Sociaal-Liberaal Manifest - Vervolg toelichting 10

De politieke verschuiving van de jaren zestig heeft geleid tot een desastreuse nivellering, een bijna totale afbraak van het onderwijs. Onderwijs voor iedereen is neergekomen op onderwijs voor niemand. Op het eerste gezicht profiteert hiervan de bovenlaag die van huis uit ’t meeste meekrijgt en die desnoods in het buitenland gaat studeren. Bij die bovenlaag kunnen we dat gedeelte van Nieuw-Links rekenen dat op de kussens terecht is gekomen. Denk aan Tony Blair in Engeland, die zijn kinderen naar dure privé-scholen stuurt. Domhouden van de achtergebleven massa is het eerste parool voor het Nieuwe Pluche. Zodra de macht was overgenomen heeft Nieuw-Links de rechterzijde bereid gevonden samen de politieke en bestuurlijke verhoudingen geheel dicht te timmeren. Verlaten van normatief Nederlands doceren heeft tot een verloedering van het taalgebruik geleid die elke inburgeringscursus belachelijk maakt en de groezeligheid in de regels van de overheid maskeert.Verplichte inburgeringscursussen voor hier al jaren wonenden is huichelachtig en kan niet anders dan arbitrair worden omdat de regering al jarenlang afziet van normatief ingrijpen in het taalgebruik en suspect omdat het de regering misschien te doen is om het terugsturen van mensen die al jaren en jaren in Nederland wonen. Indien deze mensen (van wie men al kan aannemen dat de meeste in hun geboorteland weinig onderwijs hebben genoten) na jaren nog geen Nederlands spreken weet men namelijk dat ze het niet zullen, meestal niet kunnen leren. Langzaam leren is bovendien onmogelijk gezien het al gesignaleerde lamlendig toegelaten of misschien zelfs wel aangemoedigde snelle veranderen van het Nederlands.
Een voorstel om het deel van hier verdiende salarissen dat terugvloeit naar het land van herkomst verplicht voor ontwikkelingshulp te bestemmen is ronduit conservatief, paternalistisch en regelrecht in strijd met de grondrechten. Wij denken dan niet eens aan de onmogelijkheid van een rechtvaardige uitvoering. daarvoor zullen allerlei factoren gewogen moeten worden die een grote kennis van het ontvangende land vereisen. Allereerst talenkennis. Er zal zeker een apart Directoraat-Generaal voor Toezicht op de Spaargelden van Allochthonen moeten worden ingesteld met een aantal topambtenaren die het Turks, het Koerdisch, het Arabisch, het Portugees, het Frans en een dertigtal Berbertalen goed beheersen. Aan salarissen alleen al zal dat alle gewenste „positieve” effecten te niet doen. Of de regeringen van de ontvangende landen (die minder directe ontwikkelingshulp zullen krijgen) „positief” zullen reageren valt te bezien. Waarschijnlijk zullen ze proberen de terugvloeiende gelden met behulp van de Nederlandse overheid om te zetten in duurzame leningen (zonder rente natuurlijk in de Arabische landen) die heel misschien aan de kleinkinderen van de gedwongen schenkers terugbetaald zullen worden.

Dus meer wiskunde onderwijs, geschiedenis, vakken als logica en kunstgeschiedenis, verplicht naast Nederlands twee voor ons in de E.U. belangrijke talen, ofwel Engels en Frans ofwel Engels en Duits, bij talentvolle leerlingen aan te vullen met een derde vreemde taal, bijvoorbeeld Italiaans of Spaans. Wanneer wij in een fameuse universiteitsstad in de grote schoolboekhandel geen enkel Frans boek tegenkomen, en in de universitaire boekhandel één plankje met Franse romans dan slaat ons de schrik om het hart. Betekent het einde van de culturele banden met Frankrijk niet ook het einde van de economische uitwisseling en invloedsverlies in Europees verband?

In verband met het „Gebouwde Milieu” vinden wij enige kennis van architectuurgeschiedenis vereist. In het lager onderwijs dient plaats te worden ingeruimd aan plaatselijke geschiedenis en cultuur; in het voortgezet onderwijs aan nationale en internationale geschiedenis en cultuur. In een verenigd Europa zal ieder kind enig begrip van andermans geschiedenis en cultuur moeten hebben, bijvoorbeeld wanneer Italië een eenheidsstaat is geworden, waar Polen de laatste vijfhonderd jaar heeft gelegen, wat tot het extreme nationalisme en de rampen van de 20ste eeuw heeft geleid, maar ook wie Rembrand, Michelangelo, Spinoza, Bach en Chopin waren.
Zoals al benadrukt meent de Sociaal-Liberale Partij dat zolang het onderwijs achterblijft in algemene vorming er gestreefd moet worden naar snelle invoering van examens voor het passieve kiesrecht. Te denken valt aan plaatselijke geschiedenis, cultuur, architectuur, stedebouw en sociale structuur voor gemeenteraadsleden, en hetzelfde op regionaal en nationaal gebied voor leden van Provinciale Staten en de Volksvertegenwoordiging respectievelijk. Indien deze clausulering ook wordt toegepast op candidaten voor het Burgemeestersambt, kunnen Burgemeesters zeer wel met directe verkiezingen worden gekozen - indien natuurlijk eerst het Burgemeestersambt goed gedefinieerd en afgebakend wordt. De Sociaal-Liberale Partij is voor handhaving van plaatselijke afdelingen van een landelijk politiecorps in voor de burgers overzichtelijke districten, zodra deze districten meer dan één gemeente omvatten komt de Burgemeester niet meer in aanmerking als hoofd, maar dient er een (eventueel districtsgewijs gekozen) Commissaris te komen. Verkiezingen voor Burgemeesters en Commissarissen dienen niet voor even lange periodes en op dezelfde data te geschieden als de Gemeenteraadsverkiezingen.
In het duale stelsel voor gemeenteraden dienen Wethouders zeker het plaatselijke examen af te leggen. Uiteraard gelden overeenkomstige overwegingen voor Ministers. Een verbeterd onderwijs en een passief kiesrecht dienen te leiden tot een critischer opstelling van de Volksvertegenwoordigers ten opzichte van de verlangens van de Industrie. Zelfs voor het Europese Parlement is de Sociaal-Liberale Partij voor geclausuleerd passief kiesrecht met een examen dat beoogt te garanderen dat de candidaten genoeg kennis van Europa als geheel hebben, maar toch sterk genoeg in hun nationale schoenen staan om op te komen voor de Nederlandse identiteit.

(Computeronderwijs)
Het aanleren van trucs kan beter, zoals vroeger het typeonderwijs, aan particuliere instituten worden overgelaten - indien de jeugd althans niet handig genoeg is om de kunstgrepen van elkaar te leren.
Wat bijvoorbeeld nuttig zou zijn was een systeem dat luid gaat piepen zodra een op school of aan de universiteit ingeleverd werkstuk in zijn geheel of gedeeltelijk al ergens op het internet voorkomt.

(Milieu & Economie)
Er moet een openbaar debat komen over de doelstellingen van de economie. Op het ogenblik lijkt het er op alsof er ondanks een eeuw economische wetenschappen nog maar één middel is om de economie aan te zwengelen: groei. De negatieve effecten van die groei worden nog steeds bestreden met ad-hoc maatregelen tegen milieuvervuiling. Terwijl juist de verbetering van het milieu in het algemeen in de plaats van groei kan komen, te denken valt aan de horizon- en de stedebouwkundige vervuiling van hoogbouw, waarvan begonnen kan worden met de vervanging van hoge woningbouw door sociaal-hygiënisch, qualitatief en stedebouwkundig verantwoorde lage bouw. Elk jaar bijvoorbeeld vervanging van enkele procenten van alle minderwaardige woningen en bouwwerken die aggressief tegen het milieu zijn moet niet alleen qualitatief maar ook quantitatief een enorme impuls zijn voor het bouwvak. Consolidatie in het algemeen, en alleen groei van de economie waar „groei” tot verbetering leidt, bijvoorbeeld bij de bestrijding van armoede, ziekte en ongelijkheden.
Een paar voorbeelden op landelijk milieuterrein. Op kracht van een paar buitenlandse onderzoeken schijnt men overdag licht voeren van auto’s, ook in de stad, verplicht te willen stellen, ondanks de nadelen van sterkere belasting van het milieu. Aangezien er kennelijk bij geen één kamerlid een lichtje gaat branden bij zo een voorstel dat op misschien gevaarlijke manier de industrie bevordert, wenst de Sociaal-Liberale Partij een debat en op zijn minst onderzoek over de grotere of misschien kleinere veiligheid van fietsers en voetgangers in de bebouwde kom bij invoering van zo een maatregel. Misschien kan bij het examen voor het kamerlidmaatschap gevraagd worden om enige tijd bij donker door de Nederlandse binnensteden gefietst te hebben.