Sociaal-Liberaal Manifest - Vervolg toelichting 1

Zie het artikel van Frank Ankersmit in NRC-Handelsblad, 20 October 2005, en de emotionele, niet-doordachte en niet ter zake doende reactie van Paul Frissen.

P.S. Op 3 November heeft die krant weer twee reacties geplaatst, helaas onder de ene, nogal misleidende titel „Privatisering van [de] Publieke Sector is geen Ramp”. Het tweede artikel leidt hier en daar onder fraaie verbiage die niet nader verklaard wordt, zoals dat „een lineaire ontwikkeling naar steeds meer staatsinvloed niet houdbaar is”: dat is mooi, maar dan moet de schrijver wèl aangeven of een schoksgewijze of, misschien, exponentieele, ontwikkeling wel houdbaar is. Als hij nu gewoon „ontwikkeling” had geschreven (hij heeft immers al „steeds meer”) hadden we meteen begrepen wat hij bedoelt. Verder schrijft hij dat „betere vormen van regulering” terecht worden gevraagd en dat slechts de uitwassen moeten worden aangepakt, zij het behoedzaam. Hij meent dat Ankersmit geen ruimte voor ontwikkeling biedt en dat het vereist is voor het huidige debat dat hij de „confrontatie met de huidige feitelijkheden” aanga. Wat dat laatste ook precies is, het zal toch nodig zijn eerst de diagnose te stellen, de vinger op de rotte plek te leggen (van de, ook mijns inziens ondemocratisch voortetterende Quango’s). En dat is nu juist wat Ankersmit als historicus doet, hij roept om een tweede Thorbecke, hij preten-deert niet er een te zijn. Wat doet nu de schrijver van het tweede artikel, Ferdinand Mertens, die zich aandient als hoogleraar Toezicht aan de Delftse T.U.? (in de tijd dat ik er studeerde reikte toezicht van het schoonmaken van de gebouwen tot het aantal uren college dat de hoogleraren gaven en van het financieele beheer tot het morele gedrag van de studenten). Hij laat na te melden wat zijn functie eigenlijk inhoudt en of die functie niet een aangaan met de feiten van de dag vereist, eerder dan van een historicus. Als hij zich nu eens voorgesteld had! Hij vindt het belangrijker zijn eigen artikeltje te beginnen met een portret van Ankersmit in een Jugendstil stoel, aardig hoor, maar tendentieus en weinig bijdragend tot de discussie. Kom op Ferdinand Mertens, laat je zien als een tweede Thorbecke!
Het eerste artikel, van Kutsal Yesilkagit, is ronduit pernitieus, omdat de geachte schrijver net doet alsof hij Ankersmit in het geheel niet begrepen heeft. Hij „geeft toe” dat „quangoisering tot aanzienlijke coordinatieproblemen kan leiden” - precies de angst van een bestuurder wie de democratische uitwerking van de quango’s worst zal wezen. Hij wil maar niet begrijpen dat het Ankersmit niet in de eerste plaats om de efficiëntie van het bestuur gaat, maar om het veel grotere goed van de democratische controle dat we bezig zijn te verliezen. Hij gaat zo op in verwijten over de historische inleiding dat hij wat wezenlijk en belangrijk is van Ankersmit’s betoog geheel uit het oog verliest. Ik zie ook de parallellen tussen het Ancien Régime en Balkenende’s organisatie niet, maar mij leek het een bloemrijke vrijheid van de historicus om meer aandacht voor zijn diagnose te trekken. Wie ben ik trouwens om er aanmerkingen op te maken die zijn manifest met Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap begint?
Ankersmit is bezorgd om de ontwikkeling van de laatste decennia, maar Kutsal Yesilkagit doet net of hij de Nederlandsche Bank op het oog heeft - quod non. De Nederlandsche Bank bestaat al sinds 1814 en haar organisatie wordt uitgebreid bij de wet geregeld; overeenkomstige overwegingen gelden voor de door de schrijver genoemde vroeg 19de-eeuwse Amerikaanse instellingen. Hij meent dat het voor het behoud van de democratie genoeg is dat „politici” voor de quango’s „slim delegeren” en „adequate verantwoordingsarrangementen” ontwerpen. Dit is een treffend staaltje van de Nieuwe Groezeligheid, het lijkt alsof de schrijver nog nooit gehoord heeft van de scheiding der machten