Sociaal-Liberaal Manifest - Vervolg toelichting 15

Vervoer, milieu, menselijkheid - de „ondermensen”

Iets anders is de menselijkheid van om als mollen onder de grond vervoerd te worden. Op het ogenblik is de oude lijn Amsterdam-Haarlem-Leiden-Den Haag-Delft-Rotterdam-Dordrecht nog steeds bij de steden verhoogd, zodat men overdag bij daglicht reist en met uitzicht. Culturele hoogtepunten van dat uitzicht zijn de Sint Bavo, gezien over het Spaarne en over een paar straten, te Haarlem, de Marekerk te Leiden (voor zover ze nog niet weg is gebouwd achter kantoorgebouwen), het gezicht van de spoorbrug op Dordrecht, en, vooral, het gezicht op Delft met zijn magnifieke torens. Natuurlijk zal straks iedereen er meer van genieten als hij of zij op school wat (kunst)geschiedenis heeft genoten, maar zoals geldt voor de gehele gebouwde en ongebouwde omgeving: bewust maar ook onbewust draagt een mooie omgeving mee aan het welzijnsgevoel van de mens. Zo zal iemand die maar enigszins een geheugen heeft betreuren dat hij de Laurens in Rotterdam niet meer ziet en dat hij tussen Rotterdam en Dordrecht practisch geheel ondergronds reist. Het valt in steden als Parijs, Londen en New York op dat iedereen die een taxi kan betalen de metro mijdt als de pest, ook de veilige trajecten en ook op minder drukke uren. Zouden al deze mensen aan claustrophobie lijden of zou er toch de realisatie zijn dat een van zijn vrijheid genietend mens niet onder de grond gestopt wil worden?
Indien men denkt dat de landschappelijke hoogtepunten niet zo gauw in gevaar zullen komen vergist men zich. Allereerst wordt allerlei open ruimte langs de oude lijn bebouwd, bijvoorbeeld prachtig, zeer oud weiland (van de al nog voor-Middeleeuwse onregelmatige verkaveling) tussen Voorhout en Oegstgeest en in de gemeente Oegstgeest tussen Leiden en Warmond. Gelukkig zijn er nog op twee plaatsen, in de buurt van de Keukenhof en tussen Leiden en Den Haag, percelen hout afwisselend met weiland in royale maten. Maar al voorbij Delft wordt het open land verkaveld in armetierig kleine terreintjes die een soort park schijnen te verbeelden - in petieterigheid alleen maar wedijverend met de ergste voorbeelden van burgermanstuinen in de achttiende eeuw die ook op klein formaat volkomen volgepropt werden.
Wanneer nu de Minister in de Kamer komt met het idee om de spoorweg langs de binnenstad van Delft tot vier banen te verdubbelen en ondergronds te stoppen is er dan geen openbaar debat nodig en gaat er geen enkel rood lichtje branden bij de Heren en Dames Kamerleden dat zegt - hé, wacht eens even: hoeveel treinen stoppen er eigenlijk per uur in Delft? Waar zijn we nu met z’n allen aan bezig! Degradering van de (economisch zwaksten, de anderen blijken per auto te gaan) tot mollen en dat voor een gigantische kapitaalsvernietiging? Het vierbanenplan is een afzakkertje van plannen om de T.G.V. langs Den Haag te voeren, laten we nu niet onnadenkend fout op fout gaan stapelen. Het viaduct in Delft ligt er al tientallen jaren, indien het zoveel overlast veroorzaakt kan het ingepakt worden in een doorzichtbare plastic omkokering die het uitzicht intact laat maar de geluidsoverlast vermindert.
De Sociaal-Liberale Partij is voor omleiding om Delft van de twee extra sporen - ook al om een alternatief te hebben bij een calamiteit. Enige jaren geleden zou men daarbij kunnen spreken van aantasting van de open ruimte van Delfland, sindsdien wordt er echter tussen Delft en Schiedam een park aangelegd dat - zoals al is gesuggereerd - zo erg de kenmerken van kleinschaligheid, verkokering en pietluttigheid vertoont, kortom een huisje-boompje-beestje park waaraan alleen nog maar het huisje ontbreekt, dat de nieuwe spoorlijn best een paar tuinsteden tussen Delft en Schiedam kan gaan bedienen. (Voor de wijken van deze tuinsteden kan de gele tram worden doorgetrokken).
Helaas komen we nu op Zuid-Hollands Provinciaal beleid ten aanzien van het Groene Hart van Holland en de Randstad er omheen, aangezien de Kamer het niet nodig schijnt te vinden om terug te komen op de zaak ondanks een radicale beleidswijziging die op stapel staat.

Het land als geheel wordt cultureel armer. De grootste geestelijke achteruitgang is de geringere participatie van sociaal zwakkeren aan de cultuur - waardoor tenslotte voor iedereen minder behagen in het geestelijke klimaat ontstaat. Een paar voorbeelden op milieugebied. Zowel waardevolle bebouwde omgeving die door een goed monumentenbeleid in stand kan worden gehouden, als de ruimtelijke planning worden minder. Afbraak van het monumentenbeleid is al een aantal jaren aan de gang, met als „kroon” op de puinhoop de nieuwe monumentenwet van 1988 die monumentenzorg decentraliseert zonder de financiën te decentraliseren of ook maar op voldoende peil te houden en het botte bijltje van Medy van der Laan waarmee de laatste resten van de Rijksdienst voor de Monumentenwet worden gerooid. De eerste monumentenwet was in 1961 tot stand gekomen na jarenlang aandringen van de Oudheidkundige Bond, zij had gecentraliseerde (Rijks-) bescherming aangezien het duidelijk was dat zelfs de bestwillende gemeentes (de grootste hadden eigen monumentenverordeningen) niet tegen de projectontwikkelaars opkonden. Toen al! In 1988 had de Minister het voordeel dat Kees Goekoop inmiddels voorzitter was van de Oudheidkundige Bond, een Burgemeester wiens trouw aan het Ministerie al goed bekend was. Maar omdat het Ministerie geen enkel risico wilde lopen werd er ook nog een „Directeur” gedropt bij de Oudheidkundige Bond, die trouwens ook al het praedicaat „Koninklijke” had gekregen: KNOB in afkorting. Zo werd een verouderde, slaperige en krakemikkige Bond om de tuin geleid en in de Tweede Kamer zorgde het toverwoord „decentralisatie” voor algemene toestemming voor het vod waarmee de Minister voor de dag kwam, dat de bescherming van het patrimoniaat tot practisch nul reduceert (de gemeentes mogen sloopvergunningen afgeven!), van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg een papieren tijger maakt (zelfs die wordt nu geslacht) en van Kees Goekoop, men raadt het, Voorzitter van de Raad voor Cultuur (die de Monumentenraad opvolgde).
De Sociaal-Liberale Partij meent dat gebouwde monumenten - ook als onderdeel van onze nationale identiteit! - voor iedereen van het grootste belang zijn, en dat bescherming landelijk geregeld moet worden. De reden dat de eerste monumentenwet, van 1961, bescherming centraliseerde was dat ook de bestwillende gemeenten, die al voor de Tweede Wereldoorlog monumentenverordeningen hadden, niet tegen de projectontwikkelaars konden opboxen. De monumentenwet van 1988 is in dat (en de meeste andere) opzichten een rampzalige achteruitgang. Beschermde stadsgezichten zijn een wassen neus en de Rijksdienst (die weldra geheel opgeheven zal worden) is verworden tot een papieren tijger. De Sociaal-Liberale Partij stelt voor elk gebouw, elke stedelijke structuur, elk landschap en elke waterloop ouder dan 200 jaar op een Rijkslijst te plaatsen, die afbraak, wijziging, vernieling, demping, enz. verbiedt. Achteraf is dit helaas niet rigoureus voor het aantal te beschermen objecten ouder dan 200 jaar, daar sloop, onherkenbare wijzigingen en vernietiging door veel te ver gaande verbouwingen gemaskeerd als „restauratie”, enz. voor en nog na de inwerkingtreding van de eerste monumentenwet onverminderd zijn doorgegaan, maar wel rigoureus voor de criteria van plaatsing die thans zo niet elitair, dan toch zeker uiterst willekeurig zijn.

Bij ruimtelijke planning bedoelt de Sociaal-Liberale Partij de om zich heen grijpende woekering van hoogbouw, zowel voor kantoren, maar in het bijzonder voor woningbouw.

Allereerst geeft hoogbouw horizonvervuiling. Goedkope bouw - echte revolutiebouw - is hier het probleem. Er is zo weinig geld voor sociale bouw dat de gemeentes steeds meer de gevangenen worden van de bouwers, die wel een aardig wijkje willen bouwen, indien ze dan maar (meestal vlak ernaast, vaak stedebouwkundig zeer slecht gezet in een erop niet berekend bestemmingplan met de genoemde art. 19 procedure) een woontoren mogen bouwen als compensatie. Het spreekt haast vanzelf dat zo een woontoren de minimale verdiepingshoogte heeft, het minimale aantal lifts, enz, en dan nog per flat wordt verkocht zodat afbraak van het geheel aan het eind van de economische levensduur een illusie wordt. Nog tot aan de jaren zeventig was er veel verzet tegen hoge woningbouw omdat men de sociaal-psychologische nadelen ervan inzag. (Er waren in het buitenland steden waar geen hoogbouwflats aan gezinnen met kinderen werden toegewezen). Het is een bekend feit dat een apartement op enige hoogte grote compensatie in vloeroppervlak en verdiepingshoogte moet hebben om geen gevoelens van vervreemding en isolatie op te wekken - deze compensatie is alleen maar te vinden in de allerduurste flats (en toch, wanneer men ziet waar de architecten wonen die deze gebouwen neerzetten, dan is het niet vaak in hoogbouw).
Torens met hun grote invloed op de omgeving zijn bovendien meestal een stedebouwkundige ramp (alleen lange, hoge flatgebouwen zijn nog erger) die zowel de bewoners (die vaak in een andere gemeente blijken te werken) als de „gewone” inwoners van de stad een gebrek aan orientatie en identiteit geven. Het stedebouwkundige concept van de traditionele stad, waarin een toren een culturele meerwaarde had, wordt ontkracht. Torens voor woningen vinden hun oorsprong in bergachtige landen waar hun opvallende, niet gemotiveerde anderszijn, verdwijnt tegen de achtergrond.
Over inpassing van hoge kantoorgebouwen geldt hetzelfde. Een voorbeeld: tot voor kort zag men van de de oude lijn komend uit Haarlem nog het gave silhouet van Amsterdam, nu ziet men ergens naast de Westertoren in de verte de Rembrandttoren opdoemen. En zelfs dat wende tot op zekere hoogte: een symmetrische toren met vier façades (ook zo iets waaraan het bij die hoge woningbouw ontbreekt) die nog vrij alleen stond en een zekere afsluiting in de hoogte van zijn architectuur heeft - totdat er op zekere dag een toren van geheel andere hoofdvorm en architectuur vlak naast was gezet... Nu is die hele omgeving bijna zo lelijk als wat er aan ongelijke, schots en scheef naast elkaar staande „architectuur” door de meest verschillende architecten bij station Amsterdam-Zuid wordt gebouwd.
Bij Rotterdam Centraal kan men zien dat slechts eens in de veertig jaar een gebouw met een wat grof maar fatsoenlijk gezicht (het Groothandelsgebouw) of een toren in een chique kapitalistische stijl wordt gebouwd (op de hoek van Weena en Kruisplein). Wat er vlak naast staat is een expressieloze, schaalloze, gladde glazen doos (of twee dozen) die zijn schoonheid moet ontlenen aan de gratuite reflectie van mooie Hollandse wolkenluchten op de dagen dat het zwerk mooie Hollandse wolkenluchten wil vertonen.

Het gezicht over de Vijver naar het Mauritshuis in Den Haag wordt thans ongunstig bepaald door de hoge uitstraling van Departementsgebouwen helemaal bij het Centraal Station (waar op het ogenblik de fraaiste na-Oorlogse stationshal die de NS ooit hebben gebouwd wordt verkleind voor een van de Provinciale railtrajecten in plaats van traditioneel spoor en kleingeslagen door opdringerige winkeltjes in de publieke ruimte).

Overigens kan het aantal afgevaardigden van de Tweede Kamer tot honderd worden gereduceerd, dan kan ook de nieuwe vergaderzaal aan het begin (of einde) van een passage die zich als een restruimte tussen de oudere bebouwing wringt verlaten worden voor de historische vergaderruimte in de Balzaal van Willem V waar de afgevaardigden meer contact met elkaar en de regering hebben en bijvoorbeeld zonder gebruik van een van te voren besproken „interruptiemicrofoon” spontaan een interruptie kunnen plaatsen.

Dan hebben wij het nog niet eens over niet zo hoge, publieke gebouwen, die door de aard van hun architectuur het centrum (een groen stadhuis in zekere IJsselstad tegenover de grote kerk), of de rand van een stad ontsieren (een museum met een uiterlijk varierend van oud fort tot schroothoop in zekere Metropool van het Noorden).
Over architectuur als belangrijkste verschijning in de openbare ruimte, architecten en restauratie-architecten het volgende.
Bij artsen is de „Eed van Hippocrates” bekend. Het zou sterk aanbeveling verdienen voor (restauratie-)architecten een vergelijkbare eed in te voeren, laten we zeggen de „Eed van Vitruvius” - naar een Romeinse auteur over bouwen en architectuur.
Zo een eed zou kort en krachtig kunnen zijn: „Ik besef terdege dat ik met het geld van mijn opdrachtgever aan de weg timmer”. Maar helaas, helaas, architecten zijn slechte verstaanders voor wie zo weinig woorden volstrekt onbegrijpelijk zijn.
Eerst iets over de opleiding die veel zegt over de huidige misverstanden tussen de architectenwereld en de maatschappij. Tot na de Tweede Wereldoorlog was de Delftse opleiding tot architect-ingenieur een echte bouwkundige opleiding. Met voor de architect onontbeerlijke vakken zoals architectonisch tekenen, wiskunde en toegepaste mechanica, constructies in ijzer, beton en hout. Dan haalde de candidaat zijn ingenieursdiploma en kon hij zichzelf architect noemen. Terecht liet de wetgever er zich niet over uit of men zich terecht of ten onrechte architect noemde - de heren hoogleraren trouwens ook niet, ze lieten het architect worden meestal over aan een geheimzinnig proces „rijpen” genaamd.
Na de beroeringen van de jaren zestig is dat anders geworden. De wetenschappelijk-technische vakken zijn afgeschaft, geheel vervangen door verkoop bla-bla-bla. Waarom dat tegenwoordig nog met een titel van de technische universiteit wordt beloond is geheimzinnig. Misschien wil de universiteit de opleiding (waar ook nog vele buitenlanders een zo begeerd Westers diploma verkrijgen) die relatief goedkoop is tussen de technische studies niet kwijt. Maar de universiteit zou het boetekleed niet misstaan wegens het verkopen van wat niet meer is dan de nieuwe kleren van de Keizer.
Waarom dat bovendien tegenwoordig met de titel van architect wordt beloond is nog geheimzinniger - zeker nu die titel wordt beschermd en daarmee de beroepsorganisatie van de architecten. In een land als Engeland weet men wel beter: de technische opleiding geschiedt aan de universiteit of hogeschool, de titel architect wordt door de closed shop van de architecten verleend met de duidelijke toevoeging door welke organisatie het is gebeurd.

Een afschrikwekkend voorbeeld levert de verbouwing en nieuwbouw voor de rechtenfaculteit van het oude Kamerlingh Onneslaboratorium aan het Rapenburg te Leiden. Wij hebben het in dit verband niet over de flop van de zogenaamde restauratie van enkele oude gedeelten des gebouws of over de schaalvergroting van het na-Oorlogse gedeelte dat al veel te groot was, of over de stad ontsierende aanbouwen, maar louter over de constructie van de grote bibliotheekzaal waar rechtenstudenten moeten leren waar van bedrog te onderscheiden. Daar liggen materiaalverslindende zeer hoge spanten op te veel steunpunten (zodat vele volstrekt overbodig zijn en maar ruimte en geld verslinden) - of ze zijn veel te hoog voor de overspanning, zeker op die punten waar de overspanning veel kleiner is, bijvoorbeeld daar waar als een verdwaalde ruimteschotel een grote ronde lantaarn scheef op de zaal tussen de spanten is geprutst.
Een verdere verkwisting van ruimte en geld is een soort enorme glazen weckfles midden in de zaal waarin een armetierige boom moet proberen zijn bestaan te rekken als een net niet dood reusachtig anatomisch preparaat. Symbolisch waarvoor? Het Floreren van het Recht?
Dit is geen geisoleerd geval: zelfs aan het Rapenburg is een vergelijkbare constructie in het Museum van Oudheden. De droeve waarheid is dat de „architecten” van tegenwoordig geen idee van constructie hebben, maar een idee’tje dat ze lollig vinden schetsen en vervolgens het in elkaar zetten aan technische adviesbureaux overlaten die er geen belang bij hebben om hun klanten erop te wijzen dat deze groezeligheid niets met constructie of met architectuur heeft te maken. Probeer eens de constructieve logica van de Erasmusbrug in Rotterdam te vinden!