkwamen. In plaats van het geestelijk misschien wat lastige werk om hiertussen te selecteren of de grootsheid van geest om ze allemaal voor te dragen, ging de Provincie (zoals we overal in Zuid-Holland opmerken) op de beleidsstoel van de Minister zitten en zocht één villa uit die een endje van het vierkant aan een zijweg ligt en stelde deze voor plaatsing voor. Die villa was toevallig net door de eigenaar opgeknapt, zodat ze de Minister geen subsidie zou kosten. De criteria volgens de Monumentenwet zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde en niet zaken van onderhoud of verlangens van gemeentes om juist daar te slopen voor wegaanleg of nieuwbouw (alles van waarde is immers weerloos...). We hebben bij Alphen gezien waar dit culturele ellendebeleid toe voert: verlies van de beste monumenten.
In Boskoop was de watertoren (heel opvallend in het profiel van Boskoop en één van de weinige watertorens met mooie Art-Nouveau onderdelen) wel voorgesteld, maar zodra bleek dat opknappen geld zou kosten dacht het Rijk „dat de Provincie wel plaatsing zou voorstellen”, dacht de Provincie „dat de Gemeente wel plaatsing...” en dacht de Gemeente „dat het Rijk wel...” Tenslotte is plaatsing gebeurd op verzoek van een particuliere stichting die zich beriep op de beloftes van de verschillende bestuurslagen. De financiën zijn helaas nog niet rond zoals iedereen aan de gemutileerde kop kan zien.
Nog merkwaardiger was de gang van zaken om Voorkade 40, het enige (en opvallende) woonhuis uit de zeventiende eeuw dat in heel Boskoop is overgebleven. Nadat het eerste voorstel van de Monumentenraad om het huis te plaatsen (begin jaren ’70, als enige monument in heel Boskoop!) door de gemeente was afgewezen met het argument dat het huis „zo bouwvallig was dat het voorover stond” kwam er een nieuwe eigenaar, die het huis van binnen van lelijke 19de-eeuwse aanslibsels heeft ontdaan en gerestaureerd (met de oorspronkelijke spiltrap) en de gevel opnieuw gevoegd. De gevel hoefde namelijk niet recht gezet te worden, hij was oorspronkelijk vooroverhellend gebouwd („op vlucht gezet”) zoals in de zeventiende eeuw gebruikelijk was. Maar herstel van oorspronkelijk ogende kozijnen (of achttiende-eeuwse schuiframen, als de ruitjes maar niet al te klein zijn staan die ook mooi) op de oorspronkelijke plaats zou veel geld en expertise kosten. De eigenares, gesteund door een stichting, vroeg plaatsing aan. Maar de Minister vond dat zijn beleid moest voorgaan, en zijn „beleid” was op dat ogenblik dat er stomweg geen oude huizen, hoe mooi, enz. ook, geplaatst moesten worden.
Een vreemde, élitaire houding, louter op financieele overwegingen gebaseerd. Het vreemdste is dat dit niet alleen discriminatie betekent van objecten die zonder meer van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, enzovoorts, maar door zijn financieele discriminatie van de eigenares zelfs in strijd met de grondwet die gelijke behandeling van alle burgers voorschrijft.
Maar daartegen kan men helaas niet in beroep gaan. Het is o.a. om deze twee redenen dat de SLP voorstelt alle gebouwen ouder dan tweehonderd jaar te plaatsen èn dat zij voorstelt een Constitutioneel Hof in te stellen dat wetten en beleidsvoornemens aan de grondwet kan toetsen.

foto
Voorkade 40, het oudste woonhuis van Boskoop. De gevelsteen heeft het
opschrift
Niet sonder Godt, het jaar 1686 en als afbeelding een boom - het kan haast
niet mooier en symbolischer in een centrum van godvruchtige boomkwekers.

Zo heeft Boskoop het lang zonder enig ingeschreven monument gedaan, totdat de „jongere monumenten” zouden worden geplaatst. Daar viel Voorkade dus niet onder, maar, vreemd genoeg, ook de Hervormde Kerk niet! Als men nu dacht dat de Minister in de gaten had dat de kerk in de kern laat achttiende-eeuws, dus „oud” was (de toren is in de kern zelfs zestiende-eeuws) en haar daarom niet wilde plaatsen, heeft men het mis. De Minister had zelfs niet in de gaten dat de omhulling, het „jasje” van 1896 van Hengeveld is, de verdienstelijke gemeentearchitect van Aarlanderveen, die we in Alphen hebben ontmoet (en wat betreft de toren, die immers van de burgerlijke gemeente is, van Burgersdijk, gemeente-architect van Gouda). Toen de zaak intern door een ambtenaar werd aangeslingerd (schrijver dezes, hem was immers beloofd dat wanneer hij bij het beschrijven van het gebied evidente, vergeten, monumenten tegenkwam de Minister ze alsnog zou plaatsen) werd na veel gegrom de kerk tenslotte geplaatst met een onvoldoende beschrijving en de toevoeging „wegens het orgel” aangezien de chef van de beschrijving tevens de orgelman van de Rijksdienst was die alle andere belangen opofferde om zijn élitaire en volstrekt eigenzinnige (onnodig terugrestaurerende) orgelbeleid te kunnen voeren.
Om nieuwsgierigen naar de geschiedenis van het kerkgebouw een klein beetje te bevredigen: de vervallen kerk is in 1782 herbouwd op een centraliserende grondslag, typisch voor Protestantse gebedenhuizen, door de Stadhouderlijke architect Philip Willem Schonck, die de toren van omstreeks 1550 handhaafde en slechts verstevigde. Nadat ze uitgebrand was zijn Schonck’s muren die nog stevig overeind stonden van een nieuw „jasje” voorzien in 1896/// in de toen voor Protestantse kerken vigerende „Oud-Hollandse” (of Neo-Maniëristische) stijl en de eveneens nog goed bevonden torenromp ook van een nieuwe omhulling voorzien.
Bij Gouda schrijven we over een culturele tsunami, maar Boskoop is in de jaren ’30 getroffen door iets dat meer weg heeft van een echte tsunami: de Provincie heeft met veel geweld de Gouwe verbreed waarvoor juist in de oude kern veel woonhuizen, het Oude Stadhuis en de oude Remonstrantse Kerk zijn gesloopt. Als een hoog statussymbool van de Provinciale waterstaat is toen de Hefbrug neergezet die alle andere gebouwen overschaduwt - uiteraard heeft de Provincie deze brug op de Rijkslijst van beschermde monumenten laten plaatsen. Als voorbeeld? Neen, dat kan niet want ze heeft ook identieke hefbruggen in Waddinxveen en Alphen laten plaatsen. Hier resulteert lamlendigheid om tot een keuze te komen in zeldzame arrogantie.
De SLP stelt voor om bij wijze van stadsherstel voor het autoverkeer op enige afstand een nieuwe brug te bouwen en hier voor fietsers en voetgangers een lage constructie aan te leggen, een elegante basculeburg of ophaalbrug zodat complete stedebouwkundige verbetering tot stand kan komen.


Waddinxveen en het Gebouwde Milieu

Waddinxveen is bij de eerste Monumentenwet stiefmoederlijk bedeeld met op de Rijkslijst geplaatste monumenten. Slechts twee kerken, de Hervormde en de Remonstrantse, hebben het gehaald, van de paar 17de-eeuwse en 18de-eeuwse boerderijen geen enkele, van de 18de-eeuwse en latere woonhuizen ook geen een, de (ingebouwde) 17de-eeuwse molenstomp is aan de aandacht ontsnapt.
Door de Stichting Arent van ’s-Gravesande (die uiteraard in Leiden is gevestigd - what’s in a name, Van ’s-Gravesande was de grootste stadsarchitect die Leiden ooit heeft gekend) is in 1998 plaatsing gevraagd van de twee 18de-eeuwse boerderijen die toen nog over waren. Deze boerderijen zijn van verschillend type, Henegouwerweg 4 is een typische weideboerderij voor kaasmakerij op het oude, middeleeuwse land, en JAGTLUST, Noordeinde 130, in de Achterofse Polder, gebouwd onmiddellijk na de drooglegging in 1765, het voorbeeld van een pachtboerderij op landbouwgebied met architectonisch voornaam uitgedrukte herenkamers - deze boerderij is zelfs eigendom geweest van Willem II en door hem als jachthoeve gebruikt.
De minister heeft plaatsing van beide gebouwen geweigerd, zodat hun voortbestaan afhangt van de zorg van de eigenaren.
Tevens heeft de Stichting het kerkbestuur van de St. Victor ondersteund bij aanvrage voor plaatsing van deze kleine maar bijzonder harmonieuze kerk van Margry, die juist door de kerkelijke gemeente was opgeknapt. Deze plaatsing is eveneens geweigerd, wat thans, nu er andere inzichten zijn bij het Bisdom, wel tot sloop zal leiden.
Als laatste heeft de Stichting plaatsing aangevraagd van een boerderij in de „nieuwe” Zuidplaspolder, het voorname, landhuisachtige VREDENBURG, Plasweg 26, van 1862. Dit was ook in 1998 en al in 1999 heeft de Monumentenraad gunstig geadviseerd op het verzoek. Zeer recent (pas in 2005) heeft de Minister (of liever: Medy van der Laan, wie de zorg voor de Monumenten is toevertrouwd) besloten ook hier te weigeren. Begrijpelijk dat er onrust in de gemeente is ontstaan, leidend tot vragen in de raadscommissie. Laat ons hopen dat men althans een plaatselijke monumentenlijst gaat opstellen!

Een plaatselijke monumentenlijst zou ook de paar toppers van het 18de-tot 20ste-eeuwse bestand aan burgerlijke en industrieele bouw kunnen omvatten. Er zijn in het kader van de „jongere bouwkunst” maar enkele objecten geplaatst: het kantoorgebouw van de Tabaksfabriek van 1940, de Hefbrug van 1936 en het erachter liggende Oude Raadhuis van 1911 (waarop het zicht door de Hefbrug belemmerd wordt). Die Hefbrug is trouwens de bezegeling van dramatisch grote doorbraken door de dorpskernen van Boskoop en Waddinxveen voor de scheepvaart om tientallen jaren lang dwars door de kernen van Waddinxveen, Boskoop en Alphen hoogst ontvlambare vliegtuigbenzine naar Schiphol te kunnen verschepen. Bij de Hefbrug valt op te merken dat er identieke constructies staan te Alphen en te Boskoop, in Alphen buiten de bebouwde kom, zodat het bepaald niet doordacht is van de Provincie om al deze drie dure constructies te laten plaatsen.
Terwijl het alleraardigste station van Schelling, klein maar verfijnd modern vormgegeven, aan de heidenen werd overgeleverd en gesloopt: in casu de Rijn-Gouwelijn die slechts haltes nodig schijnt te hebben.

Stadsherstel gewenst

Dicht bij dat voormalige station, waar je een waardige entrée van Waddinxveen zoudt verwachten, staat het Oorlogsmonument. Maar, ach arme, wat staat dit monument voor de slachtoffers van 1940 tot 1945 erbij! Verscholen achter een hoge lantaarnpaal en de nodige verkeersborden staat daar wat een waardige pyloon of obelisk zou moeten zijn... al weer jaren en jaren scheef en kromgetrokken...

Waddinxveen en het Openbaar Vervoer

Veel forensen uit Waddinxveen reizen nu eerst naar Gouda, moeten dan wachten en overstappen om dan weer in omgekeerde richting verder te gaan naar Den Haag of Rotterdam. Toen er nog een vooruitziend gemeentebestuur was is er in het bestemmingsplan een bocht gereserveerd om direct naar Zoetermeer-Den Haag te kunnen gaan. De Sociaal-Liberale Partij stelt voor om deze bocht direct aan te leggen en onderzoek te doen naar een tak naar het zuiden, naar Rotterdam. Frequente treinen uit Den Haag kunnen bovendien gedeeltelijk doorgaan naar Alphen en gedeeltelijk koppen in Waddinxveen en naar Gouda rijden. Dit is niet alleen goed voor het milieu omdat veel forensen hun auto zouden laten staan, maar het scheelt de forensen die per trein naar Den Haag gaan duizenden en duizenden uren per jaar. Door het overstappen in Gouda moeten zij thans eerst naar het oosten reizen, en zo naar Den Haag, een omweg van ruim 10 kilometer - in andere woorden: zij zouden langs 27 kilometer naar Den Haag-Centraal reizen, nu zijn het er 37...

Waddinxveen en het Flitsvervoer

Bij de uitbreiding die wordt geeist voor de Rijn-Gouwelijn was het al opgevallen dat de woningbouw niet in de voor de hand liggende richting naar Zevenhuizen plaatsvindt (met één of twee haltes van een lus naar Zoetermeer), maar recht naar het zuiden langs de bestaande spoorlijn, om maar zo dicht mogelijk bij het voorgestelde tracé van de Rijn-Gouwelijn te blijven. Dat is niet de ideale plaats, tegenover een bedrijventerrein en dicht bij de A12. Maar dat is wel de ideale plaats in de ogen van het Consortium dat de magneetzweeftrein voorstelt. In Midden-Hollands verband: aan de binnenzijde, de Groene Hartzijde van het z.g. rondje van het Consortium. Zoals we hebben gezien omvat het „rondje” een groot gebied, tot voorbij Amersfoort, en geeft het transferium op de kruising van de Rijn-Gouwelijn en de A20 verder alleen aansluiting op de spoorlijn naar Den Haag. Dat betekent voor de overstappende forensen op de luxe zweeftrein een tijdwinst van een minuut of tien in de richting Rotterdam (terug zijn ze sterk afhankelijk van de frequentie van de Rijn-Gouwelijn), maar de forensen naar Den Haag moeten nog steeds overstappen op de spoorwegen en winnen maximaal een minuut of vijf.
De druk om de nieuwbouwwijk maar door te trekken tot het transferium en verder tot Moordrecht zal dan wel heel groot worden - op een gebied dat nog meer ingeklemd is tussen spoor- en autowegen. Kijkend naar het „rondje Randstad” van de magneettrein en denkend aan de woorden van Jeltje van Nieuwenhoven over het „dan maar niet aandoen van Waddinxveen” vraagt men zich huiverend af of zulke mensen soms met een dubbele agenda werken. Eén die mooi vervoer per Rijn-Gouwe naar de binnensteden van Gouda en Leiden belooft, en een andere die alle common sense van rendabel openbaar vervoer uit het oog verliest en voor de schim van een magneettrein graag het Groen Hart van Holland opoffert...

Het Jongste Monument

God zij dank heeft Waddinxveen in 1987 een van de meest indrukwekkende monumenten van het land opgericht. Het zijn de twee reusachtige getordeerde bakstenen zuilen van de kunstenaar Herman Makking. Het monument heeft geen titel, wat sterk tot een gevoel van verwondering, ja van imponerende dubbelzinnigheid leidt. Hebben de Waddinxveense vroede vaderen niet willen of niet kunnen kiezen? Misschien is het wel goed zo. De getordeerde zuilen hebben immers een even slingerende geschiedenis als hun contour aangeeft. Dan weer heten ze de zuilen van Hercules (die bij Gibraltar geacht werden te staan en die Karel de Vijfde’s wapen omramen), dan weer heten ze Salomonicas, omdat ze als de zuilen Boaz en Jachin aan de Tempel van Salomo herinneren (zo heeft Bernini ze voor het Tabernakel in de Sint Pieter gebruikt), en dan weer zijn er lieden die beweren dat ze Joods noch Christelijk zijn, maar dat hun vaak voorkomende omwikkeling met wijnranken op een Romeins vruchtbaarheidssymbool wijst.
Hoe dan ook - iets echt groots.

foto



foto

Ach, Gouda en het Openbaar Vervoer

Ach, al die Gouwenaars die volgens gedeputeerde Norders, c.q. Van Nieuwenhoven, bereid zijn de Rijn-Gouwelijn rendabel te maken door op mooie zomerdagen met de trein naar Den Haag-Centraal (waarvan vele tramlijnen naar Scheveningen gaan) te laten staan en met kinderen en al veertig minuten of meer in een wagon zonder voldoende zitplaatsen of enig toilet naar het strand in Katwijk of Noordwijk te gaan! Hoe menslievend van ze! Of zouden ze de zitplaatsen van de forensen innemen? Zouden er echt extra treinen worden ingelegd op die paar mooie stranddagen? Kunnen er nog meer bij op het tracee door Leiden?
Het Zweeftreinconsortium maakt het nog bonter: de magneettrein zou Gouda voorbij zweven en pas in een (nieuw wijkje van) Waddinxveen een station krijgen... Zie er maar te komen, Gouwenaars, per auto of per trein, en dan nog alleen naar Rotterdam. Het is duidelijk dat het Consortium niets ziet in plaatsen waar toch geen Vinexwijkje meer is te ontwikkelen.

Ach, Gouda ook nog getroffen door een Tsunami!

In enkele Midden-Hollandse steden kunnen we nog van een aardige of op z’n minst verzorgde entrée spreken. In Gouda is allereerst Ravesteyn’s station met de beelden vervangen door iets in de braderiemode die bijvoorbeeld ook een stad als ’s-Hertogenbosch heeft getroffen. Door een disparaat schouwspel van hoogst verschillende architectuur lopen we dan naar de stad. Van de singel tot het stadshart, het seculiere centrum van de Markt met Stadhuis en Waag, loopt een winkelstraat die Kleiweg heet. Maar ach, wat heeft die eens nette winkelstraat de laatste vijftig jaar geleden onder de wegwerparchitectuur van de mode- en patatwinkels! De-regulatie heeft hier een gruwelijk dieptepunt bereikt. Wat denken de bestuurders toch, hebben ze honderden en honderden jaren lang ons niet beschermd tegen valse munters (die werden op z’n minst in de kokende olie gegooid), ’t wegen met ondeugdelijke gewichten, het leveren van bedorven vlees of vis, het produceren van slecht laken - noem maar op. Denken ze dat diezelfde producenten en handelaars cultureel opeens allemaal brave broeders zijn en dat je ze hun gang kunt laten gaan zonder te krijgen wat we maar even een Kleiwegeffect zullen noemen? Het is moeilijk in heel Nederland een winkelstraat te vinden die cultureel zo onderkomen is. Een Kleiwegeffect? Het lijkt het meest op een culturele Tsunami.
Vooral de laatste veertig jaar - het is haast of we D’66 de schuld kunnen geven. Heeft die partij niet altijd de aandacht afgeleid met de kreet „bestuurlijke vernieuwing”? Terwijl de regenteske lieden in die partij alleen maar op het pluche wilden zitten? Het moreel failliet van de Kleiwegarchitectuur is vergelijkbaar met het nalaten van D’66 om achter een sociaal of cultureel programma te staan. Tenslotte is de bestuurlijke vernieuwing ook te grabbel gegooid, de cultuur is in de handen van Medy van der Laan die alles aan het afbreken is, om het even of het de Media zijn, de Monumentenzorg of de Musea. (Worden die debiele spellingswijzigingen van de laatste jaren niet ook door haar ministerie gesteund? Waarom schaffen we de taalunie niet af, waarom vervangen we haar niet door een Nederlandse Academie waarin echte Neerlandici - dat zijn de schrijvers - zitting hebben?).
De honderden miljoenen die meer aan onderwijs besteed zouden worden blijken allemaal bij de technische innovatie terecht gekomen te zijn. Tel uit je culturele winst!