Voor een nieuwe Randstadprovincie en Semi-sneltramwegen zie de pagina Centraal-Holland

Kuyper’s Kroniek

Leiden, Augustus 2006, Toegift op Londen 29/6 tot 2/7

Een vriendelijke lezer maakt mij er op attent dat ik in mijn verhaal over Stoppard’s Rock’n’Roll (denk vooral om de twee afkappingstekens!) het Coala-beertje en de Panda met elkaar heb verward. En zo is het. Heb dank, vriendelijke lezer. Maar intussen heb ik nog een stuk van Stoppard over Praag onder het communistische régime gelezen, Professional Foul, een T.V.-stuk uit 1977. Vrij kort, een vijftig pagina’s en, verkwikkend, „slechts” 16 scènes. Een T.V.-stuk stelt natuurlijk heel andere eisen aan de acteurs, vooral door de close-ups, maar toch geeft een beperking van het aantal scènes al een grotere concentratie op de handeling - in de uitgave van Rock ’n’ Roll, die wat meer dan twee keer zo lang is, wordt het aantal scènes niet geteld, maar ik denk dat het wel drie of vier keer zo veel zijn - en ook hier is de dreiging van het bewind veel reeeler en grimmiger. En hierin komt de oorspronkelijke uitdrukking voor, en in logisch verband: caught like a rabbit in the headlights, zodat Stoppard bijna dertig jaar later vond dat hij de uitdrukking tot in het onbegrijpelijke moest metamorphoseren.
Een ander T.V.-stuk, Squaring the Circle, van 1984, speelt in Polen met Lech Walesa (sorry, Polen, jongens, ik kan de juiste spelling niet krijgen op mijn p.c. : er moet een streepje door de l om aan te geven dat zij heel dik wordt uitgesproken, wel als de Engelse w, en een cédille onder de e om aan te geven dat die als de i in het Franse „vin” klinkt), deze Solidariteitsleider dus, in de hoofdrol. Dit spel, van een 70 pagina’s druks, telt, welgeteld, 122 (honderd-twee-en-twintig) scènes, een flakkerende veelheid, heen en weer springend van gigantische scheepswerven en vakbondsvergaderingen (haast Eisensteinsiaanse verbeeldingen) naar Walesa’s huiskamer (vrouw met zes kinderen, zevende op komst) naar Brezhnef’s vacantieverblijf aan de Zwarte Zee. Het stuk speelt in de jaren 1980-1981, maar door de duizelingwekkende versnelling in de politiek en het voortdurend van hun voetstukken vallen der partijbonzen is er toch een narrator nodig om veel situaties uit te leggen. Geef mij maar het ingénue meisje, maar Stoppard wou realistischer en grimmiger zijn - het laatste bereikt hij, maar die verteller geeft weer onnodige distantie. Maar ja, 7 pagina’s met historische data en feiten, die aan de gedrukte versie van Rock ’n’ Roll zijn toegevoegd, is ook niet alles. Toch ben ik na het lezen van Squaring the Circle naar de bibliotheek gerend om te zien hoe het afliep. En zie, die vakbondsman, die we midden in 1981 achterlaten te midden van mede- of tegenstanders van sterk verschillend kaliber, openheid en invloed - we noemen al Brezhnef, maar er zijn natuurlijk nog de nodige vakbondsmannen, intellectuelen, politici, de politie, het leger, Generaal Jaruzelski, Amerikaanse financiers, priesters, Aartsbisschop Glemp en de Paus (Walesa was immers zoals zoveel Polen bij het bigotte af Rooms) - Stoppard symboliseert het „open end” door één en dezelfde partij kaart tussen Jaruzelski, Glemp en Walesa met twee mogelijke uitkomsten te laten spelen - diezelfde vakbondsman brengt het vijftien jaar later (1990-1995) tot President van Polen! Geen geringe prestatie, sorry Lech, ik bedoel van Stoppard, van jou weet ik gewoon te weinig - heb je het op eigen kracht gedaan of was je slechts een marionet van Wojtyla?

En: Toegift of geen Toegift, that’s the Question

De reden om deze historische stukken te zien en te lezen is natuurlijk dat ik zelf aan zo een stuk bezig ben. Het is in Juli en vooral in Augustus met het koelere weer goed opgeschoten, dank je lezers, maar als het nog eens tot uitgave of spelen komt (één van de hoofdfiguren, die nog leeft, sprak bij een interview hoopvol: „het zal je wel moeite kosten om het opgevoerd te krijgen”) en inderdaad, het is geen huiskamer of sit-com met beperkte cast, neen, een beetje historisch toneel kan bij mij niet zonder voldoende personen - bestaat de spanning van de geschiedenis niet voor een groot deel uit de onverwachte varieteit van de dramatis personae? Een verteller vermijd ik door projecties met informatie, het ingénue meisje is er nog wel, maar het wordt wat serieuzer en reeeler, hoop ik. Titel noch pseudonym kan ik verklappen - zoals Frits Bolkestein verklaart in de tweede, niet meer anonyme versie van zijn (eerst in het Engels geschreven) Floris V (een sujet aan wie ik in mijn studententijd ook eens een toneelstuk heb gewijd, zalig onwetend van de vele die er ook toen al waren) : (toen hij voor de VVD lid van de Tweede Kamer wilde worden) : „Men zou het daar merkwaardig vinden dat iemand vrijwillig afstand deed van een interessante loopbaan; zou die persoon daarnaast moeten erkennen een toneelstuk te hebben geschreven, dan zouden zijn kansen die partij te vertegenwoordigen, zo vreesde ik, tot nul dalen”. Tot zover Bolkestein, helemaal afgezien natuurlijk van de vraag of je in de Tweede Kamer je kiezers of je partij vertegenwoordigt.


Londen, 29 Juni tot 2 Juli 2006

De laatste Donderdagmiddag van Juni tot de eerste Zondagochtend van Juli in Londen, in de eerste plaats om een paar toneelstukken te zien over onze plaats in de wereld en in de politiek - natuurlijk om die plaats ook voor me zelf nader te bepalen - en naar enkele musea. En, wegens het mooie weer, stomweg wat van de stad en de kades langs de Theems te genieten. Had bijna „over het mooie weer” geschreven, dat komt door het tweede toneelstuk dat ik heb gezien, Mike Leigh’s jarenlang verbeide familietoneel. Voor het eerste, Tom Stoppard’s Rock ’n’ Roll, heb ik bijna twee-en-een-half uur moeten queue-en, een record voor mezelf en voor dit laatste, nieuwste, kersverse stuk van Stoppard toch wel wat veel, hij wordt namelijk wat sleets, repetitive.
Maar eerst over de musea, dan is er enige continuiteit met wat ik nu al weer bijna een maand geleden over een zekere exhibitie in Amsterdam heb opgemerkt.
Vind een hotel in Bloomsbury, dat kan ik iedereen aanraden die maar een paar dagen heeft. Wijk niet te ver af van de Piccadilly-line van de metro, dat scheelt je veel tijd. Eerste hotel is vol, dan maar het Imperial Hotel. Niet erg opgewekte prijs-qualiteit verhouding. Had er altijd eens willen slapen. Heb namelijk in 1967 een paar maanden in Londen gewerkt - ook tijdens zo een hete zomer - vlakbij het Imperial dat toen een onvoorstelbaar lelijk en tegelijk onvoorstelbaar verrukkelijk protserig Edwardian gebouw had, kortom, zoals je je de uitwassen van het Imperium (kortweg Empire) kon voorstellen en iets van onvoorstelbare weelde voor mij als net afgestudeerde. In de winter van 2005 toen ik één dag en één nacht in Londen ben geweest (voor Turner’s zee- en Gran’ Canalgezichten) en ook weer dat andere hotel (waar ik eerder was geweest) vol vond, heb ik al kennis moeten maken met het Imperial nieuwe stijl. Het Edwardiaanse, zelfs een beetje Jugendstil-achtige dolzinnige puddinggebouw was afgebroken (de duitsers zeggen, geloof ik, abgerissen) en door een gewoon lelijk nieuw gebouw vervangen - drab is het Engelse woord voor dergelijke architectuur. Hè wat een zunige sfeer in dat hotel. Of ik een pincode op mijn Visa heb. Alsof ik die ken. Andere kaarten doen het opeens niet. Minimaal smalle kamers, matig sanitair, enz. Als krant ’s ochtends de Irish Independent - niet omdat ze Iers of Rooms of beide zouden zijn, maar omdat ze die krant gratis krijgen. Matig ontbijt, alleen die vette glorie van die traditionele Engelse vis in gele saus die best lekker is en je intens het gevoel geeft dat je in Engeland bent - verkas zo gauw mogelijk, zelfs de Bijbel van de Gideonsbende in het nachtkastje (ook zunig, zonder de apocryphen) kan me niet weerhouden. Krijg een week-end prijs van maar 109 pond per nacht in het Hotel Russell waar ik wou wezen. Kamer wel is waar gemoderniseerd, maar exterieur en interieur zoals de eetzaal nog in de lekkere soppige stijl of geen-stijl van het begin van de eeuw. Aan Russell Square zoals een jaar of vijf geleden, maar toen was de kamer groter en had ze dubbel glas tegen het straatlawaai. Maar nu een badkamer van grote luxe en airconditioning en een goed zakje thee bij het theeapparaat - de thee bij het Imperial is zo vies en bitter dat ik blij was voor alle zekerheid een zakje Twining’s uit Holland te hebben meegesleept. Een mensch schleppt wat als hij een dagje uit gaat! (- alweer in anticipatie op Mike Leigh’s stuk met de veelzeggende titel Two Thousand Years).

En een ontbijt waarop je tot laat in de namiddag mee door kunt lopen. Van corn-flakes (de echte, goede, die nog niet naar bordcarton smaken) tot scrambled eggs, van bacon tot grote, net rijpe pruimen, van quark tot hazelnoten, van mandarijntjes tot vruchtensappen, van bloedworst tot croissants, van toast met marmelade tot toast met honing... nou ja, noem maar op, en de Times - welks typographisch design ook niet meer alles is - en van die vis die ontbreekt tot en met thee, en koffie die je zelf maar moet proberen, want dat riskeer ik niet. Dat was een ongelooflijke kwelling, dat werken in Londen in 1967 en de hele dag op Southampton Row goeje koffie ruiken: daar was ergens een magazijn, en goeje koffie werd wel aangevoerd, maar wat de Engelsen er vervolgens mee deden tart elke beschrijving. Influx van Italianen en Zuid-Amerikanen heeft veel goed gemaakt: de franchise winkels met Costa schenken zelfs (nou ja, in carton, op z’n Amerikaans, maar toch) een goede cappuccino.

Als ik nu als zo een gidsje heb uitgeweid over hotels en voedsel (en oja: van Gatwick, maar ook terug, kun je voor 10 pond een treinkaartje krijgen gecombineerd met vrij reizen op de underground voor de rest van de dag - en op de bus, zodat ik nog even een ritje heb gemaakt springend op het rijdende achterbalcon van lijn 9, net zo als in 1967, en nu nog de enige bus met open achterbalcon!), nu mag ik, hoop ik, lieve lezers, naar de musea. Brits Museum: ach, waar is de dichte, labyrinth-achtige ombouw van de leeszaal gebleven... Als een enorm grafmonument is de leeszaal (waar ik het eerste onderzoek heb gedaan voor mijn Dutch Classicist Architecture), die je je eigenlijk alleen in donker hout kunt voorstellen, ingepakt in een blanke natuurstenen cylinder, als een ware Moles Hadriani, een geweldig grafmonument waarvan de resten beroemd zijn als het Castel Sant’ Angelo - geen lees-museum meer, maar een lees-mausoleum.

De Elgin Marbles zijn er, Godzijdank, nog als vanouds. In een wirwarrende wolk waar je je vanzelf het opgewaaide stof voorstelt oversnijden paardenpoten, paardenpielen en paardenbuiken met spatachtige aderen elkaar en de voeten van de rijders, uit die cacophonie van onderdelen rijzen dan de soepele lichamen van de ruiters, gedeeltelijk nog tegen bolle paardenbuiken afstekend en de nobele paardenhoofden.

Godzijdank heeft Griekenland de Marbles nog niet teruggekregen - ik vind alles goed en wel, maar dan zouden ze ook het Parthenon geheel moeten herstellen (waar het fries met de ruiters vrijwel onzichtbaar was) en natuurlijk de oude Griekse cultuur compleet met godsdienst en physiek. Aan omgekeerde ethnic cleansing doen en alle Mediterane mannetjes en vrouwtjes vervangen door de godgelijke creaturen die we van de sculptuur kennen... Dat zogenaamde monotheisme met de inhaerente intolerante waarheidsclaim weer door de oude Olympische Godheden vervangen! En om consequent te zijn de hand in eigen boezem steken en alle godsdiensten met zo een claim afschaffen - inclusief besnijdenissen, drie-eenheden en de hele rataplan - hup Jodendom, Christendom & Islam! Zou Ajaan Hirsi Ali hier hulp kunnen bieden?

In Hampstead op zoek naar Kenwood House zie ik een mijnheer lopen met een keppeltje op. Op het eerste gezicht een volkomen normale mijnheer als duizenden andere vreedzame, eerbare burgers, rustig wandelend in zomerbroek en overhemd, maar toch met dit ene distinctief, het calotje op het hoofd, waarmee hij zich als orthodoxe Jood afficheert. Kenwood House had ik altijd al willen zien, maar het was er nooit van gekomen, stel je voor een landhuis in een weids park op een heuvel die over Londen uitziet, verbouwd door Robert Adam in 1767 met een juweeltje van een bibliotheek, Neo-Classicistisch, maar nog met menselijke maat en verfijnd detail (heel wat anders dan Smirke’s dorre, geestloze Brits Museum van 1847) en een kleine maar schitterende schilderijencollectie met, om een paar hoogtepunten te noemen, een Aalbert Cuyp (riviergezicht op Dordt), een Vermeer en vooral dat heel late zelfportret van Rembrandt met de cirkel.
Bij zijn heel kleine portretje met de grote schildersezel, laat ik het Rembrandt voor zijn Opdracht noemen, stond hij nog even te aarzelen of hij een tweede Apelles zou worden, nu is hij het. En hij durft ook te signeren met de cirkel.

Het verhaal gaat dat de Classieke Griekse schilder Apelles, de grootste van alle, een ver weg wonende schildersvriend opzocht en hem niet thuis vond. Met één grote ronde beweging trok hij toen een cirkel op de muur van het atelier, een cirkel zo perfect dat niemand anders hem getrokken kon hebben. Het werd later van Giotto gezegd, en zo is het verhaal via Vasari in Van Mander’s Schilderboek terecht gekomen waar Rembrandt het heeft gelezen.
Kijk je goed, dan zie je nog een gedeelte van een tweede cirkel - het verhaal was namelijk nog verbazingwekkender: twee perfecte cirkels die door een perfecte rechte elk in twee volkomen gelijke helften werden verdeeld. Goed zo Van Rijn, dank je Van Rijn!
Zondagochtend nog door de National Gallery. Wat hangt Rembrandt’s Teken aan den Wand (Het Feest van Belsazar), net terug uit Amsterdam, toch mooi in de gerestaureerde zaal met haar architectonische geleding en natuurlijk licht door een bovenlicht!
Toen ik die vrome mijnheer met zijn keppeltje op zag, stond meteen die mooie scène uit Mike Leigh’s Two Thousand Years me weer voor de geest: die ontzetting in dit seculiere Joodse gezin waarover het toneelstuk gaat wanneer de lummelende, wel-afgestudeerde-maar-tot-geen-baan-gekomen zoon des huizes plotseling een keppeltje draagt, gebeden in het Hebreeuws reciteert en kosher eten verlangt. Allen in deze familie van drie generaties zijn Zionist geweest en in een kibboets, allen zijn ze teruggekomen om vrij van de orthodoxie in Engeland verder te leven. Leigh voert overtuigend een politiek zeer bewust gezin op dat voortdurende met het gewetensconflict zit van de sympathie voor de (oorspronkelijk seculiere) Zionisten en afkeer van de rechtse, onderdrukkende en coloniserende, door de orthodoxie gegijzelde Israelische regeringen. Verrukkelijk spel dat volkomen recht doet aan de warmbloedige familie met van tijd tot tijd de nodige opwinding, Jiddische overdrijvingen, mopjes en kibbelpartijen. Het is verademend te zien dat de hoofdfiguren bij al het idealisme dat ze over het Zionisme hebben gehad, inclusief het in Israel in practijk brengen, (wat voor Engelse Joden nu niet zo direct voor de hand ligt) zich moreel met alle macht te weer durven stellen tegen het beleid van bezetting en onderdukking van de Israelische regering.
Zaterdag blijkt de keuze van het stuk voor de matinée, Adamson’s Southwark Fair (zoek de uitspraak van Southwark op om je niet belachelijk te maken!) een vergissing: het gaat over de ziele-, zeg maar de lichamelijke roerselen van een homosexuele man, goed gespeeld maar een te eng onderwerp, en weinig verheffend door de auteur opgepept door op de eerste bladzijde over Auschwitz te reppen dat verder met het stuk niets te maken heeft.
Die laatste avond de laatste adaptatie van Bertold Brecht’s Galileo Galilei gezien. Merk dat alle Engelse toeschouwers voor het prima spel komen en de stupide text voor lief nemen. Toch heeft de adaptatie van David Hare (de text was nog niet gedrukt voorhanden) geloof ik het uiterste gedaan: de middelste scène is zelfs vermaakt tot een kleine, fonkelende opera! Hadden ze maar een Kurt Weil gehad om van het geheel een Galilei’s Opera te maken - eigenlijk de enige manier om de leerstellige Marxist appetijtelijk op te dienen. Mooie titelrol van Simon Russell Beale.

Tom Stoppard’s Rock ’n’ Roll - ik heb dit verhaal wel gedateerd de dagen dat ik in Londen was maar dit einde is van een aantal weken later nu ik het stuk wat gerumineerd heb, het heb gelezen plus nog wat ouwetjes van Stoppard en grotendeels over mijn grenzeloze irritatie heen ben dat ik na zo lang op de stoep zitten zonder een kop thee (nou ja, ik had wat druiven bij me, de schillen liggen misschien nog op Sloane Square) en, erger, niet gepist kunnende hebben omdat ik mijn kaartje precies bij het aangaan kreeg - kortom, dat na zo een beproeving er nog de extra physieke kwelling bijkomt van keiharde rock muziek voor, tussen en na de scènes waarvan ook dit stuk tientallen schijnt te hebben. Het is dezelfde reden waarom ik in Holland niet meer naar de bioscoop ga: ze zien kans elke film met oorverdovend lawaai te verpesten. De aanleiding voor het barbaarse repeterende acoustische geweld ligt, zoals de titel al suggereert, in de opzet van het stuk. Het speelt afwisselend in Cambridge en in Praag, beginnend bij de repressie in 1968 (en eindigend omstreeks 2000, Václav Havel is naar de première gekomen) en pretendeert dat de Westerse rock and roll een belangrijke factor is geweest in het Tsjechische verzet - wel, het eerste wat ik mij van de Oorlog herinner is dat Radio Oranje niet hard aan mocht staan omdat je er van de Moffen niet naar mocht luisteren. Zo luid de aandacht vestigen op subversieve activiteiten was en blijft natuurlijk uit den boze. Maar de parallelle geschiedenis van een aantal Tsjechen die in min of meer vrijwillige ballingschap in Cambridge in de spheer van de Universiteit leven, leidt tot een flakkerend heen en weer pendelen van de actie van daar naar Praag en vice versa, terwijl het grote tijdsverloop wel eens onduidelijk maakt of we nog met de hoofdpersonen of hun kleinkinderen te maken hebben. Zo is een gewone grol in Stoppard’s stukken het jonge meisje dat heel ingénue allerlei hoogst intellectueel en snijdend commentaar geeft - bijvoorbeeld in Arcadia werkt dat buitengewoon vermakelijk - maar hier is dat opgesplitst in een hyperintellectuele moeder (die classiek Grieks doceert) met middelmaat dochter en weer hyperintellectuele kleindochter. Door de dubbelrollen is het ook niet altijd meteen duidelijk wie nu wie is en je moet ook razend goed in de gaten houden of je nu in Praag of in Cambridge bent. Dat is een intellectueel spel dat bij goede acteurs en perfecte timing niet te veel afleidt, bezwaarlijk is wel dat te veel van die intellectuele woordspelingen niet overkomen. They fall flat, om de Engelse uitdrukking te gebruiken.
Die woordspelingen worden in zijn andere toneelstukken meestal gecompenseerd door eenvoudiger puns of effecten, zodat je en een vermakelijk toneelstuk hebt en een uiterst interessant stuk om te lezen. Een droevig voorbeeld, al van p. 19 van de gedrukte text. De „Griekse” Eleanor opent de deur voor iemand die zegt dat hij een kennis van haar man is en vertelt haar man achteraf: „I opened the door to him without my falsy and didn’t catch on till he kept staring at my face - he daren’t drop his eyes, it scared him. Doesn’t she know she’s only got one tit? I should keep a bow and arrow handy to put people at their ease - yes, it’s toxophily, the big T, irreversible, thank you, no sacrifice is too great.”
Haar man die ook wel wat verbaasd is over deze uitbarsting zegt alleen maar „Eleanor” waarop zij verder gaat: „He was sucking on a lozenge, he offered me one, gazing into my eyes and breathing eucalyptus at me like a koala caught in the headlights.”
Volgt een extra, wel zoveelste verzekering van haar man dat hij toch van haar houdt en een snelle, wel zoveelste intieme verzoening, die hij eindigt (inmiddels op de volgende bladzijde) met een half onschuldig rijmpje (waarin achter en voor door elkaar worden gehaald, maar waar eindelijk het wood „Amazone” waarop we zaten te wachten voorkomt): „My Amazon. Just don’t lose half your bum, that’s all.” (M.a.w. dan zou hij helemaal niets meer hebben) - waarop dan weer haar ingewikkelde etymologische vertoog volgt, echt iets voor een gepromoveerde Graeca: „I had Amazons in my doctorate... false etymologies. Mazos, a breast - amazos, breastless. It makes sense of you’re Greek, but there is nothing about a tit short in Homer, Aeschylus, Herodotus, only killer feminists all round, and vase painters did two-breasted Amazons... (etc.).
Zelfs om te lezen wat gewrongen en wat veel op elkaar. The „falsy” is een prothese omdat een borst wegens kanker is afgezet, „didn’t catch on” zou je kunnen vertalen met „had niet in de gaten wat er aan de hand was”, „Doesn’t she know she’s only got one tit?” is noch door aanhalingstekens noch door cursivering afgebakend zodat ik het voor het minste gemak van de lezer maar toevoeg, toxophilie is liefde voor de jacht, en of pijl en boog wel het gewenste effect zouden hebben is de vraag - het lijkt meer een (vergeefse?) poging van Stoppard om de toespeling op een Amazone duidelijk te maken. Overbodig te vermelden dat het publiek alleen reageert en (hard) lacht om „He was sucking on a lozenge, he offered me one, gazing into my eyes and breathing eucalyptus at me like a koala caught in the headlights.” Tja, een koala is echt een dier om zich uit het woud met zijn geliefde grassen op een autoweg te wagen en dan in de koplampen zichtbaar? hoorbaar? en als een soort reukoffer? een eucalyptusgeur uit te scheiden. Of bedoelt ze met „headlights” haar ogen? Is er dan soms een band van de auto afgezet?
Maar ja, Stoppard heeft inmiddels een grote naam als toneelschrijver, dus het publiek, dat denkt dat dit erg geestig is bedoeld (of misschien vinden sommigen het oprecht leuk) en dat geld heeft betaald - wat zeg ik, misschien wel lang in de rij heeft gestaan - om hier te komen, buldert van het lachen.

De uitermate snelle en slimme meisjes werken prima als (om een schildersterm te gebruiken) repoussoirs in zijn comedies, maar hier, waar hij bloedserieuze politiek wil beschrijven had de dosering wat gematigder moeten zijn. Maar dat is de grote moeilijkheid van subversieve acties beschrijven: die rock ’n’ roll was een (niet getolereerde) steun en toeverlaat, net zo als wij onder de bezetting steun en toeverlaat vonden bij uiterst kinderachtige grapjes, liedjes (b.v. het „Op de hoek, van de straat, staat een orgeldraaier, ’t is geen man, ’t is geen vrouw, ’t is een landverrajer - hij verkoopt zijn Vaderland voor wat losse centen”) en het planten van Margrieten in de voortuin - maar zodra de spanning van de ketel is blijkt er honger naar de grote kunst te zijn ontstaan. Zo heeft in mijn ogen de Tsjechische graphiek zijn ingewikkelde, subversieve spanning verloren na 1989 - terwijl, vreemd genoeg, dat liedje over de orgeldraaier dat ik als kind al leuk vond alleen maar aan zeggingskracht heeft gewonnen toen ik me - vele jaren nadien - realiseerde dat de pun dubbel was: het verkopen van Volk en Vaderland.
Kortom, in zijn korte en eerdere (1980) Cahoot’s Macbeth dat geheel in Praag speelt - geschreven voor zijn Tsjechische vriend de toneelschrijver Pavel Kohout wie verboden was te werken maar die erin was geslaagd illegale voorstellingen gewoon bij mensen thuis van Shakespeare’s Macbeth te geven, met een paar acteurs nog wel die een speelverbod hadden! - in dat stuk voelen we veel onrustbarender de dreiging van de Communistische politie en bespionnering.
En ook, wat in vergelijking toch opvalt, omdat hij zich daar aan de - in de Renaissance geformuleerde - eenheid van plaats, tijd en handeling houdt.


7 Juni MMVI - Uit de verzonken kunstschuilkelder. Is non-architectuur bevordelijk voor het exposeren van Rembrandt en Caravaggio?

Alsof het niet erg genoeg is dat het Rijksmuseum in 1606 plus 400 nog niet klaar is, is de tentoonstelling van Rembrandt en Caravaggio opgesteld in het Van Goghmuseum. Niet in de opgewekte, heldere en overzichtelijke eerste bouw naar plannen van Rietveld, Van Dillen en Van Tricht (geopend in 1973), maar in de afgrijselijke verzonken bunker erachter in en op en onder en erg aggressief aanwezig op het Museumplein. De hoofdvorm is een gesloten prismatische silo waar de helft aan de kant van het oude gebouw tot op meters beneden het maaiveld is verzonken zodat daar een sombere natte berenkuil is ontstaan. ’t Lijkt wel wat op de areas in Londen voor de oudere stadshuizen die het basement wat lucht en licht moeten verschaffen. Zelfs dat is hier niet het geval. De kuil is met blauwachtige steen geplaveid en om een of andere reden altijd nat en onderhevig aan vieze inwerpingen van het trottoir boven. Zelfs de letterschilder die op de gesloten rechte wand van de silo wat opwekkende texten in vele talen heeft moeten schrijven heeft zijn werk afgeraffeld en in de haast een paar woorden van het Portugees aan elkaar gebakken zodat het lijkt of daar een nieuwe werkwoordsvorm is ontstaan. Kortom, niet alleen de hoofdvorm is weerzinwekkend, in de details en de inrichting is ook alles gedaan om de argeloze bezoekers te desorienteren en tot gillende wanhoop te brengen. De liften al. Daar zijn bij de knoppen drie niveaux aangegeven. Niet zoals men verwacht „begane grond” voor waar men binnenkomt en dan „eerste” en „tweede verdieping” - voor de buitenlanders dan met een vertaling in het Engels of het Frans erbij - neen! waar men het gebouw betreedt heet het min één. Dat is om u op weg te helpen, geachte museumbezoeker! Er staat niet „min één” maar een min teken en dan het cijfer 1. Misschien moet je wel min eerste verdieping uitspreken. Waar je dan de echte (plus) eerste verdieping zoudt verwachten heet het nul. Of nulde verdieping? Floor nothing? Ground zero? Ik ben een aantal keren gaan kijken - elke keer totdat de nihilistische surrounding, het gebrek aan ruimte, de zwarte, claustrophobische interieurs, het volslagen gebrek aan daglicht en architectuur als sturende elementen en referentiepunten bij de schilderijen en de lariekoek die je of je wilt of niet opvangt van sommige rondleiders - erger dan wat je voorgeschoteld krijgt op de goedkoopste rondvaartboot - de overhand krijgen op Caravaggio en Rembrandt.
Elke keer weer die buitenlandse en inlandse bezoekers radeloos in de lift. Een onproportioneel groot gedeelte van de ruimte opgeofferd voor een fraaie trap van mooi, maar gevaarlijk slipperig marmer.
Eerst maar de zaken waardoor je afgeschrikt wordt. Dan pas de verrukking om enkele van de werken. Eindigend met de verzuchting dat de hele expositie dan maar eens overgedaan moet worden wanneer het Rijksmuseum is gerestaureerd en Cuypers’ architectuur en daglicht de schilderijen het kader geven waarop ze oorspronkelijk berekend zijn.
De catalogus staat vol van de verwijzingen naar licht, niet alleen het chiaroscuur dat het bindende element van de tentoonstelling moet zijn, maar ook naar de ruimten waarvoor de werken geschilderd zijn, interieurs geregeld door architectuur en ramen. Maar met de layout gaat het al volkomen mis: hetzelfde nihilistische zwart van de tentoonstellingswanden steekt overal de kop op, onderbroken, god zij dank, door witte pagina’s als ondergrond voor de artikelen, maar ook door een volkomen onverwachte pagina in een soort rose dat Rembrandt nooit van z’n leven heeft gebruikt. Maar wat moet al dat effen, ongenuanceerde zwart? Zelfs als er maar één achtergrond van Rembrandt of Caravaggio volkomen effen, ongenuanceerd vlak was (quod non), zelfs dan nog is een catalogus er om ons voor te lichten, niet om onbegrijpelijke gedachtenspinsels van de layoutman hoogtij te laten vieren. Afgezien van de zwarte pagina’s is ook de rest zo ontoegankelijk mogelijk gemaakt. Het hoofdstuk „Proloog” bijvoorbeeld is gestructureerd door boven de secties aan te geven waarom het gaat: Caravaggio, The Utrecht Caravaggisti, The Young Rembrandt. (Als een belangrijk deel in het Engels is geschreven koop ik de Engelstalige versie omdat er zelfs in de beste vertaling - en voor kunstbeschouwingen geldt tot op grote hoogte the medium is the message - veel verloren gaat en omgekeerd de Nederlanders steeds minder zorg aan hun taal besteden, zodat bij vertaling in het Engels door een goede vertaler nu niet zo vreselijk veel verloren gaat, terwijl vertalers zelfs de neiging hebben bombastische verbiage wat af te dempen). Die proloog gaat over de eerste tentoongestelde werken. Maar bij de volgende, de nrs. 9-38, de gepaarde voorstellingen van Rembrandt en Caravaggio, ontbreekt een tussenkopje waar het nodig is, namelijk boven de beschrijvingen. We vinden telkens een pagina detail, zo een zwarte pagina met in witte letters een soort smaakmakertje, dan volgen twee witte pagina’s met de schilderijen van Caravaggio en Rembrandt die worden vergeleken in kleur, dan weer een hele kleurenpagina gevuld met een detail en dan, eindelijk in zwarte letters tegen wit fond de beschrijving. Maar helaas zonder opschrift, zodat we menigmaal terugbladeren om te kijken of het niet eerder begint en wat het onderwerp nu eigenlijk is - meestal niet dat detail ernaast.
Catalogi plegen geen indices te hebben, en dat is niet erg zolang ze overzichtelijk zijn. Maar dat is deze niet. Zelfs bij de inhoudsopgave worden de afzonderlijke schilderijen niet vermeld, zodat het tijdrovend zoekwerk blijft. Ook al omdat de logica van de vergelijkingen ontbreekt. Wanneer twee schilderijen thematisch hetzelfde onderwerp hebben of enigszins verwante zoals Rembrandt’s Simson en Caravaggio’s Judith en Holophernes kan men voorstellen waarom ze gepaard zijn. Bij andere blijft alleen het gebruik van de chiaroscuur over, dat, zoals de catalogus terecht opmerkt, aanzienlijk verschilt bij beide schilders. Maar wat Caravaggio’s Jongen gebeten door een hagedis te maken heeft met twee portretten van Titus blijft een raadsel, terwijl Caravaggio’s Hieronymus de Bijbel vertalend naar mijn gevoel wel in alle opzichten verschilt van Rembrandt’s Bathsheba - al was het alleen maar omdat Rembrandt in zijn verlichting op Bathsheba concentreert maar Caravaggio twee foci van licht en verlichting schijnt te hebben (en daarmee een hoogst angstaanjagend effect bewerkstelligt): één spotlight op de schedel en één op de levende Sint, bedoelt de schilder dat leven en dood hier equivalent zijn?

Logica van de expositie en ongelijkheid van niveau en enige proeven van lariekoek

Het ontbreken van helderheid en logica in de layout van de catalogus weerspiegelt tot op zekere hoogte het gebrek aan deze deugden in de tentoonstelling; wat de beweeggronden van de paring van een aantal schilderijen mag zijn blijft raadselachtig. Ook een zekere verbiage in de smaakmakertjes sticht eerder verwarring dan helderheid. Wat heeft het kunstminnende publiek aan twee verschillende betekenissen van het Latijnse woord persona bij Duncan Bull in zijn dramatis personae bij Belsazar en Emmaus en in zijn smaakmakertje bij Hieronymus en Bathsheba waar hij het heeft over „their (de kunstenaars’) exploration of the characters’ personae” waar hij te pas of te onpas schijnt aan te sluiten bij Jung’s gebruik van persona als een psycho-analytische term. Zou het verschil maken indien hij „exploration of the personae’s characters” had geschreven?
Dan is er de ongelijkheid van qualiteit. Zowel bij de schilderijen van Caravaggio als Rembrandt zijn meesterwerken in alle opzichten, werken interessant als puzzelwerken, als ook werken die door slechte staat of onperfecte uitvoering niet bevredigen. Vaak zijn het de handen van personen die overgeschilderd lijken of onaf (bij Joris de Caullery bijvoorbeeld - cat. nr. 20, niet gepaard met een Caravaggio - meer dan eens heeft men het gevoel alsof een beoogd schilderij niet is uitgeleend) of aan een leerling overgelaten, of ronduit grof en groot zoals bij Het Joodse Bruidje - het leidt erg af van de essentie, de vaderlijke of echtelijke tederheid.
Ook de ongelijkheid van de de rondleiders leidt erg af. Ik probeer juist uit alle macht Rembrandt’s (vrij vroege) Maria van de Heilige Familie in de Timmermanswerkplaats mooi te vinden - een Rembrandt wat? - of ik word afgeleid door een jongeling die een groepje bezoekers op hoge toon de werken verklaart. Geen kwaad woord van andere rondleiders van wie je zo nu en dan wat opvangt. Maar deze. Hij begint met de Engel (van Het Offer van Abraham) vrouwelijk te nemen. Wat een sukkel, wat een voorlichting. Ten eerste is het woordgeslacht al mannelijk, maar iemand die explicatie geeft bij Rembrandt zou toch moeten weten dat alle engelen in de Bijbel mannelijk zijn - noemen wij slechts de de belangrijkste, Gabriel, Michael en Raphael. Voorts vertoont deze specifieke engel in zijn gezicht een frappante gelijkenis met de portretten van Titus, zodat er nog minder reden is tot zo een stomme geslachtsverwisseling. Dan, vergelijkend met Caravaggio’s Maria, spreekt hij over Haar en Haar Kind als van een „Heilige Twee-Eenheid”. Tja. De directie van het Museum zou toch moeten weten dat het onderwijs niet alles meer is en de rondleiders op zijn minst op Nederlands en Bijbelkennis, Religieuse Voorstellingen, enz. dienen te toetsen voor ze op het nietsvermoedende, goedgelovige publiek los te laten. Ze zullen nog wel betalen voor zo een rondleiding ook. Als makke schapen worden ze rondgeleid, niemand die z’n geld terugvraagt. Want er komt nog meer onzin. De jongeling laat Caravaggio’s Maria naar het publiek kijken - dat tenminste schijnt hij uit de catalogus opgepikt te hebben - maar juist dat kunnen we, zeker nu we ervoor staan en kunnen kijken, ontkennen. Duncan Bull mag het dan schrijven in de cataloog, maar wat Caravaggio doet is veel belangrijker dan de toeschouwer door Maria’s blik bij de intieme familiescène betrekken. Dat heeft Caravaggio zelf al haast achteloos gedaan. Het is een van zijn tederste schilderijen, tegelijkertijd ook monumentaal door de opbouw die zo krachtig is dat idiotieën zoals voortdurende opeenhopingen van handen haast niet opvallen. Neen, waar hij nu mee bezig is, is een extra dimensie. Maria kijkt voorbij de toeschouwer. Ze suggereert alles wat komen gaat. Haar smart om Christus’ lijden. Alles noodzakelijk voor de triomf van het Evangelie. Ze kijkt niet naar de beschouwer, ze neemt hem mee naar een mysterieus en groots gebeuren.
Wat Bull schrijft over Caravaggio’s verdere volmaking van het type dat zijn voorgangers hadden geexploreerd is juist en ter zake doende, maar bij de vierde gaffe van ons luidruchtige rondleidertje valt het me op dat Rembrandt juist nog de gevangene lijkt van de voorgangers. Dat hoofd. Maar eerst de blote borsten van Rembrandt’s Maria - het rondleidertje krijgt eindelijk eens een vraag van een rondgeleidene, over die blootheid namelijk, welke vraag het afdoet met op te merken dat in de Italiaanse schilderkunst van die tijd niet zo veel blote borsten zijn in de kunst (religieuse kunst zullen we maar aanvullen) omdat de Italianen Catholiek waren. Tja, is dat waar? Voor de profane kunst natuurlijk niet. Maar voor de kerkelijke? Het concilie van Trente verbood tenslotte naaktheid van religieuse onderwerpen in kerken. Maar dan ook met mate. Een wellustig werk als Bronzino’s Christus in het Voorgeborchte der Hel vertoont nog zeer appetijtelijke min of meer ontblote dames. Of Laatste Oordelen en Zogende Maria’s ook onder het verbod vielen? Enkele jaren geleden kon je in Rome in de tram nog zogende moeders zien. Ze hadden dan een licht, bloes-achtig hemd met een spleet waardoor ze het kind de tepel konden toesteken. En die kinderen zuigen! Een tramlijn begeerte zou je zeggen.
Maar wat zou ons rondleidertje zeggen van dat Kind aan de blote tiet in Boltraffio’s Madonna en Kind? zo dichtbij in de National Gallery te Londen. Of van die van Vincenzo Foppa? Nou ja, het hoeft niet naar Londen of Italië te gaan. Al in de catalogus had het de Werken van Barmhartigheid van een zekere Caravaggio kunnen vinden. Geschilderd te Napels voor een religieus instituut, de Pio Monte della Misericordia. Hier heeft Caravaggio voor het tweede van de zeven werken, De Dorstigen Laven, een hoogst ongebruikelijk voorbeeld gekozen, dat van een dochter die haar oude vader de borst geeft. (Is mijn herinnering wel, dan heetten ze Simon en Pera). Het is dus ook ongebruikelijk omdat het ’t eerste werk, De Hongerigen Spijzen, er maar meteen bijvoegt. De oude man zat namelijk gevangen zonder eten en drinken, zodat zij hem voor de tralies waar hij zijn hongerige hoofd doorheen kan persen een tiet toestopt wel even rond en bloot als die van Rembrandt’s Maria.
Om de cirkel rond te maken (hè jongens, zo een gezellige ouderwetse, veel suggererende en nietszeggende uitdrukking), terug naar Rembrandt’s tieten van Maria. Daar is niets verkeerds aan. Wat ik nu zie, extra op scherp gesteld door gemelde lariekoek, is dat Rembrandt in de positie van Maria’s hoofd te veel naar zijn Italiaanse Manieristische voorgangers heeft gekeken. Daar vind je die hoofden die zich, als op zwanehalzen, in vreemde, anatomisch wel onmogelijke bochten wringen. Maria’s hoofd lijkt wel uitgeknipt en weer opgeplakt. Opeens zie je zo een groot beschilderd kartonnen bord op de kermis voor je met een ovaal gat waar je je hoofd door kunt steken om tot hilariteit van de toeschouwers met je eigen voorkomen het hoofd te zijn van de Boze Wolf of Popeye of de Grote, Dikke, Blote Vrouw met de Geweldige Borsten of noem maar op.

Dat is nog zo een categorie van niveauverschillen: de ene Rembrandt is veel beter dan de andere - en de ene Caravaggio is veel beter dan de andere. Van Caravaggio zijn bovendien van de beste werken maar weinig aanwezig, onvermijdelijk trouwens gezien de afmetingen - de Nachtwacht kan men nog dichtbij gaan zien. Maar ja, alles temidden van amorphe, pikdonkere wanden, terwijl het geschilderd is om in architectonische ruimtes te hangen, is ook niet alles. Bij één van de schilderijen heb ik zelfs even het hallucinerende gevoel dat de bovenlijst krom is, maar dat komt door een ronde rand van de silo die er net bovenuit in het zicht komt.
Deze silo! Gebouwd in een tijd dat men in het buitenland, in de Engelse National Gallery bijvoorbeeld, juist weer begon de gemutileerde zalen zo veel mogelijk in de negentiende-eeuwse
staat te herstellen...

De artikelen in de catalogus zijn veel beter dan de beschrijvingen (en ongelooflijk veel beter dan de „smaakmakertjes”), maar ze lijden toch aan de wat geforceerde vergelijkingen tussen de twee zo verschillende chiaroscuristen. Soms komt een mode-idee om de hoek kijken, de tegenstelling tussen Calvinistisch en Catholiek, juist nu we die hier weer wat genuanceerder zien en Bas Dudok van Heel erop promoveert te Nijmegen, in het hol van de leeuw. Zo vermeldt Duncan Bull (p. 11) dat de Schutters van de Nachtwacht klaarstaan om de „Protestant civil liberties” te verdedigen. Dat is wat ongenuanceerd, zelfs in het openbaar bestuur van de Republiek zat nog wel een enkele Catholiek, en ik zou er mijn hand niet voor in het vuur willen steken dat er alleen maar Protestanten bij de Schutters zaten. Onder de schilders en de architecten waren zelfs vrij veel Roomsen. In elk geval was de grens van de „liberties” fluide, de Catholieken, Remonstranten en Joden genoten ook van een deel van de burgerlijke vrijheden.
Om het wat starre beeld te bevestigen wordt het in de catalogus vrijwel onmogelijk genoemd dat Rembrandt zijn Heilige Familie in de Timmermanswerkplaats voor een Catholieke opdrachtgever heeft geschilderd. Maar zelfs als de eerste bezitters die bekend zijn Protestanten waren, dan nog. Zij zullen het grote doek in hun Grote Saal boven de haard op de schoorsteenboezem hebben gehangen, de centrale aandachtsplaats van het huis. En wat dan nog indien ze ’s Zondags aan Catholieke vrienden hun Zaal afstonden om een mis op te dragen? In die tijd waren veel „schuilkerken” niet meer dan voorname huiskamers waar snel een altaartje kon worden neergezet, denk maar aan het fameuse huis van Ioan Poppen aan de Kloveniersburgwal.

Dromen zijn Bedrog - Judith & Holophernes en Simson & Delilah

Caravaggio
Een afgrijselijke droom gehad. Iemand zou iemand onthoofden. Maar niet met één klap van het zwaard of één klap van de bijl. Zoals het hoort. Zoals een goede beul het doet. Ambtshalve en uit pieteit, dat de veroordeelde al te lang leed worde bespaard. Zelfs en zeker niet met twee houwen van de bijl zoals de dorpsbeul te Alphen aan den Rijn in 1673 de arme Pain-et-Vin het leven benam. Zo gruwelijk dat er dertig jaar later, vooral dertig jaar later toen Willem III, de aanstichter van de executie, was overleden, nog kwaad van werd gesproken.
Maar goed, mijn droom. Iemand in een soort wit hemd met nogal wijde mouwen ging een voor hem of haar liggend iemand onthoofden. Zo scherp en indringend gruwelijk ineens zoals je zelfs in een droom zelden beleeft: niet met een bijl of zwaard, maar met een middelmaat vleesmes, beginnend boven aan het hoofd en daar langzaam en nauwkeurig plakjes van af snijdend, ringen van been met lichtgeel merg - de hersenen begreep je - ertussen.
Pas na uren opeens zeker van de oorsprong van het beeld (dat me nog steeds achtervolgt, telkens weer terugkeert op mijn inwendig netvlies): de Judith en Holophernes. Die van Caravaggio natuurlijk, Rembrandt zou niet op de idee zijn gekomen iets zo gruwelijks te schilderen. Het hangt naast Rembrandt’s Simson en Delilah, gepaard heb ik eerder geschreven voor dit phaenomeen dat ook zoveel onrust stookt op de expo, groot onbegrip verwekkend, laten we liever een term gebruiken waarmee Plutarchus’ gepaarde levensbeschrijvingen van beroemde Grieken en Romeinen worden aangeduid, de Parallelle Levens, hier dus parallelle voorstellingen, in dit geval Parallelle Slachtpartijen, die arme Holophernes en, vooral, die arme Simson. Maar Rembrandt houdt zich aan de Bijbel, hij kan niet anders - en hij doet het ongelooflijk goed - Caravaggio legt er meer sexuele toespelingen in dan al in het Bijbelse verhaal liggen verscholen van de rijke weduwe, die Bethulië zal redden door de vijandelijke legeraanvoerder te paaien en in slaap te sussen. Dat ze dat zou hebben gedaan zonder met hem te „liggen” in Bijbelse termen, kortom, zonder met hem te vrijen, geloofde ook in de zeventiende eeuw geen hond. Maar anders dan bij de gebruikelijke voorstelling van het verhaal, waar Judith het afgehakte hoofd toont - dat in zijn afgehakt zijn schijnt te berusten en vlug in de zak gestopt zal worden om onopvallend naar de stad te worden getransporteerd - toont Caravaggio een jonge en verleidelijke Judith, wier borsten met stijve tepels omhoog staan van het vleselijke plezier van de wraak op Holophernes die ’s nachts dat plezier heeft gehad. So far so good, een interessante interpretatie. Doch Caravaggio gaat verder. Hij bespot het Bijbelse verhaal. Kijk maar goed. Is het mogelijk dat Judith zo dicht op haar eennachtsvrijer voldoende kracht kan zetten om zijn hoofd af te houwen? Terwijl hij niet eens op een blok ligt maar op een zacht ledikant? Aan haar houding laat Caravaggio duidelijk zien dat ze niet aan de tweede houw is waarvan het verhaal spreekt (zeker niet aan de eerste, want dan had Holophernes nog geen tijd om bloed te spuiten en een grimas te trekken), neen die ligt zeker al achter de rug - wel heeft ze hem bij de haren beet zoals het apocryphe verhaal vermeldt en wat Caravaggio’s spotternij mogelijk maakt - neen, ze is bezig te snijden, zoals je plakken vlees snijdt. Een bizarre, gruwelijke zotternij van de Italiaanse chiaroscurantist, die, we kunnen het niet ontkennen, nog mogelijk gemaakt wordt ook door Sinte Jeroom’s Vulgaat die met enige goede wil een interpretatie toelaat van twee keer kelen en vervolgens het hoofd van de romp scheiden op niet nader gespecificeerde manier.

Rembrandt

Volstrekt geen obscurantisme bij Rembrandt. Helderheid waar helderheid moet zijn in deze story over de halfgod die zijn verhaal krijgt, het schoolvoorbeeld, lerend en opbouwend voor alle gelovigen, van hoe het een hooggeplaatste vergaat die, zoals die onverbeterlijke Bakels schrijft over Simson, die Verlichte dominee die aan het begin van de 20ste eeuw dat heerlijke Beknopt Bijbelsch Woordenboek heeft geschreven, die „vleeschelijke gemeenschap” had met vele vrouwen, van wie Delilah er een was. Wat helder, chiaro, moet zijn bij Rembrandt is helder en klaar, wat obscuur moet zijn obscuur, geen klaarheldere verlichting van onduidelijke bron (alsof het gespeeld wordt voor een technicolour-film) zoals binnen in die tent van Holophernes, maar natuurlijk licht van één uiterst belangrijke bron, de Opgaande Zon. Wat gruwelijk moet zijn, Simson’s blindmaking, is gruwelijk. Maar niet meer dan dat. Wat gearrangeerd moet zijn is gearrangeerd. Zoals bij Caravaggio de dienstmaagd die pas later de tent binnenkomt al klaar staat met de zak, zo heeft ook Rembrandt volgens de oude kerkelijke beeldtraditie chronologisch gecomprimeerd. Maar in tegenstelling tot Caravaggio gebruikt hij het licht niet alleen om de scène uit te lichten en een theatraal effect te bereiken, neen, hij integreert het licht ook met een wezenlijk element van het verhaal, de betekenis van Simson’s naam.
Indien hij die niet had gehoord van dezelfde Rabbijn die hem het Teken aan den Wand met een van zijn speciale betekenissen en in Hebreeuwse letters had geleverd, dan was de verklaring in de zeventiende eeuw genoegzaam bekend. Simson’s naam hangt samen die van de oude God-van-de-Opgaande Zon. Het was een vóór-Israelische God, dezelfde die een altaar had op de berg Moriah (waar Abraham Isaac zou gaan offeren), waar later Salomo’s Tempel werd gebouwd en naar wie trouwens de Stad nog steeds de Stad van de God van de Opgaande Zon wordt genoemd: Jerusalem.
Niet alleen Simson’s blindmaking is gruwelijk, Delilah houdt zijn haar triomfantelijk in het licht van de Opgaande Zon die Simson nooit meer zal zien. Vandaar dat het licht hier niet van links boven komt, zoals gebruikelijk, maar van links onder, waar de Zon in het Oosten opgaat. Simson’s haar is symbolisch voor de kracht die van de stralen van de Zon uitgaat.

Is non-architectuur bevordelijk voor het exposeren van Rembrandt en Caravaggio? Rembrandt-affiches als krampachtige verzekeringen van de oprechte kunstmin van College en Commercie te Leiden

De zin over non-architectuur kan helaas herhaald worden in het kader van het Rembrandtjaar te Leiden. Leiden, waar de zon de laatste vijftig, wat zeg ik, honderd, tweehonderd jaar, alleen nog maar onder schijnt te gaan en de Verlichting nooit doorbreekt.

Reclame aan Stadhuis en een Modemagazijn

Toch zijn er dit jaar, vooral om de commercie te begunstigen die nu alle gracht- en Rijngezichten met geweldige terrasboten mag versperren, pogingen tot verlichting nu het vier eeuwen geleden is dat Rembrandt hier werd geboren. Er is een tentoonstelling in de Lakenhal (de gelegenheid om het Voorplein te restaureren met oog op de feestelijkheden is helaas verzuimd) en de Stad is hier en daar versierd met gigantische spandoeken waarbij de illegale spandoeken van een bioscoopuitbater in de Breestraat in het niet vallen. Allereerst drie sterk vergrote zelfportretten van de SCHILDER aan het Stadhuis. Hierbij een plaatje voor wie niet zo thuis is in Leiden. De voorgevel aan de Breestraat is, na de brand in de winter van ’29, een gereduceerde versie van de laatzestiende-eeuwse, in welks ontwerp Isaac Swanenburgh een belangrijk aandeel heeft gehad. Ik vermeld het omdat Leiden in die tijd, en de hele 17de eeuw door, een belangrijke, bewuste architectonische traditie had die met Swanenburgh en Jan van Hout begint en de stadsarchitecten Arent van’s-Gravesande (die van de Lakenhal en de Marekerk) en Willem van der Helm (die van het Gerecht) omvat, en omdat Rembrandt les heeft gehad van Jacob van Swanenburgh, Isaac’s zoon.


Deze gevel, zoals alles achter de voorgevel, is ontworpen door de architect Blaauw en voor 1940 klaargekomen. Om compositorische redenen (dissimulatie van de geringere hoogte van de vleugel aan de Breestraat) is de toren een meter of dertig meer onze kant op geplaatst en, belangrijker, wat vereenvoudigd, wat hem beter maakt dan het later aan het voorblok toegevoegde samenflansel van enige timmerlieden dat hij was. In het interieur zijn de grote trap, een aantal gangen en de burgerzaal fraai, strak en licht uitgevoerd met vooral veel wit marmer met zwarte banden. In de andere ruimten, vooral de Kamer van B & W en de Raadzaal, heeft Blaauw om de autoriteit van de weinig verlichte, nogal rechtse stadsregering te onderstrepen, vooral veel dure, donkere houtsoorten gebruikt, zodat deze vertrekken aardeduister zijn. Om vooral maar aan deze obscurantistische traditie vast te houden zijn de zelfportretten juist voor de Raadzaal gespannen. Eronder, op die witte band die zo detoneert met de afbeeldingen, advertenties van sponsors - ook hier is de idee dat de overheid gul was voor de cultuur volkomen verlaten. Maar dit terzijde. Nog iets over licht en verlichting. Ik heb eens voorgesteld de galerij die men links op de toren ziet aanlopen wat vriendelijker te maken en door te trekken langs die balustrade onder aan de hoge vleugel en haar aan beide uiteinden een makkelijk lopende trap te geven. Om twee redenen van belang: ten eerste wordt de trap als uitgang (of uittrede?) gebruikt bij trouwpartijen, zodat het trouwen een continu-bedrijf kan zijn met opgaan over de fraaie buitentrap aan de Breestraat en afgaan aan de achterkant (wat een stad, wat een stad!). Ook is ze de eerste opgang naar de publieke tribune. De rest van die opgang, ijzeren trappen, hangt in het midden van de torenholte, alsof je op weg naar de publieke tribune al in een van Verdonk’s gevangenissen bent beland. Typerend voor de houding van het Leidse College jegens het verdomde publiek? Het nieuwe College heeft alsmaar openheid beloofd. Wel, hier ligt een van de taken. Eindelijk eens een menselijke opgang naar de publieke tribune maken.
(Mijn voorstel was in het kader van een van de vele projecten tot verbetering van het Stadhuisplein, het vorige College is niet verder gekomen dan het plan voor een dure fietsenstalling onder het plein waarvan niemand het nut inziet). (Dat de Raadzaal slechter verlicht wordt valt misschien de Raad niet op, Verlichting is nooit zijn sterke punt geweest).
De photo is om even over twee uur gemaakt: zoals men ziet hangen de Rembrandts het grootste deel van de dag, juist wanneer het intellectuele leven op gang dient te komen, in de schaduw. Het begint er al mee dat hier het eerste, getekende portret half in de schaduw hangt. Schaduw van links boven nog wel! Van links boven, waarvan het licht van de goddelijke inspiratie dient te vallen - en in de meeste schilderijen van Rembrandt ook valt. Tja, Leiden en verlichting...
Niet alleen heeft het vorige College Blaauw’s nieuwe uitbreiding van het Stadhuis op de lijst van ingeschreven monumenten laten plaatsen, maar ook Van der Laan’s colossale nieuwbouw voor V & D uit de jaren ’30, ook aan de Rijn, iets meer naar het westen. Ook hier een plaatje van de nog afgrijselijker gevolgen als men Rembrandts gigantisch opblaast (en van in kleur en helderheid afleidende sponsorbanden voorziet) en voor een „monumentale” gevel hangt. Wat Van der Laan dan nog gedaan heeft, proberen door ramen van redelijke schaal de gevel een wat menselijke, in de stad passende schaal te geven, gaat volkomen verloren door deze schaalvergroting. Rembrandt hield al niet van nieuwe architectuur, hij zou zich in zijn graf omkeren om deze dubbele ontsiering van de binnenstad: door Van der Laan, versterkt door misbruik van zijn schilderijen. Een paar opmerkingen over het licht. Die witte werkbalk voor de sponsors onderaan zal iedereen begrijpen. Een tweede is dit. Zeventiende-eeuwse schilderijen worden niet voor niets opgehangen in vergulde lijsten. Het hele effect van het licht is berekend op het samenspel van de kleuren van lijst en schilderij. Eerste aanslag op Rembrandt en eerste frustratie van educatieve gevoelens die men (organisatoren en sponsoren) gehad mag hebben. Dan de effecten van de onmatige vergroting. Ook hierdoor worden de kleuren vertekend, er treedt een soort vaalheid op die slopend is voor Rembrandt’s frisse, optimistische kracht, en de „derde dimensie”, de textuur van de oppervlakte, verdwijnt geheel.
Tweede aanslag op de schilderijen en de educatieve gevoelens die men (organisatores en sponsores) gehad mag hebben. Dan is dit de noordwand des gebouws, zodat de spandoeken het grootste deel van de dag in de schaduw hangen. Nog zo een aanslag op de schilderijen en frustratie van educatieve gevoelens die organisatores et sponsores gehad mogen hebben.
De heren Vroom en Dreesmann (wier naam als een soort titel boven de vergrote Van Rijns verschijnt) waren bekende lapjespoepen in garen, naald en band, die toen hun zaken in Nederland floreerden de kroon op hun maatschappelijke inburgering wilden zetten (ook wel in naijver met de lapjespoepen C. & A. Brenninkmeyer) met het stichten van grote modemagazijnen, in Leiden met de plaatselijke Roomse en (maar?) net iets boven het gemiddelde uitstekende architect Jan van der Laan. We zien dat Jan z’n best deed maar toch te klein was voor deze schaalvergroting aan de centrale plaats bij de samenvloeiing van twee Rijnarmen. Hij heeft al een steeg overbouwd, ongeveer op de plaats waar de derde, achterste poot van Rembrandt’s ezel nu op rust, maar deze paar verdiepingen hoge doorgang is een paar decenniën geleden gevuld, zodat de massaliteit alleen nog maar iets verzacht wordt door een lichte bocht van de voorgevel (waar vroeger een stuk of zeven trapgevels stonden).
In vreemd onbegrip voor wat tot de monumentaliteit van de stad bijdraagt heeft het den Raad der Gemeente Leiden behaagd het gebouw voor plaatsing op de Rijkslijst aan te bevelen, welk verzoek met steun van de Provincie Zuid-Holland (geen commentaar) en de Minister (geen commentaar) is gehonoreerd. Hetzelfde lot heeft trouwens Blaauw’s nieuwbouw van het Stadhuis getroffen (inclusief het zwakste gedeelte, de uitbreiding van de oude gevel aan de Breestraat richting Koornbrugsteeg).
Men zou verwachten dat de plaatselijke monumentencommissie in de gaten houdt wat er gebeurt met de gebouwen die ze voor plaatsing heeft aanbevolen. Of de Raad. Of het College. Of het stadsbouwhuis, dat alle vergunningen afgeeft en de eerste instantie is om de wet te handhaven.
In onze tweede monumentenstad van Holland is nog steeds geen Binnenstadsautoriteit die uiteraard met eigen dienst en eigen Wethouder, bijvoorbeeld die van Monumentenzorg, moet functioneren. Men voelt waar ik naar toe wil: de ontsieringen van Stadhuis en Vroom en Dreesmann zijn gebeurd zonder de noodzakelijke (monumenten)vergunningen.
Ja, wat wil men met het voorbeeld van museumdirecteuren in Amsterdam en Den Haag, en bioscoopexploitanten, zoals b.v. die op het Leidse Plein, die een hele trapgevel nu al jaren heeft ingepakt?

Van der Laan’s interieur van het Modemagazijn van de Jaren Dertig

In Van der Laan’s interieur vond men de idealen van de verheffing van de kopende mens door verlichte architectuur terug. Er was een mooie, grote verdiepingshoogte, ramen aan alle kanten en de zuilen waren met wit marmer bekleed. Jan en alleman had hier zijn eigen paradijs, zij het een winkelparadijs. Het uitgangspunt was goed: de mensen verwennen met en opvoeden door architectuur van meer dan gewoon niveau. De verticale ruimte werd versterkt door een ronduit schitterend trappenhuis. Trappen met marmeren treden, marmeren balustrades en zwartgelakte houten handrail vastgezet met mooi krullende koperen ornamenten, alles hoog in het dak overdekt door een lichtkoepel met gebrandschilderd glas. Hier had commercie met sociaal begrip een ruimte voortgebracht waarmee het Blaauw een paar jaar later niet op alle punten is gelukt te wedijveren. Bovendien had (en heeft) V & D op de hoogste verdieping een restaurant met een prachtig gezicht op de halve stad. De Burcht, het enorme transept van de Pancraskerk, ’s-Gravesande’s Marekerk en zijn drie bogen (nog net niet door terraspontons versperd) van de Koornbrug en de later er zo gelukkig opgezette Koornmarkt.
Laat ik mijn Jeremiade over de halve ruinering van het interieur kort houden. De latere generatie van de familie V & D had kennelijk alleen nog maar oog voor gewin op de korte termijn en zonder enige sociaal-culturele meerwaarde. Het marmer is van de zuilen gehaald en door plaktegeltjes vervangen, later door spiegels. De zaak is naar twee kanten uitgebreid, naar de steeg aan de oostkant en de Breestraat aan de zuidzijde, en bovendien zijn de verdiepingshoogten sterk gereduceerd door lage hangplafonds (van dun plaatijzer - het Leidsch Dagblad juichte toen het ’t woord „ijzer” hoorde: „onbrandbaar”, maar ik zou geen enkel materiaal weten dat zo goed brandt bij enige verhitting als dun ijzer en dat door zijn week worden en kromtrekken dan nog extra gevaarlijk is. Maar ja, ’t Leidsch Dagblad... men kent zijn gaffe toen in 1880 Wilhelmina werd geboren? In grote letters op de voorpagina? ’t Is maar een meisje stond daar. Heus. Sindsdien heeft het Leidsch Dagblad alleen maar geschreven wat het College welgevallig was. Tot een paar jaar geleden. Toen heeft het één keer critiek geleverd. En is prompt door het College tot de Orde geroepen. Het zal ’t nooit meer doen. Zeker niet nu het in handen is gevallen van de Telegraaf die op de redactie bezuinigt, zodat de journalisten (als ze dat al zouden willen) hoe dan ook geen tijd meer hebben om de berichten die het College levert te toetsen. Men begrijpt het Leidse democratische praedicament nu - al weer jaren geleden - de na de Oorlog nog bloeiende Catholieke en Protestantse pers zijn verdwenen. (Alleen in de advertentiebladen verschijnt zo nu en dan nog wel eens een critisch artikel).
Maar het effect van die verlaagde plafonds is een lelijke aansluiting aan het trappenhuis en een optische verkleining van de perspectief waardoor de overzichtelijkheid is verdwenen en een eindeloze wijdlopigheid is ontstaan. Schotten voor het trappenhuis en beschadigingen aan de leuning verergeren de zaak. Deze geestelijke bedompheid wordt versterkt door dat bijna alle ramen zijn dichtgebouwd. Dit is doorgegaan nadat Van der Laan’s creatie (of de resten ervan) op de monumentenlijst is geplaatst. Net weer zijn de ramen op de begane grond geblokkeerd. Een eind ervoor is een rij cassa’s geplaatst - zo ver ervoor dat het nergens voor nodig is de caissières de hele dag alleen in kunstlicht te laten werken - wat zegt trouwens de Arborwet daarvan, if anything?
Maar over die architectuur van het Nieuwe Bouwen (want zo kan men het oorspronkelijke interieur wel noemen), waar is tussen deze geestelijke bedomptheid de optimistische helderheid gebleven? Het vormgeven met licht en lucht dat zo typerend was voor het Nieuwe Bouwen? Het mooiste was zeker Jan van der Laan’s restaurant op de bovenste verdieping. Een ideaal van vooruitgang met grote ramen in metaal gevat, lichte stalen stoelen en tafels, groots en licht - een interieur dat een overtuiging uitstraalde.
Vervangen door de smakeloze bruine burgerlijke houten troep die de mannen-lieden overal la Place noemen. „Place” is Frans voor allerlei betekenissen van (open, wel-verlichte) „plaats, plein”, ook in uitdrukkingen als „plaats maken voor, verdrongen worden door”. Als het symbolisch is voor de vervanging van de ene generatie Vromen en Dreesmannen (Dreeslieden?) door de volgende, dan duidt het op een morele aftakeling. Maar deze aftakeling, vriendelijk gezegd dit generatieconflict, wordt niet minder krachtig ondersteund door de adepten, de liefhebbers, de amateurs van het Nieuwe Bouwen, die op jaartal selecteren en dat dan à tort et à travers tot monument verklaren. Ik weet alleen niet of de verbruining van het restaurant voor of na de plaatsing is geschied - het ene geval maakt de plaatsing nog erger, het tweede de plaatsing en het gebrek aan handhaving belachelijk.
In de loop der jaren is het gebouw naar de kant van de Breestraat toe uitgebreid met een aantal echte monumenten en daarmee verheeld. In de eerste plaats natuurlijk met Van der Helm’s Vergulden Turk, een fraaie Composiete pilastergevel met beeldhouwwerk van Pieter Xaverij in het tympaan. (Deze sculptuur komt veel beter tot haar recht dan zijn sculptuur voor het Gerecht die wat te groot is voor het tympaan). Hier hebben V & D (was het nog de vorige generatie? de huidige heeft tot overmaat van ramp het hele complex aan de Fortisbank verkocht) een fraaie restauratie van de gevel tot stand gebracht waarbij de geweldige, geweldig detonerende ijzeren erker die Jesse over de hele eerste verdieping had aangebracht weer is verwijderd. Godzijdank net voordat de ijveraars van het Cuypersgenootschap (die nog steeds niets van de zeventiende eeuw willen begrijpen) de erker als erker op de monumentenlijst konden slingeren. Hij was terecht niet in de beschrijving begrepen. Wel in het interieur enige fraaie onderdelen zoals een mooie achttiende-eeuwse trap, terwijl uit de tijd toen „de Turk” restaurant was een gefigureerd gestanst ijzeren plafond resteert.
Het is een van de zeer weinige verbeteringen van de Breestraat in de laatste vijftig jaar. Wat er nog is aan monumenten wordt ontsierd door reclames van makelaars aan de eerste verdiepingen haast zo groot als Jesse’s erker, strikt perpendiculaire uithangborden aan op vlucht staande gevels, dichttimmeringen, vergrotingen van de ramen naar beneden toe, spandoeken van bioscopen en dergelijke onsmakelijkheden. Grote, lelijke en al even onsmakelijke afvalbakken complementeren het beeld van verpaupering van wat zelfs vijftig jaar geleden nog een van de mooiste straten van Leiden was. Maar waar wil men de morele kracht vandaan halen om al deze ontsieringen van monumenten - de makelaarsreclames en de bioscoopspandoeken wel zeker zonder monumenten- en andere vergunningen - wanneer men V & D maar zijn gang laat gaat en zijn eigen Stadhuis met doeken dichtplakt - met alle goede bedoelingen van dien, maar helaas men snapt niet hoe misleidend, hoe on-educatief wide-screen Rembrandts zijn en hoezeer ze de monumenten ontsieren.

Nog een paar Voorkeuren bij de Amsterdamse Expositie

Hieronymus... en Bathsheba

De Hieronymus van Caravaggio is wel een van mijn voorkeuren, maar niet in aesthetische zin. Het is aanstootgevend lelijk in compositie en details, en het licht valt als twee schijnwerpers, eigenlijk als drie, ook nog een op de arm van de Heilige die als een verdroogde liaan de rechterhelft van het schilderij en de linkerhelft verbindt.
Het is wel een uitdaging voor vergaande, zeer speculatieve intepretaties. Eerst de keuze, de selectie van het moment. Hier zit een uiterst onwereldlijke Heilige, druk aan de titanenarbeid van het vertalen, bijwerken en redigeren van beide testamenten in dat, zo classiek mogelijk, Latijn dat de Vulgaat zal gaan heten. Kennelijk voor een opdrachtgever die niet door werelds gedwerrel afgeleid wilde worden. Want als Caravaggio de vrijheid had gekregen daarmee te choqueren, dan was er nogal wat. Achterklap te over. Zat die heilige Jeroom werkelijk in de woestijn? Vergeet het maar. In een klooster te Bethlehem, zeg maar een villa, die zijn beschermvrouwe, ene rijke Paula, een patricische Romeinse weduwe en uiteraard zo vrij als een vogeltje, te zijner vervoeging had gesteld. Met zichzelf en een van haar dochters erbij die naar de vreemde naam van Eustachium luisterde, een Grieks woord dat onzijdig is en dat zoveel als „het slimmerikje”, „het rake mikkertje” betekent, om het ook maar met neutra weer te geven. In zijn Romeinse tijd had Hieronymus zich al aan uitspattingen overgegeven en er is weinig reden om aan te nemen dat hij in Bethlehem reeds de Heilige is geworden als wie hij later is gecanoniseerd, of het moest zijn dat zijn titanenarbeid ’t ’m heeft belet. De reden van zijn heiligheid is kort en goed zijn Bijbeleditie, cardinaal is hij nooit geweest en de leeuw waarmee hij meestal wordt uitgebeeld is ook vrome fantasie.
Laat ons vergelijken met een andere afbeelding die ook van die woestijn afziet, evenals van een nadrukkelijke leeuw trouwens, maar die serene rust ademt, de Heilige Hieronymus in zijn Studeervertrek van Antonello da Messina, van 1475, nu in de National Gallery te Londen. Messina mag dan een Italiaan zijn geweest, zelfs al tijdens de Renaissance hebben gewerkt, maar zijn Sint Jeroom is het volmaakte sluitstuk van de Nederlandse traditie die was ingeluid door Van Eyck, tot en met het gebruik van de Gothische architectuur als verbeelding van het Christelijk geloof. Tot en met de geschilderde omlijsting compleet met peerkraalprofiel. De Sint zit rustig te werken (in cardinaalsmantel en met hoed) op een houten verhoog midden in een kerkachtige ruimte die het klooster zal verbeelden. Door de ramen zijn landschappen te zien, hier en daar vliegen of zitten vogeltjes, de hondachtige leeuw houdt zich op de achtergrond, op de voorgrond paraderen een kwartel en een pauw, die een sterke symbolische betekenis moeten hebben. De rust, de aandacht voor details, de Sint en profil zodat we hem rustig laten werken - het geeft een zekere schroom om in gedachte dit vertrek binnen te treden. Niets van het theatrale geweld van Caravaggio. Maar toch een paar van de elementen die we bij hem terugvinden. De tweedeling bijvoorbeeld die bij Antonello bij nadere beschouwing net andersom schijnt te werken dan bij Van Eyck en zijn Vlaamse navolgers. Bij Van Eyck (en tot met de zestiende-eeuwse Nederlanders) stond Romaanse architectuur voor een Romeinse, ergo Oud-Testamentische aanduiding; Gothiek verbeeldde het Nieuwe Testament, het Evangelie. Bij Antonello op zijn vlondertje overbrugt Hieronymus twee werelden, maar omdat hij naar links is gewend wordt men geacht van rechts naar links het schilderij te lezen. Rechts is de architectuur het duidelijkst Gothisch, terwijl links een kruisvenster kan doelen op de kruisdood maar ook op de Renaissance-architectuur die weer opstaat. Andere aanwijzingen symbolisch voor het werk van de Heilige, het overbrengen van de oude geschriften in herrezen, bij voorkeur Ciceroniaans Latijn, zijn meer tweedelingen zoals de boekenkast, het tweelicht erboven en zeker de dichotomie van het vlondertje zelf dat zijn perfecte halfronde bogen aan de linkerkant heeft - nogmaals, de liturgisch goede zijde.
Men begrijpt inmiddels dat Caravaggio met zijn Italiaanse voorgangers vergelijken vruchtbaarder is dan met Rembrandt, vooral wanneer het onderwerp van de Hollander nog verschilt ook. Men ziet hoe stevig Caravaggio in de traditie is geworteld en hoe hij afwijkt, opnieuw interpreteert en overhoop haalt. Hier ook de dichotomie en de gelijke aandacht voor oud en nieuw - alleen hier weer in omgekeerde richting. Het doodshoofd met zijn dubbele betekenis van de oude geschriften die overgezet worden en van de vanitas: haalt Hieronymus het voordat de dood hem inhaalt? De liaanachtig uitgestrekte arm die hier de brugfunctie vervult is al behoorlijk uitgemergeld. Hij heeft al een licht aureool van toekomstige heiligheid. Onrustbarende aspecten zijn de schrijfstift die Hieronymus aan de „oude” kant houdt - is hij misschien niet alleen aan het vertalen maar ontrukt hij ook het classieke Latijn aan dood en vergetelheid? Die schedel die zich angstaanjagend in de oude foliant bijt... traditie, Caravaggio’s geleerde opdrachtgevers zullen zich hebben gerealiseerd dat er in Hieronymus’ tijd nog geen folianten waren. En wel in nieuwe vorm maar toch ook in de oude traditie: twee zuilen van licht als de pijlers van het Oude en Nieuwe Testament die de Vulgaat omvat.
Wat de eerste aandacht opslorpt zijn theatrale trucs, spectakelwerk, nieuwe zakken voor oude wijn.

Nu naar Bathsheba, het imponerendste en mooiste schilderij dat Rembrandt ooit heeft gemaakt. Ik kan niet langs Parijs en het Louvre komen of ik ga het zien. Eerst iets verdrietigs over de beschrijving in de catalogus. Die vermeldt wel iets, maar toch net te weinig van de Oud-Testamentische geschiedenis van Bathsheba en David en het Koningskind Salomo. Dan wat critiek op de uitbeelding van het verhaal - al was het alleen maar om weer eens aan te tonen dat juist om een geniaal schilderij te maken de kunstenaar niet „natuurlijk” kan zijn. Hij moet arrangeren om de essentie van het verhaal te kunnen illustreren. Componeren en comprimeren om het wezenlijke aspect duidelijk te maken. De titel van het schilderij luidt bij Duncan Bull Bathsheba bathing. Well, Bathsheba is not in the act of bathing. Het is misschien een goed bedoelde maar ondoordachte poging om de oude Nederlandse titel Bath-s(h)eba in het Bad weer te geven. In de Engelse literatuur heet het schilderij simpelweg Bathsheba - en om haar geschiedenis, niet om haar bad of haar baden gaat het. Dat baden is trouwens al lang afgelopen.
Laten we proberen de loop de gebeurtenissen, vooral het tijdsverloop te reconstrueren. Eerst een physische bijzonderheid die de schrijvers van het O.T. ook wel kenden, maar waar ze hier de nadruk niet op leggen. De rechtlijnige voortplanting des lichts. Ik bedoel maar: wanneer Bathsheba gaat baden aan de voet van het Paleis des Konings zo dat zij het dak kan zien, dan moet ook zij op z’n minst een vermoeden hebben gehad dat iemand, bijvoorbeeld iemand zoals de Koning, die er woonde, haar van af dat dak kon zien.
Goed, ik dwaal af. Hij ziet haar en schrijft zijn brief. Nu laat ik me door Rembrandt op het verkeerde spoor brengen. Nergens in de Bijbel is sprake van een brief van David aan Bathsheba. Punt. Die brief is een verzinsel, een arrangement van Rembrandt. Zo heeft hij aan een enkel teken genoeg. En de toeschouwers, zijn publiek, speelden mee in de comedie. Ten eerste kenden zij hun Bijbel, ze waren zogezegd Bijbelvast. Ten tweede gunden ze Rembrandt zijn spel. Want ga eens denken wat anders de implicaties zouden zijn. David ziet Bathsheba tijdens haar baden. De nouveau: so far so good. Hij doet enige research naar wie zij is, of liever laat enig onderzoek doen en krijgt het bericht dat ze van keurige komaf is en de vrouw van Uriah (Bijbels). Hij schrijft zijn brief (niet Bijbels) en eerste commentaar: kon hij schrijven of had hij een schrijver nodig? Denk aan het fameuse voorbeeld uit de Latijnse grammatica: Caesar pontem fecit, Caesar bouwde een brug. Eigenhandig? Kom nu. Maar zelfs als David kon schrijven (later in het verhaal schrijft hij een moordcommando), dan is het nog steeds onwaarschijnlijk dat Bathsheba, zelfs van goede familie, kon lezen! Die moeilijke characters, en nog niet eens de wat genormaliseerde van latere tijden! In die tijd wel aaneengeschreven en zonder een enkele aanduiding van de vocalen. Dat moeilijke schrift... misschien wel niet alleen van rechts naar links, maar ook nog van boven eerst naar beneden - net zo als Rembrandt trouwens het Mene, mene, tekel, upharsin als teken aan den wand heeft geschilderd (met een „z” inplaats van een „n” aan het eind, hij had kennelijk van een Rabbijn verschillende verklaringen gehoord waarvan één die z vereist; ook op de tentoonstelling) - hij had dus enig idee van de moeilijkheid van de tekens van die tijd. Kortom, Bathsheba had een voorlezer nodig, die ze nu al weer weg heeft gestuurd. En al die tijd nog in het bad? Rembrandt suggereert dat ze al lang afgedroogd is, wel nog niet gezalfd (dat zou het ook moeilijk maken niet in een blinkende pornographische vertoning te belanden), alleen is haar dienstmaagd nog bezig een voet te verzorgen.
De colom om het Paleis aan te geven die Duncan Bull in zijn beschrijving vermeldt als op het schilderij vond Rembrandt bij nader inzien onnodig, ze is alleen met Roentgenstraling te zien - alles zoals schitterende architectuur of van olie glanzende naaktheid die van de essentie zouden afleiden is onderdrukt. De paar afwijkingen van de „natuurlijkheid” of letterlijke waarheid van de geschiedenis, het arrangeren van de belangrijkste elementen om het gewenste effect te bereiken, daar kwam het op aan. De toeschouwers van die tijd gingen mee met Rembrandt’s „natuurlijkheid” net zo als wij bijvoorbeeld bij het ene toneelstuk meegaan met de (altijd gearrangeerde) „natuurlijkheid” van de dialoog en bij het andere niet.
De implicaties, die epochale gevolgen, kende elke zeventiende-eeuwer uit de Bijbel, zij gingen dus ook door het hoofd van de tijdgenoot die het schilderij zag, en de beschrijving in de catalogus had ze wel mogen vermelden. Niet alleen beval David Uriah, Bathsheba’s man in de uiterst gevaarlijke gevechtslinie plaatsen, zodat hij volgens menselijke berekening wel moest omkomen en inderdaad omkwam - een soort moord op afstand, des te onsmakelijker omdat David het bevel schreef (hier is sprake in de Bijbel van zijn schrijven van een brief) en de brief door Uriah zelf aan zijn commandant liet brengen - maar hij verwekte al een kind bij Bathsheba voor Uriah’s dood. Toen was de Heere toch wel vertoornd en greep in: het in overspel verwekte kind stierf haast onmiddellijk na de geboorte. Dat alles schijnt Bathsheba’s peinzende houding te voorzeggen.
Maar er ligt meer in Bathsheba’s gepeins: de hele stam Davids waaruit tenslotte Jezus, de zaligmaker, zou worden geboren. Een nadere poging van David was namelijk wel goed in de ogen des Heeren en ziet, uit de vereniging van David en Bathsheba werd Salomo geboren, die, om zeker te zijn dat hij, jonger dan andere zoons bij andere vrouwen van David, als Koning zou opvolgen, nog bij het leven van David tot opvolger werd benoemd.
Het geniale van Rembrandt ligt niet alleen in de haast oneindige teerheid waarmee hij het naakte lichaam van Bathsheba schildert, maar ook in de wereldschokkende implicaties die slechts in één attribuut (de brief) en verder alleen in Bathsheba’s houding verscholen liggen - naakt en weerloos, maar ook verleidelijk en voorbestemd een dynastie te stichten die duizend jaar later de profeet zal voortbrengen.

Die Ezel van die vroege Rembrandt

Een laatste notitie over grootte en over licht. Die twee spandoeken die de gevel van V & D nog donkerder maken dan hij al is, stellen nu juist twee van de allerkleinste schilderijen van Rembrandt voor. Bij het rechter is het zelfs uitermate moeilijk nog te zien wat het voorstelt, zodat het weinig zin heeft de titel hier te vermelden. Wie het werkelijk interesseert kijke in de catalogus, daar is het afb. 86. Het linker zie men nu juist niet in de catalogus, aan wat daar is afgebeeld als afb. 12, De Kunstenaar in zijn Atelier, ontbreekt een wezenlijk element: de deur aan de rechterkant. Het paneeltje van de jonge Rembrandt (het wordt op omstreeks 1629 gedateerd) meet maar 24,7 bij 31,7 centimeter - het is in Leiden ongeveer 220 à 240 keer zo groot afgebeeld en het enige voordeel daarvan is dat je duidelijk kunt zien dat de toegangsdeur de gehengen aan de voorkant heeft en dus niet meer open kan (zij zou tegen de achterste poot van de ezel slaan, die poot die ook hier voor een eerdere doorgang komt) zolang onze kunstenaar de opdracht die hij zichzelf heeft gesteld niet heeft voltooid. Die opdracht was geweldig en daarom maakt het schilderijtje des te meer indruk in het echt omdat het zo klein is. (Dat het zo een opmaakjongen toch nog lukt om in de cataloog een essentieel onderdeel er van af te kappen is een hele prestatie, zo is die layout-man nog eens extra - zij het alweer negatief - aanwezig). Daar staat de geringe, baardeloze jonge man voor zijn enorme, vermoedelijk nog maagdelijke, ezel. De titel suggereert dan ook te veel: we kunnen nog nauwelijks van een atelier spreken. Laten we even zeggen Een beginnend Kunstenaar bezint zich op zijn Taak. Omdat de toeschouwers nog niets van de bliksemcarrière weten, kunnen we een blik in zijn ogen die ernaar mag verwijzen nog als bravoure, ja als gotspe afdoen. Voor de interpretatie komt me nogmaals dat ene fantastische jaar voor de geest waarin ik de colleges van Van de Waal heb gelopen over het portret. Voornamelijk dat van Rembrandt. Van de Waal was geen détaillist, hij behandelde details slechts in het grote geheel. Bij dat psychologisch-iconologisch geheel hoorde natuurlijk het licht. Het licht dat bijna altijd van links boven valt (pas op, liturgisch rechts, denk maar aan de plaats van Hemel en Hel in Lucas van Leyden’s Laatste Oordeel, rechts, respectievelijk links van de Godheid - hij had ernog bij kunnen voegen „ga maar eens in een Roomse kerk kijken aan welke kant van het hoofdaltaar het Maria-altaar en aan welke kant het altaar van de arme stamhouder Joseph is opgesteld”). Valt het niet van links boven, dan is er iets bijzonders aan de hand. We zien dus dat de ezel nooit zo in een atelier opgesteld had kunnen zijn, het licht valt op dit vlak veel te ver van rechts. Dat het niet „natureel” is, is dan nog maar een kleinigheid: à la het oude gebruik van interieurvoorstellingen is de vierde muur van het vertrek geheel weggelaten. We zien dus ook geen sporen van schaduwwerping van een raamkozijn. Rembrandt’s geweldige hoed lijkt ook meer geschikt om een interessant klaar-obscuur op zijn gezicht te krijgen dan bevordelijk voor gemakkelijk schilderen. Misschien suggereert het vaag verlichte gezicht dat de ware illuminatie van binnen komt. Hij kijkt ook niet naar het schilderij, hij kijkt naar ons, vragend kijkt hij naar ons, de toeschouwers, om ons bij zijn overwegingen te betrekken: zal hij de opdracht (die hij als geweldig beschouwt) aanvaarden? Misschien, eerder waarschijnlijk, heeft hij de keuze al gemaakt: hij zal een tweede Apelles worden - maar ons laat hij nog even in het onzekere. Of er een doek aan de ezel is geprikt komen we niet te weten, de spiegel die naast hem hangt reflecteert net niet genoeg om er achter te komen. Heeft hij een groot bord voor zijn kop of zal hij zijn belofte waar maken? Er lijken op dit moment nog maar twee dingen zeker: hij komt, om het zo te zeggen, zijn leven lang het atelier niet meer uit, en de opdracht die hij zichzelf stelt is schier bovenmenselijk. Goed zo, Rembrandt.

En toch Turner, de echte Joseph Mallord William, Meester van het Licht en de Compositie

En toch, en toch... veel Caravaggio’s en Rembrandts die je betrekkelijk dichtbij, althans in Europa, kunt vinden ... daarvoor al deze geestelijke ongemakken te trotseren ... het claustrophobische gebrek aan ondersteunende architectuur en de afgrijselijke drukte en het gebrek aan een venster of ook maar bovenlicht met daglicht die de beklemming versterken ... opvallend weinig jong publiek (zou die catalogus misschien zo ontoegankelijk zijn? - in elk geval had hij er rekening mee moeten houden dat de Bijbelkennis niet meer je dat is - nog een klacht over het moderne onderwijs of het gebrek daaraan) ... ik zou zeggen laten we weer zo een tentoonstelling organiseren om de herbouw van het Rijksmuseum te vieren wanneer daar de architectuur en de daglichttoetreding die Cuypers heeft gewenst weer zijn hersteld... reis nu maar snel naar ’s-Gravenhage en ga de tentoonstelling zien in het Mauritshuis. Ten eerste is een ontsierend spandoek (dat een sterk vergroot en daardoor uit zijn kleur- en textueel verband getrokken detail van Vermeer liet zien) verwijderd en zijn er voor op het voorplein als passend element bij de expositie Italiaanse vlaggen gehesen, maar ten tweede is er een aantal mooie schilderijen te zien met als één van de hoogtepunten, misschien wel het hoogtepunt, een gezicht op de Douane (de Dogana aan het begin van de Grote Gracht) te Venetië van de Engelsman Turner. Joseph Mallord William Turner. Een topper van integratie van goede structuur, passende kleuren en licht, zodat er een perfect spheerschilderij is ontstaan zonder de wat pedante waarheidspretentie van veel van de Canaletto’s of de wat Romantische vertekeningen van een Guardi.


16 Mei 2006. Wordt het ons Stokebrandje te heet onder de voeten?

De consequenties van en de grenzen van de democratie. Is de democratie een schoon gezelschapsspel? Een élitaire luxe?

Eerst over de knikkers van het spel op het ogenblik. De voornaamste knikkers heten Verdonk en Ajaan Hirsi Ali. (Even terzijde iets over Anglicismen, iets zeer on-Nederlands dus, in de huidige journalistiek: de Volkskrant schijnt zelfs Ajaan Hirsi Ali voor een transvestiet te houden ook nog, ze schrijft althans „Ajaan Hirsi Ali, wiens werkelijke naam ... is, enz” Die uilskuikens van journalisten denken dat ze overal waar ze in het Engels „whose” zien staan wel „wiens” kunnen vertalen... Ze schijnen niet te beseffen dat Ajaan Hirsi Ali (wier werkelijke naam, enz) te recht een aanklacht wegens sexediscriminatie tegen ze zou kunnen indienen. Voor die uilskuikens: „wier” wordt na vrouwelijke antecedenten gebruikt, zowel in enkelvoud als in meervoud, en bovendien na alle geslachten in het meervoud. „Wiens” wordt alleen voor mannelijk en onzijdig enkelvoud gebruikt. Bijvoorbeeld „de man, wiens gedachten een hoge vlucht hebben” of „het mens, wiens portefeuille daar ligt”). (Wanneer we het niet weten of in het algemeen spreken waar pas uit de context eventueel blijkt dat de minister, de burgemeester of het kamerlid over wie we het hebben een vrouw is, richten we ons in het gebruik van het relativum en de voornaamwoorden naar het mannelijk, c.q. het onzijdig woordgeslacht).

Verdonk staat voor het dilemma of ze de wet in alle rigeur en voor allen gelijk zal toepassen of een met de Grondwet, die immers gelijkheid van behandeling eist, strijdige uitzondering zal maken.
Wanneer ze immers Taïda Pasic terugstuurt moet ze Ajaan Hirsi Ali ook terugsturen. De moeilijkheid schuilt niet alleen in de ongelijke behandeling maar ook in het feit dat de ongelijke behandeling spectaculair vergroot wordt door het feit dat Ajaan kamerlid is, bovendien van dezelfde partij als Verdonk en ook nog haar voorkeur voor Verdonks candidatuur heeft uitgesproken.
Ajaan is bovendien een bewonderenswaardig slimme politica, die (eveneens naar mijn inschatting) de bui heeft zien hangen en op tijd (of niet, naar weldra zal blijken) haar maatregelen heeft genomen, perfect gesynchroniseerd met Verdonk - of dat telephoongesprek met Verdonk nu werkelijk gevoerd is of niet doet er weinig toe, ik luister geen telephoons af en zelfs wanneer hier geldt non è vero, è ben trovato, blijft Verdonks antwoord „wanneer ik dan Minister was geweest had ik je er uit gegooid” vette bluf. Klinkt zo manhaftig, maar doet nu niet ter zake.
Alle commentatoren en cursivisten hebben inmiddels hun mening gegeven, de opinies reiken van onmiddellijk terugzetten op het vliegtuig naar Kenja tot een generaal pardon voor iedereen die met enig recht of noodzaak aanspraak kan maken op verblijf hier en die een goede staat van dienst heeft.

Dat Ajaan Hirsi Ali een indrukwekkende staat van dienst heeft staat vast. Ze is een verrijking voor de democratie, ook al verkent ze de grenzen. Dat is natuurlijk juist de verdienste van de democratie, dat iedereen vrijheid van meningsuiting heeft ongeacht of we het ermee eens zijn of niet. Dat moet het debat slijpen, dat dwingt ertoe met goede argumenten te komen, dat nodigt ertoe uit z’n standpunten te ijken en te herijken.

Ajaan komt op voor haar idealen, ze vecht voor haar mening, ze vecht voor vrijheid van meningsuiting, ze blijft vechten ook al wordt ze bedreigd.

Uit wat ik hier eerder geschreven heb blijkt dat ik het vaak niet met haar eens ben. Haar generalisaties zijn afschuwelijk, zo van: Alle Mohammedanen zijn ongenuanceerd slecht. Alleen een kruistocht vergelijkbaar met die van Bush tegen de As van het Kwaad past tegen ze.
Laatst heeft ze in de Volkskrant gefulmineerd tegen het vermoorden van miljoenen meisjes en vrouwen zowat overal op de wereld, voor de hoeveelheid voor het gemak maar alles op de grote hoop gooiend, inclusief alle afgedreven meisjesvruchten.
Maar dat is goed in een democratie, du choc des opinions saillit la vérité, uit het verhitte debat resulteert de waarheid. Ik heb vaak moeten denken aan een Engels mopje uit de oorlog. Een Amerikaan op bezoek in Londen rijdt langs Hyde Park en hoort op Speakers’ Corner een Engelse heethoofd luid de zegeningen van het fascisme verkondigen. Op dat moment komt er een agent langs en de Amerikaan denkt „nu draait die vuile fascist de bak in”. Maar de bobby komt op hem toe en zegt „Sir, wilt u misschien de motor van uw auto uitzetten, de omstanders kunnen de redenaar niet goed verstaan”. Vrijheid van het woord voor alles. Maar in Nederland is na de oorlog Max Blokzijl gefusilleerd. Niet omdat hij de bezetters actief had geholpen. Neen. Ook had hij geen verraad gepleegd. Maar hij had voor de radio het fascisme verdedigd.
Toen geloofde ik, en telkens wanneer me maar de lichtste twijfel bekruipt (zo in de trant van „die en die, die toch veel erger zijn geweest...” of „die Nederlandse politieagenten die met het ophalen van Joden actief zijn geweest...” - „waarom zijn die niet berecht, die komen toch in de eerste plaats in aanmerking”) overtuig ik me nog steeds ervan dat die executie terecht is geweest. Wie lang voor de Oorlog sympathie had voor het Nazi-regiem of voor Mussolini maar zich ervan afkeerde toen hij de gruwelijke practijk kon weten, valt zeker in een andere categorie dan wie publiekelijk, met het gezag van de radio dat toen groot was, het fascisme verdedigde toen het zijn masker al lang had laten vallen.
Kortom, Blokzijl had een veel grotere verantwoordelijkheid dan iemand die in een onbezet land op een zeepkist staat te oreren.

Terwijl ik dit schrijf hoor ik dat Ajaan Hirsi Ali naar Washington vertrekt om in dienst te treden van het American Enterprise Institute, dat op haar eigen web-site wordt omschreven als „a conservative think tank”. Jammer Ajaan Hirsi Ali dat je het er zo bij laat zitten - anders was ’t mens Verdonk wel verplicht geweest een generaal pardon af te kondigen voor de 26.000 plus één ( Taïda Pasic, op wier mogen blijven je volgens je zeggen zo hebt aangedrongen).
Frivool ongeduld Ajaan! Het Nederlandschap wordt, zoals bekend, alleen aan linkse figuren onthouden of ontnomen! Was je nu uit idealisme naar Spanje gegaan om tegen de fascisten te strijden, dan had je je Nederlandse nationaliteit door in vreemden krijgsdienst te gaan, zoals dat heette, verloren en in geen tientallen jaren teruggekregen! Maar had je als Zouaaf voor de Paus gestreden tegen die misselijke anticlericale revolutionairen, dan had je nu een monument ergens in het Zuiden des lands.
En net nu je al zo geaccultureerd was dat je Nederlands beschaafder klonk dan dat van Verdonk (die het ergens op straat opgepikt schijnt te hebben)! Maar het blijft irriteren dat Spanje zo genereus is met zijn generale pardons en jij je kans laat lopen om Verdonk tot een sprankje menselijkheid te dwingen.

21 Mei 2006. Zo gewonnen, zo geronnen

Denkend aan de Beatles’ song „Lovely Rita, meter maid (uitgesproken als „metah maid”) - nothing can come between us” aarzelen we tussen de parodie „Lovely Rita, Justice maid” of „Lovely Rita, prison matron”. In een tijdsbestek waarin alles aan enquêtes, referenda, opiniepeilingen, enz, wordt overgelaten, geschikt of niet ervoor, nemen wij even de tijd om dit prangende vraagstuk de lezers voor te leggen! Dit is bovendien geen stompzinnige multiple choice : wij sporen u aan met eigen, nog spitsvondiger oplossingen te komen.
Het hoeft nauwelijks betoog dat our own Rita, lovely als ze is, meestal in haar slobbertruitje (is het ministerssalaris niet ook gedeeltelijk bedoeld voor representatie? Kan er dan geen chique jurk of mantelpakje van af, of een fashionable blouse?), misschien wel goed in haar slobbertruitje, door alle cartoonisten te grazen is genomen. Het fraaist wel in Trouw, in het stof knielend als een goede Moslim, onder het opschrift Submission.
Maar Rita kan tevreden zijn, bij de populistische kiezers heeft ze het weer gedaan. Nu alleen nog dat vervelende Parlement afschaffen en we kunnen bij decreet regeren.

De titel voor dit vervolg kan misschien beter worden omgedraaid: zo geronnen, zo gewonnen. Exit Ajaan Hirsi Ali, intrat Heleen Mees in de/het NRC/Handelsblad. (In de krant van Vrijdag 19 dezer, onder interessante, ter zake doende artikelen over Ayaan van Sampiemon en over de identiteitscrisis van Turkse Nederlanders van Karacaer. Alleen had de/het NRC/Handelsblad beter in goed Latijn boven het laatste „Colonia locuta, causa finita” kunnen plaatsen).
Zoals al opgemerkt vertrekt Hirsi Ali naar het Washingtonse AEI, het American Enterprise Institute. Niet alleen dat we haar flamboyante inbreng hier gaan missen, maar ze zal gedwongen zijn haar doen en laten aan te passen aan dit niet meer Neo-Liberaal maar alleen maar Neo-Conservatief te noemen instituut. En dan niet conservatief in de zin van eclectisch het beste uit wat geweest is zoekend, maar al opgericht tegen Roosevelt’s New Deal en sindsdien alleen maar rechtser en rechtser wordend. Door lieden die daar „fellow” zijn geweest worden de democratische vrijheden in Amerika aangetast en de kloof tussen arm en rijk alsmaar groter en groter. Een denktank die lieden als Newt Gingrich en Dick Cheney voortbrengt, anti-democraten in elk opzicht, of Cheney’s vrouw Lynne, een bekende anti-feministe. Adepten van dit instituut adviseren Bush en zijn openlijke voorstanders van „pre-emptive wars”. In Iraq, en als het hun lukt, ook in Iran.
Voor wie Leiden een beetje kent is het begrijpelijk dat daar in het roddelcircuit de wildste verhalen de ronde doen: „Zie je wel, Ajaan Hirsi Ali was in Kenja al geronseld door een Amerikaanse inlichtendienst! Of zeker door dat instituut!” Enzovoorts, enzovoorts. Haar komeetachtige carrière. Haar veronderstelde VVD-sympathien al toen ze nog bij de Wiardi Beckmanstichting werkte. Machtige kruiwagens. Enz, enz. Dat de Somaliërs door hun eeuwenlange onderlinge vetes, hun ongastvrij klimaat en hun schaarse economie al om te overleven kiene lieden zijn geworden, wil er bij die Leienaars niet in. Zeker niet dat de kienste proberen te emigreren en dat Ajaan misschien wel de kienste van de kienste is. Kortom, de idee dat men zonder flink ellebogenwerk en kruiwagens niets kan bereiken is wel het weerzinwekkendste van deze roddeltheorieen. Het is haast zo fantastisch als de roddeltheorieen in de Arabische pers, in het bijzonder de Egyptische. In de snelheid wordt vergeten dat ze een jaar of vijf politicologie heeft gestudeerd en zeer redelijk Nederlands heeft leren spreken.
Ajaan heeft trouwens zelf al toegegeven dat ze voor de Nederlandse verhoudingen wat onbehouwen te werk is gegaan. Als ze nu ook haar ijdelheid wat in de gaten houdt kan ze misschien ondanks dat instituut tot een wat minder polariserend optreden komen. Laten we het hopen. Haar betuigingen van vriendschap aan ’t mens Verdonk geven echter te denken. Heeft ze ook maar ergens solidariteit met de 26.000 uitgesproken? Wekt ze zo niet de schijn zelfs uit Amerika de ongenuanceerde houwdegenpolitiek van Verdonk te willen steunen?
Genuanceerd of polariserend door bijvoorbeeld alle Mohammedanen over één kam te scheren, het is diep droevig dat er voor Arjaan kennelijk geen plaats meer is in het zo tolerante Nederland.

Maar als heraut voor Ajaan’s toekomstige Amerikaanse optreden gaat Heleen Mees haar vooruit met een vaste column in NRC-Handelsblad. Ze werkt in New York en ze wordt geafficheerd in die qualiteitskrant als „jurist (gespecialiseerd in Europese belastingaangelegenheden) en publicist”. Van een titel in de rechtswetenschappen horen we niets, zodat we de omschrijving zullen moeten paraphraseren als „adviseur voor Europese belastingaangelegenheden en publicist”. Maar ter zake. Haar column is van dik hout zaagt men planken, lekker ongenuanceerd, als het even kan appels met peren vergelijkend en door onvolledigheid de invloed van William Pfaff bagatelliserend, ten onrechte suggerend dat hij alleen staat, of een voorstander is van de recente Franse studentenprotesten.
De argumentatie gaat op de volgende manier. „De Europese impasse is het resultaat van verwende kiezers en lafhartige politici.” Hè, denk je dan, heb ik dat niet net gelezen bij Pfaff? „Maar hij woont al jaren in Parijs en wordt in Amerika nauwelijks meer gelezen” meldt Heleen ons. Nu woon ik inderdaad niet in Amerika maar het toonaangevende tijdschrift waarom het gaat kun je niet alleen in New York overal krijgen (behalve in de Orthodox-Joodse tijdschriftenhandels) maar ook in alle grote steden in Holland practisch overal waar tijdschriften worden verkocht. Het is de New York Review of Books, het nummer gedateerd 11 Mei 2006, dat net twee volle weken in Nederland te koop is geweest en nog bij elke grote bibliotheek ligt.
Het is door zijn uitgelezen literaire en liberale koers een bijzonderheid onder de Amerikaanse pers, zeker omdat het al van lang voor de oorlog in Iraq tegen die oorlog waarschuwde.
Heleen gaat door „Voorstanders van (Europese) integratie roepen om het hardst dat Europa socialer, minder bureaucratisch, goedkoper en democratischer moet.” Hoor je Bolk of Neelie al roepen?
En dan „Aan Europa stellen we veel hogere eisen dan we aan de Nederlandse overheid stellen”, met als bewijs: „volgens de laatste NIPO-peiling heeft het kabinet het vertrouwen van niet meer dan 20 % van de bevolking, of we zelfs maar aan onze eigen partner stellen”. Die partner blijkt volgens de volgende zin niet België of Duitsland of Luxemburg, maar onze eigen echtgenoot, echtgenote, partner of slapie, althans iemand die in Heleen’s wereld de vuile was doet: „Die gaat toch ook niet bij het eerste het beste paar ongewassen sokken dat rondslingert de deur uit?”
Tja, naar welk vertrouwen heeft die NIPO-peiling eigenlijk hoeveel representatieve Nederlanders gevraagd? Vertrouwen in de politiek versus de Europese Gemeenschap? Vertrouwen in voldoende leiderschap in alle relaties in binnen- en buitenland? En wat voor vertrouwen hebben we in de economische en sociale politiek? En hoevelen menen dat het cabinet ondanks dat maar beter kan doormodderen omdat we, laat ik zeggen, maar 19 % vertrouwen hebben in een cabinet Wouter Bos?
En waar is die gelijktijdige enquête naar het vertrouwen in de Europese Commissie? Of in het Europese Parlement?
Laat mij nog zo een rammelende vergelijking bij Heleen aanhalen: „Als Amerikanen het lukt om samen in één gemeenschappelijk economisch en politiek systeem te huizen dan kunnen Europeanen dat ook”. Ik verbeter expres het Anglicisme van de verkeerde woordvolgorde niet, daardoor valt namelijk des te meer de nadruk op het weglaten van het artikel voor „Amerikanen”. En inderdaad, wanneer we denken aan de miljoenen Amerikanen die onder de armoedegrens leven, dan zijn we het hier eens met Heleen Mees: de Amerikanen die in één economisch en politiek systeem huizen bestaan immers niet.

Er is een plutocratisch, oligargisch en expansionistisch Amerikaans systeem, leven de Amerikaanse kranten die dat in het daglicht stellen en erop blijven hameren. Ik raad iedereen aan naar de kiosk te snellen en de New York Review of Books aan te schaffen om het zeer genuanceerde artikel van William Pfaff te lezen.
Hij is bijvoorbeeld niet tegen Villepin’s Contrat Première Embauche waar de Parijse studenten zo onverdeeld egoistisch tegen zijn. Hij vergelijkt b.v. met Raffarin’s veel behoedzamere en daardoor veel efficientere aanpak. Hij beziet het hele sociaal-economische veld, noemt en citeert vele Engelstalige en Franse schrijvers en vraagt zich af of het zo geroemde Scandinavische model niet al achterhaald is. (Om even een sneer te geven aan Wouter Bos: de PvdA loopt altijd zo achter de ontwikkelingen aan dat je er haast donder op kunt zeggen dat wanneer hij ertoe bekeerd is het inderdaad achterhaald is).
Pfaff eindigt met een zeer behartenswaardige opmerking, of de globaliseringstheorie niet achterhaald is. Maar hij presenteert de twijfels niet als de zijne, hij citeert ze aan het eind uitgebreid uit Philippe Grasset „a French critic of declinism”. Pfaff’s hele artikel krijgt diepgang door de verbanden die hij legt met het Franse pessimisme en de wegen die hij aanduidt die tot verbetering kunnen leiden. Maar zijn pleiten voor een humaner opvolger van het bestaande economische model dat arbeid als een „commodity” beschouwt en niet meer dan dat, zal zeker niet de instemming hebben van het AEI.

Heleen Mees snijdt wel honderd problemen aan, blijft hopen zonder concrete oplossingen voor te stellen en roept als een stuurman aan de Amerikaanse wal alle Europeanen toe: „Vooruit Europeanen, van die sofa af!”. Stevig einde, wat? Nou neen, het te verwachten P.S. komt nog: „Ayaan, welcome to the States”.


Zaterdag 8 April. Revius obiit, ook Hij bleek sterfelijk. Geven wij een proeve van characterisering van Zijn werk: Hij ging steeds schoner schrijver over een steeds enger onderwerp.


18 December 2005

BURQA

Burqa, burqa, ueber alles!
ueber alles auf der Welt!
Van de tenen tot de tieten
van de tie-ten tot de kruin!
Burqa, buhoerka, burqa, bu-hoerqa,
Boer-kaha haha haha, hahaha!

(vooys: Gott erhalte Franz den Kaiser! of een zeker later lied)

De commotie over de burqa doet denken aan de bezwaren van het Leidse raadslid Frederik Zevenbergen (thans zevende op de lijst) tegen een Moskee in Leiden Zuid-West die hij van de zomer heeft gespuid en in het najaar herhaald op de web-site van de VVD. Men moet vooral niet denken dat hij niet liberaal is! Neen hoor, het stuk is gedrenkt in fraaie phrasen, maar de populistische, anti-liberale teneur is duidelijk: liever geen vrijheid voor de Moslim om een gebedshuis te bouwen, althans niet wanneer het zichtbaar is. Het is alsof Zevenbergen als een ARP-broeder terug wil naar het voor-revolutionnaire tijdperk van de Republiek toen in de meeste steden kerken van andersdenkenden niet mochten opvallen, liefst schuilkerken moesten zijn. (Met dit „gedogen” was de Republiek in Europa toch nog zeer tolerant, bovendien was een stad als Amsterdam verdraagzamer dan Leiden: in Groot-Mokum mochten de Synagogen en de Lutherse kerken aan de openbare weg worden gebouwd).
Twee honderd jaar na de Franse revolutie verpakt Zevenbergen zijn intolerantie in bezwaren tegen de grootte van de Moskee, of liever: de grootte van het terrein waarop het hele complex moet worden gebouwd. Dat complex is zo een 5700 m² - vrij bescheiden zo te zeggen. Zoals je kunt verwachten komt Zevenbergen met mankgaande historische vergelijkingen: de Christenen zouden nooit op de groei hun kerken hebben gebouwd. Hij zou eens op de Zuid-Hollandse eilanden of in Zeeland moeten gaan kijken naar soms reusachtige kerken (denk aan Veere!) die in de bouw zijn blijven steken.
Een meer ter zake doend rondkijken in de omgeving zou hem de nieuwe Moskee in Alphen aan den Rijn doen opmerken: op zeker 7500 m², bovendien achter een brede zoom gemeentelijk open groen, zodat het hele complex een aantal sportvelden groot lijkt. En dat in een gemeente die de naam had van de meeste orthodoxe groepen en secten te hebben van heel Holland! Even wat geschiedenis: waar de Bisschop van Haarlem die de Roomse kerk kwam inwijden een escorte kreeg van koddebeiers om hem tegen de opgeschoten Protestantse jongeren te beschermen; een gemeente waar een vijftig jaar later grote commotie ontstond bij de Hervormden toen hun houten noodkerk door een Gereformeerde aannemer was geplaatst! Is Alphen aan den Rijn thans toleranter dan Frederik Zevenbergen wil zijn?
Stedebouwkundig zou men bezwaren kunnen voelen wanneer de Moskee vlak naast een kerk werd geplaatst. Maar helaas is de stedebouwkundige ontwikkeling van Leiden-Zuidwest zo dat er geen één opvallend gebouw met culturele meerwaarde is. Wat de gemeente wil laten bouwen zijn excessief hoge torens, b.v. aan de Snoekerhaven (die moet zelfs zo geplaatst worden dat hij een groot gedeelte van de dag het licht in de woningen er omheen schept) en een nog hogere Albert Heijntoren aan het Bevrijdingsplein. Speculatie en commercie gaan het gezicht van Leiden-Zuidwest bepalen, mag daar misschien één (zelfs in vergelijking met Alphen bescheiden) gebouw met culturele meerwaarde tegenover staan?

En nou weer die burqa waar alle zich liberaal noemende VVD-ers, wat rechtse groepjes en natuurlijk die van Balkenende & Compagnie tegen zijn... Tja, what’s in a burqa! Bij zulke vertogen krijg ik altijd de kriebel en zin om het Arabische woord in het Latijn te verbuigen, natuurlijk in de volgorde die de schoolgrammatica van Van der Heyde gaf en het woord vrouwelijk nemend. Daar gaat-i dan, op zijn Nederlands gespeld, alleen het meervoud:

Boer Kee, Boer Kee, Boer Karum,
Boer Kies, Boer Kaas, Boer Kies!


De Europese Unie en Montenegro - 18 December 2005

Het is van het grootste belang dat de Europese Commissie aan het gerechtvaardigde verlangen naar onafhankelijkheid van Montenegro tegemoetkomt. Afgezien van een faire bejegening van Montenegro lopen we anders het grote risico van nog een Balkanoorlog en nog meer ethnic cleansing.


Jobstijdingen voor de VVD

Deze laatste twee weken van November MMV staat de pers bol van de nare berichten voor de VVD: het lijkt erop alsof het Ajaan Hirsi Ali lukt de onderwijsstrijd weer op te rakelen. Wel met het botte bijltje - hoewel, en dat vind ik onrustbarend - hoewel dat botte bijltje haar de nodige admiratie schijnt op te leveren. Moderne of feministische admiratie? Volgens Marjolijn van Oordt (NRC-H, 29/11/05) vindt Wiegel het een compliment een reactionair genoemd te worden maar is „Ajaan, de jonge krachtige vrouw, de wereldburger met streetwisdom en het lef om gevoelige onderwerpen bespreekbaar te maken.” Volgt dat de partij op het pad van Ajaan een „toekomstgerichte partij aan de rechterflank” wordt „waar de opinieleiders van morgen zich thuis kunnen voelen.” En, onmiddellijk hieraan aansluitend, dat zich thuis gaan voelen gaat kennelijk bliksemsnel: „Zolang zij maar aan de rechterzijde staan, van vooruitgang en ontwikkeling houden, en de logica als voornaamste bron van debat erkennen.” De laatste comma heb ik voor de duidelijkheid toegevoegd (een stupiede schoolmeestersregel negerend), maar toch blijft me veel onduidelijk - waarom toch zo’n afgrijselijk Germanisme als „toekomstgericht”? Een oordeel over de toekomst zal het wel niet inhouden, bedoelt Marjolijn soms „progressief” maar durft ze de discussie over progressiviteit niet aan? Of zou ze het onlogische van een progressieve partij aan de rechterflank niet willen erkennen? Hoe definieert ze eigenlijk logica? Als iets waar het debat uit voortkomt of iets waarmee het debat gevoerd moet worden? Als iets in haar betoog waar flinkheid uit warrigheid moet voortkomen duidelijk is, dan is het dat ze naar het schaap met vijf poten zoekt: aan de rechterzijde staan maar van vooruitgang en ontwikkeling houden is voor de meesten onder ons een logische contradictie. Maar, maar, maar! Zouden Marjolijn’s kreten raillerend bedoeld zijn? Ik begon eigenlijk te twijfelen toen ik streetwisdom bij Hirsi Ali’s wereldburgerschap zag staan. Gecursiveerd nog wel, alsof het een Engels woord was. Maar het komt in de Engelse dictionnaires niet voor. Wel het adjectief streetwise, maar dat heeft overwegend minder gunstige betekenissen. In Chambers Concise Dictionary vinden we familiar with the ways, needs, etc. of the people who live and work on the city streets, e.g. the poor, the homeless, the petty criminals, etc.; experienced in, and able to cope with, the harsher realities of city life; cynical, wily. Vooral die et cetera’s geven te denken. Als een synomym vind ik street-smart en dan is er nog (in de meeste nieuwe edities in vlagen van anti-discriminatie, waarvan de rijkdom van de arme taal, die er niets aan kan doen, het slachtoffer wordt, eruit gecensureerd) het beeldende oude woord Street-Arab, waarvoor mijn Engels-Nederlandse woordenboek „dakloos kind; straatjongen, boefje” geeft.
Ga d’r maar aan staan Ajaan Hirsi Ali! Laat mij vooropstellen dat ik het erg leuk vind dat je elegant gekleed bent. Ik heb vreselijk het land aan die typisch Calvinistische botheid van „ik mag dan slordig gekleed zijn en geen opmaak hebben, maar ik heb zo een goede inborst”. Haast met de suggestie „ik heb een goede inborst want ik ben slordig gekleed en ik heb geen opmaak.” Ik vind het een quaestie van gewone onbeleefdheid, haast alsof je iemand geen hand wilt geven, om geen moeite te doen voor je uiterlijk. Soms voel ik zelfs voor dat Renaissancistische wereldbeeld dat van het omgekeerde uitgaat: een goed innerlijk uit zich in een goed uiterlijk - goed dan in zowel aesthetische als morele zin. Een laat afzakkertje van het verwarren van schoonheid en moraal vind je nog in de architectuur: daar wordt lelijkheid wel gepropageerd als „eerlijkheid” - och, och, wat zijn die moderne architecten toch eerlijk!
Sjoerd de Jong van NRC/Handelsblad zegt van Hirsi Ali „dit gevierde Kamerlid is een antireligieuze radicaal” die in hetzelfde interview waarin ze afschaffing van artikel 23 van de Grondwet bepleit het intrekken van subsidie aan de SGP ziet als „een overwinning voor het seculiere deel van het volk.” In een Jaar na de Moord op Theo van Gogh, een paar weken geleden in dit logboek, vindt men Ajaan Hisi Ali’s eigen Jobstijding. Ze had het toen over de zelf-censuur van de Nederlandse pers - en inderdaad, Sjoerd de Jong schijnt niet in de gaten te hebben dat ze toen nog als een fellow-traveller van Balkenende & Compagnie poseerde, coquetterend met de Oud-Testamentische variant van Job. Zo is ze met behulp van de pers weer stevig op haar radicale voorpost van de VVD geplaatst.
Zowel Sjoerd de Jong als Hans van de Breevaart (ook in NRC-H, 29/11/05) merken op dat de allochthonen gelijkelijk van openbaar en bijzonder onderwijs genieten. En inderdaad, Ajaan Hirsi Ali mag principieel nog zo gelijk hebben, maar schieten we iets op met afschaffing van artikel 23 van de Grondwet? Het is zeker een rammelend artikel, om niet te zeggen een rammelend monstrum, dat zich slecht verhoudt tot het in artikel 1 van de Grondwet uitgesproken gelijkheidsbeginsel. Ook bevat het vaagheden en vreemde mogelijkheden tot afwijkingen. Bij de laatste valt lid 4 op, dat in elke gemeente voldoende openbaar lager onderwijs vereist in een „genoegzaam aantal scholen” maar juist van dat genoegzaam aantal kan bij de wet worden afgeweken. Ook al omdat zowel de (basis)scholen sinds 1917 veel groter zijn geworden en het aantal gemeenten meer dan gehalveerd is, is herformulering op zijn plaats. Eisen van deugdelijkheid en bekostigingseisen zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden. Onder deugdelijkheid worden meestal de qualiteit van het onderwijs en de gebouwen begrepen, maar de qualiteit is verweven met de vrijheid van richting die gerespecteerd moet worden. Volgens arresten wordt met vrijheid van richting op een godsdienst of levensbeschouwing gedoeld, niet op een paedagogisch-didactische methode. Hier hebben we een principieele moeilijkheid: zo’n arrest ziet kans een grens te trekken tussen zaken die in elkaar overlopen. Uiteindelijk stoelt elke didactische methode op een levensbeschouwing - wanneer Ajaan Hirsi Ali ons staatsscholen wil opdringen is ze net zo intolerant als de groepen waartegen ze wil optreden. Toegegeven, een tikje intolerantie is nodig in de vorm van de consensus noodzakelijk om te overleven - maar in de zaak van vrijheid van bijzonder onderwijs zijn de bestaande wettelijke eisen van toezicht ruim voldoende om het voortbestaan van de seculiere rechtsstaat te garanderen. Voorhands kan het Parlement zelfs op grond van artikel 23 het creationisme buiten het gesubsidieerde curriculum houden - afschaffing van geheel artikel 23 zal eerder tot spanningen en fundamentalisme leiden dan de practijk van rekkelijke toepassing van dit wollige artikel. Toezicht op respectering (van de andere artikelen) van de Grondwet is belangrijker.


Turkije moet bij de Unie

In NRC/Handelsblad van 4 Februari 2004 heeft Thomas von der Dunk een artikel gepubliceerd met de emotionele, al heel weinig rationele subtitel (mijn cursivering): ,,Turkije heeft nooit bij Europa gehoord maar er altijd bij gehangen”. Het is ronduit merkwaardig dat Thomas von der Dunk begint met voorstanders van toetreding te beschuldigen van het gebruik van non-argumenten om vervolgens zelf met een serie non-argumenten te komen (tot en met een haar uit de pruik van Lodewijk XIV, dat ik maar als quantité négligeable zal beschouwen). Zijn exposé poneert dat voorstanders zich op non-argumenten beroepen en zegt ,,zij gaan de principiële vraag waar een werkbaar Europa geografisch ophoudt en wat de criteria daarvoor zijn uit de weg”. Deze zin is voor een zinvolle discussie onacceptabel wollig, niet alleen door de drie beperkende woorden ,,principiële”, ,,werkbaar” en ,,geografisch”, maar zeker door de onduidelijkheid waarop ,,daarvoor” terugslaat. Zeker niet op de ,,criteria voor de principiële vraag” - ik daag Von der Dunk uit als eerste cultuurhistoricus criteria voor principes te formuleren, terwijl criteria voor het ophouden van een werkbaar Europa niet logisch aan de geografie kunnen worden gekoppeld.
In zijn artikel trapt Von der Dunk bovendien nog in de valkuil van het aanvoeren van een aantal geselecteerde historische argumenten, het soort argumenten dat nog zo recent op de Balkan is gebruikt om genocide te plegen - kortom het is de vraag of ze voor een heldere evaluering van het probleem ter zake doen (ze lijken er bovendien met de haren bijgesleept) en of ze de discussie niet eerder vertroebelen dan verhelderen.
Zulke historische argumenten zijn altijd met reeksen contra-argumenten te pareren. Ik zal een paar aanvoeren, in de hoop dat deze particuliere feiten niet onder de non-argumenten dienen te worden gerangschikt. Allereerst het geografische argument, de grens van Europa. Volkomen arbitrair. Von der Dunk gaat terug tot de 19de, 18de, ja 17de eeuw. Waarom niet tot de 16de toen vele door de rabiate clericale politiek in Spanje en Portugal vervolgde Joden zich in het Ottomaanse Imperium vestigden, bijvoorbeeld in Jeruzalem, Instanboel en Thessaloniki? Waarom eigenlijk niet tot de tijd van het Romeinse Keizerrijk, mediterraan om de Middellandse Zee liggend, toen door het tolereren van practisch alle godsdiensten het ideaal van de laicité veel meer bereikt was dan zelfs nu in enkele landen in West-Europa? Ik zal het land waaraan velen nu al zullen denken noemen. Eerst iets anders over de scheiding van kerk en staat die in Turkije na de Eerste Wereldoorlog door Kemal Atatürk is doorgevoerd. Een verassend gevolg is geweest dat de grote Joodse colonie in Istanboel geruisloos is geassimileerd. Meer naar het Westen, waar volgens Von der Dunk Europa pas begint, in Thessaloniki, waar de overheersende Griekse Orthodoxie assimilatie in de weg stond, is de Joodse bevolking bijna geheel door Hitler vermoord. Ik noem het omdat het verband heeft met de belangrijkste politieke argumenten om Turkije wel bij de Europese Unie te betrekken.

Eerst nog een quasi-politiek argument van Von der Dunk. Ik citeer: ,,de wieg van het Christendom stond ooit (is dit ,,ooit” in affirmatieve zin geen Zuid-Nederlands voor ,,eens”? en: kan een wieg op twee plaatsen staan?) in het Midden-Oosten. Maar maken we daarom eveneens Irak, Egypte en Israël lid?”. Een andere vergelijking vormen zijn Verenigde Staten die Mexico het lidmaatschap van de Vereniging niet aanbieden - ik laat het aan de lezer over op te sommen welke argumenten hier parallel aan de Europese zijn.

Is het Christendom hèt of een van de criteria die Von der Dunk hanteert om de grens van Europa te bepalen? En wat voor Christendom? Toch niet de naar fundamentalisme neigende Roomse catholiciteit van veel van de 40 millioen Polen? Waarom protesteert Von der Dunk niet tegen het buiten alle proportionaliteit liggende maar in Nice toegezegde aantal stemmen voor Polen? Ziet Von der Dunk geen reeel gevaar voor de laicité, om de democratie zelf maar niet eens te noemen, bij een Christendom in Europa waarvan een groot gedeelte nauwelijks schijnt te voelen voor een scheiding van Kerk en Staat? Beseft hij wel wat voor historische barbarij hij betrekt in zijn ,,werkbaar «Latijns» Europa”? Ik heb het niet eens over de vaagheid van zijn «Latijns» dat een aantal Slavische en Grieks-Orthodoxe staten omvat.
Zijn historische argumenten doen denken aan de argumenten die de Orthodoxie in Israel aanvoert om colonisatie van de Palestijnse staat te rechtvaardigen... de grenzen van het rijk van Salomo. Geheel voorbijgaand aan het feit dat de Samaritanen van dat rijk een onderdeel vormden, of dat het rijk als de bakermat van de (alle drie latere) Mozaische godsdiensten beschouwd kan worden, zowel het Talmud-Judaisme, als de Christelijk of Mohammedaans geworden takken van dat Oud-Testamentische Jodendom.
Een van de sterkste argumenten voor nauwere politieke verbanden in Europa is juist het verlangen geweest om na het Hitler-tijdperk de democratische, progressieve krachten in Duitsland weer tot leven te wekken. In het geval van Turkije is niets zo belangrijk als deze zelfde krachten te ondersteunen door Turkije bij ,,Europa” te betrekken. Von der Dunk doet er goed aan het gevaar van een Turkije dat zich uitgesloten voelt niet te onderschatten. Zo een Turkije kan gemakkelijk in een gevaarlijk fundamentalisme kan vervallen. Dezelfde op de realiteit gestoelde argumenten die na de Oorlog tot opneming van Duitsland in de Europese gemeenschap hebben geleid gelden voor een groot gedeelte thans voor opneming van Turkije.
De structuur van de Europese Unie is op het ogenblik onuitgebalanceerd. Misschien zou het b.v. beter zijn Berlusconi er als ondemocratisch uit te gooien voordat hij een monsterverbond sluit met Polen. Maar juist omdat het zo is, en ik ben het helaas met deze evaluatie van Von der Dunk eens, dan dient het belang van opneming van Turkije een extra factor te zijn om niet de stoomwals van een slecht georganiseerde Unie over ons heen te krijgen maar om in onze eigen tuin het nodige aan te harken en de structuur van de Unie te herzien. Dat lijkt me positief werk, waarbij ik meen het woord ,,positief” niet alleen emotioneel te gebruiken.
De inburgering van Turkse (volg)immigranten lijkt me nog zo een non-argument. Ik denk weer aan de Polen, en Von der Dunk zelf noemt Marokko en Pakistan, daarmee toegevend dat inburgering al heel weinig te maken heeft met de grenzen van de Europese Unie.
De oplossing voor dat probleem ligt volkomen bij ons zelf: wanneer wij zorgen dat de Nederlandse cultuur niet versloft, maar weer een schitterende uitstraling krijgt, wordt ze zo aantrekkelijk dat inburgering en assimilatie haast ongemerkt verlopen.

Getekend met „Wouter Kuyper is schrijver en historicus” heb ik dit op 10 Februari 2004 aan de/het NRC/Handelsblad gestuurd met de begeleidende notitie „Von der Dunk is zijn academisch bestaan als architectuur-historicus begonnen. Ik ook, daarom lijkt het me beter verder te gaan als schrijver en historicus opdat het publiek niet de idee krijgt dat architectuur-historie per se leidt tot gevaarlijk vaag definieeren. Ik zie helaas in Von der Dunk’s artikel een aantal opinies die zich slecht met de democratie verdragen en die bovendien leiden tot een fataal onjuiste politieke evaluatie, terwijl ze aan de andere kant haast fatalistisch het bestaande bestel van de Unie aanvaarden”.

Die qualiteitskrant liet weten erop terug te zullen komen. Deed ze een paar maanden later met een nog snorkender, populistischer vertoog van de jonge Heer von der Dunk, waarin hij o.a. beloofde haarfijn te zullen uitleggen wat eigenlijk Europa was en wat niet. Men snapt intussen dat Rusland, Wit-Rusland, de Oekraine, enz, er niet bij horen. Hij trok een lijn die ergens bij Petersburg begint, zorgvuldig de Roomse schapen van de Orthodoxe bokken scheidend en dan naar het Zuiden zakkend. Ja, hoe zou hij die lijn vervolgen over de Balkan? Zou hij stellingnemen tegen het Grieks-Catholieke Griekenland? Welneen, de lijn werd vager en vager om tenslotte geheel uit the picture te verdwijnen.
Gelukkig bleek ik niet alleen te staan in mijn angst voor een conservatief, om niet te zeggen fundamentalistisch CDA-overwicht in de Unie, in een van de meer Protestantse dagbladen gebruikt iemand die het gevaar in de gaten heeft al de oude kreet liever Turks dan Paaps. En hoe toepasselijk op de jonge Heer von der Dunk!

En, alweer een jaar later: er schuilt een zekere tegenstelling tussen het roepen om harde maatregelen tegen het fundamentalisme in eigen land en het tegen willen gaan van de militaire invloed op Turkse staatszaken, die alsnog een, zo niet de enig effectieve, rem is op ontwikkeling van moslim-extremisme in Turkije. Betere waarborgen in de E.U. zelf tegen ongewenste ontwikkelingen - te noemen vallen te grote invloed van een regering, in casu een machtige premier, op de media in Italië, of te grote invloed van de kerk op de staat, repressie van de vrouwenrechten en nog steeds sluimerend racisme (getuigen b.v. recente anti-Semitische uitspraken van Lech Walesa) in Polen.

En ook: denk in onze eigen „tuin” eens aan Van der Hoeven’s „creationisme” en aan Donner’s anti-liberale wetsvoorstellen. Wanneer we Donner’s voorstellen willen uitvoeren moeten we beginnen met het verbranden van alle Romantische literatuur inclusief Multatuli en Salman Rushdie. Terwijl Pechtold, och arme, maar niet toekomt aan herziening van de AWB of instelling van een Constitutioneel Hof. Bij de literatuur die tot geweld aanzet moeten we zeker Die Räuber en andere geschriften van Schiller vermelden, b.v. zijn verhaal over de Nederlandse Opstand tegen de Koning van Spanje.

En misschien ten overvloede: het valt op dat de snel schrijvende zoon van een émigré in populistisch, xenophoob en nogal Rooms-Catholiek getint vaarwater terechtkomt. Een droevig geval van plus royaliste que le roy ? Heb ik in mijn beroepsomschrijving aan de qualiteitskrant iets achtergehouden, iets wat toch nog ter zake doet, ben ik zelfs geweest wat de Engelsen disingenuous noemen? Thomas von der Dunk noemt zichzelf cultuur-historicus, ik heb getekend met „schrijver en historicus”, wijzend op ons begin als architectuur-historici, een vak dat veel eist qua nauwkeurigheid, historisch inzicht, heldere interpretatie, enz. - het begon ermee dat Von der Dunk zich steeds meer van de iconologisch zo erg veel eisende 16de en 17de eeuw afkeerde en steeds meer bij de latere architectuur terechtkwam waar een Romantische interpretatie hoogtij viert, zie zijn betogen over Petrus Camper, een vurige Orangist, die door Goethe niet zonder lichte ironie werd gequalificeerd als « ein Meteor van Geist, Wissenschaft, Talent und Thaetigkeit.»
Maar nu ik het toch over emotioneel beladen zaken heb als Rooms en Protestant, anti-Semitisme en Turks: Von der Dunk en ik hebben nog iets gemeen, wij stammen beiden van émigré’s af, zijn familie is recent uit Duitsland gevlucht, de mijne enige eeuwen eerder uit Praag. Misschien zijn wij wel van Chazaarse origine! Wordt er immers niet gezegd dat een groot deel, zo niet bijna alle Ashkenaziem (Joden uit Midden en Oost-Europa) van de Chazaren afstammen? Een Turks volk in het zuiden van Rusland dat in de achtste eeuw tot het Jodemdom overging. Lees er Arthur Koestler maar op na. Kortom, hoe zouden wij Paaps en anti-Turks kunnen zijn, jonge Heer von der Dunk?


In Zwolle op 24 November 2005: Heimwee naar het Verleden

Op rondreis langs de voornaamste Nederlandse steden om te zien wat ze de laatste vijftig jaar van hun royale entrée hebben gebakken treft me in Zwolle een hinkende symmetrie van oud en nieuw aan het begin van de Stationsweg. Gelukkig staat Hotel Wientjes er nog - deftig burgerlijk negentiende-eeuws.
Ik zal erop terugkomen bij een Leidse zaak die hier beklonken is.
De binnenstad van Zwolle is een wettelijk beschermd Stadsgezicht, maar als je je op de Melkmarkt waagt, waar een wettelijk beschermd stedelijk museum hoort te staan, het Drostenhuis, dan krijg je de schrik van je leven: uitgebreid door zo een egotrippende moderne architect met een al even zo groot stuk als het oude Drostenhuis maar in een emballage-architectuur van de ergste nihilistische ellende: schaalloos, van ijzer (dat door de moderne jongens staal wordt genoemd, maar daarom niet minder detoneert), de ene helft van deze alles eromheen kapotslaande troep geheel gesloten, de andere beglaasd, zodat je al van de straat kunt zien dat deze helft geheel in beslag wordt genomen door één ijzeren trap met glazen treden die omhoog gaat en één ijzeren trap met glazen treden die omlaag gaat. Of als je wilt andersom. Een leuk spelletje op stadskosten en met stadsruimte die eigenlijk voor expositie bestemd zou moeten zijn. Achter de gesloten helft (op het ogenblik is er een aardige tentoonstelling van de vriendelijke schilder Arie Zwart - een schaatstafereel onder een staalblauwe hemel doet zelfs huiveringwekkend koud aan) is nog een trappenhuis, met van die ijzeren roostertreden zoals ze voor aan de gevel hangende brandtrappen nog wel worden gebruikt, dat nog een verdieping hoger opgaat. Want dat is het enige wat de egotrippende architaster met zijn glazen, met ijzer versterkte trappen wel heeft begrepen: over zo een dwingende stijgende sculptuur kun je niet nog een trap leggen! Maar zijn de geachte raadsleden van deze gemeente al even ziende blind als die van Leiden? Heeft geen één gezegd: kunnen we dan die brandtrappen niet iets ruimer en breder maken en vóór twee keer zo veel expositieruimte hebben? En heeft geen één gezegd: collega’s raadsleden, wat zijn we eigenlijk met dat beschermde patrimoniaat aan het doen? En heeft geen één gezegd: collega’s raadsleden, zullen we nou niet eens eerst in Amsterdam gaan kijken wat er van de allure en de omgeving van het Rembrandthuis nog over is?
En toen het definitieve ontwerp er kwam: heeft niemand gevraagd „wat moet die roje piel bij de ingang doen?” Wat is dat toch, zijn ze allemaal aesthetisch of in elk opzicht impotent, die moderne ontwerpers, dat ze allemaal met phallische hoogstandjes, liefst bloedrood, hun potentie willen bewijzen? Voorbeelden te over: in Nieuwkoop een in tweeën geknipte villa waar de rode paal recht in het midden tot aan de puntige samenkomst van de dakhelften zijn kunststuk uithaalt, in Leiden een buikige rode totempaal voor de ingang van het Gerechtsgebouw, in Pechtold’s Wageningen een uitschuifpiel voor wie de symboliek niet duidelijk mocht zijn...
En waarom op het dak van die gesloten doos dat plattelandsvilla’tje? Wil de architect zich daar op zijn oude dag terugtrekken, zodat hij kan zeggen en dessous de chez moi le déluge, maar nu ga ik lekker genieten van wat er aan oude stad van Zwolle nog over is?
Bij Leiden een voorstel voor de allereerste noodreparaties die er aan de lekke mand van de Monumentenwet nodig zijn. Eerst terug, gauw langs Wientjes naar de trein, het wordt al kouder en natter, in de trein fijn met een boekje: Le Cid, het van 1637 daterende toneelstuk van Corneille. Heerlijke lectuur. Wat een vaart! Een tragi-comédie, wat bij ons in die tijd wel een blij-eindspel heette. Maar aan de ene kant veel moderner dan het Hollandse toneel met zijn stomme vertoningen en ellenlange monologen, en aan de andere kant nog met de kracht en de frisheid van de zestiende eeuw. Binnen een paar bladzijden is het hele exposé gegeven, de nodige dode gevallen, en het dilemma voor Chimène, de heldin, gesteld: dient haar liefde voor Rodrigue de voorrang te krijgen of vereist de eer van haar huis wreking van haar vader, die immers door diezelfde Rodrigue in een duel (zij het om zijn vaders eer te wreken) is doorstoken? Eénheid van plaats, tijd en handeling alleen in zover ze de dramatische werking niet in de weg staat, zoetvloeiendheid van veerzen ook met mate - zodat Corneille zelf later nog een aantal wijzigingen heeft aangebracht. En passant nog iets heel belangrijks: wat de Vorst nog van zijn onderdanen moet accepteren en omgekeerd wat hun grenzen zijn jegens Hem.

foto
Zwolle, Museumuitbreiding in de Binnenstad. Er achter het oude Drostenhuis

In Hotel Wientjes heeft de beruchte vergadering van de Monumentenraad plaatsgevonden, die avond in de jaren vijftig dat het doek is gevallen voor de Leidse Trapgevel van 1652 (Breestraat 79, het hoekhuis aan de Diefsteeg; en het waardige achttiende- of vroeg negentiende-eeuwse patriciershuis Breestraat 81 ernaast. De heren hadden al de hele dag een excursie gehad, wel naar Hattum, het was de tweede of derde keer dat de belangrijke zaak ter sprake kwam en na het diner waren al een paar naar huis gegaan. In de overgebleven rompraad heeft Engelbert ter Kuile (die de Beschrijving van Leiden had gemaakt) zich geweerd als een leeuw om de trapgevel te redden. Tactisch als het moest, b.v. toegevend dat de onderpui was verpest maar zeer goed restaureerbaar. J.J.P. Oud, de architect, bracht als argument naar voren „dat de jonge architect toch een kans moest hebben...” Waarom ten koste van een monument en waarom toch in de Binnenstad vraag je je af... De stemmen waren tenslotte even verdeeld, zodat de Minister de beslissing nam. Dan spelen, zoals men begrijpt, z.g. bestuurlijke overwegingen een rol: de aanvrager was een van de grote banken (een bank die uit „degelijk”, „historisch” gevoel haar naam nog met sch spelde: de Twentsche Bank, later opgegaan in de Amro, enz). Ach die nostalgische gevoelens toch: al als jong student, of misschien zat ik nog op het gymnasium, heb ik toen al in het Leidsch Dagblad tegen die afbraak geschreven.
Aangezien de bank het gebouw nu toch wil afstoten ons voorstel voor stadsherstel ter plaatse. En wat wettelijke maatregelen betreft: een nieuwe monumentenwet, betere en strenger procedures bij beschermde stadsgezichten (o.a. een wettelijke basis voor zonering), algemene bescherming van de oudere monumenten zodat die niet worden overgelaten aan arbitraire, élitaire beslissingen, onverschillig of dat nu komt door moderne architecten in een monumentenraad of ministers of andere leden van advieslichamen die zich verschuilen achter „beleid”.


Nostalgie

Begin November heeft Jan Blokker het in zijn column over plaatselijke oproeren in Frankrijk die men in de provincie niet waarneemt. Het doet denken aan de beschrijvingen door Victor Hugo in Les Misérables van de bloedige plaatselijke oproeren, émeutes noemt hij ze, in de Parijse achterbuurten in de eerste decenniën van de negentiende eeuw, terwijl op de boulevards er omheen het galante leven vrolijk doorhuppelt. Blokker mengt er wat nostalgie doorheen: grote figuren die epochale gebeurtenissen missen zoals de studentenrellen in Parijs in Mei 1968.
Mag ik ook even, Jan? Lekker nostalgie. Als arme student zat ik eens bij Hoppe, het café vlak bij het standbeeld van het Lieverdje dat alle Amsterdammers kennen. Maar ik ben van nature geen caféganger en als arme student kon ik nauwelijks de treinreis naar Groot-Mokum betalen, zodat die merkwaardige avond de ene is geweest waarop ik ooit bij Hoppe heb gezeten. Ik denk dat het heerlijke, zwoele zomerweer me had gelokt, ik heb een paar uur vredig en ontspannen op het terras gezeten. De volgende dag bleek al gauw dat ik de bezetting van het Maagdenhuis (twaalf maanden na die émeutes in Parijs) op enkele tientallen meters afstand volkomen had gemist...
Hugo’s Ellendigen (10 delen, Parijs en Brussel, 1863) zijn ongelooflijk taai, ik begrijp niet hoe ik er, nog maar een paar jaar geleden, doorgekomen ben. Taai vooral om zijn politieke uitweidingen waar Hugo meer eerlijke verontwaardiging ten toon spreidt dan de revolutie te preken - zodat zijn roman ook voor de bourgeoisie lijkt geschreven. In arren moede definieert hij tenslotte het verschil tussen émeute (oproer) en révolution even elegant als simplistisch: een oproer is een revolutie die niet gelukt is. Klaar. Daarom heb ik de rellen van ’68 ook niet zoals gewoonlijk de „Meirevolutie” genoemd: in terugzien blijken het émeutes te zijn geweest nu de oproerlingen van toen op het pluche zitten en een veel groter kwaad rellen oproept: racistisch getinte sociale achterstelling in verpauperde voorsteden. Het enige positieve is dat de oproerlingen er bij willen zijn, volwaardige Fransen willen zijn - indien Villepin en Sarkozy alleen met harde hand symptomen gaan bestrijden lopen ze het risico die laatste band door te snijden.
Ach, lieve nostalgie, wij van D’66 wilden het hele verrotte stelsel opblazen! Maar omdat we bijna veertig jaar lang geijverd hebben voor een gekozen burgemeester zonder ooit het ambt opnieuw vorm te geven (hoe moet dat nu precies, een gekozen vertegenwoordiger van de gemeenschap die ook pottenkijker van de minister van binnenlandse zaken is?) zitten we nu met de brokken. Trouwens al onze mooie punten zijn alleen maar oproerig gebleken nu onze bestuurders er geen enkele moeite mee hebben met een reactionnair establishment samen te werken. We hadden een PAK, een progressief accoord, met PPR en PvdA (in Leiden zelfs met PvdA en PSP) en een Gruyters die oreerde: „Ik heb aan die confessionele heren geen boodschap. Ze hebben twee millennia van onbetrouwbaarheid achter zich. Ze zullen er in Den Haag nog van lusten.” Hebben we toch te veel lieden in de partij die de geestelijke deuk van opvoeding in Jezuitencolleges nooit hebben hersteld? Late conclusie, maar beter gekeerd dan doorgaan na bijna veertig jaar in de woestijn te hebben gedoold: tweeduizend-en-veertig jaar wordt echt te veel.


Een Jaar na de Moord op Theo van Gogh

Een jaar na de afgrijselijke moord op Theo van Gogh. Een groot artikel van Ajaan Hirsi Ali in de Volkskrant, begrijpelijk geemotioneerd, maar toch ook weer met apodictische uitspraken die niet bijdragen aan de goede ethnische verhoudingen waar Job Cohen naar streeft. Ik bedoel de zin „er is een overvloed aan bewijs dat de Islam (mijn hoofdletter, ik schrijf ook Christendom en Jodendom met hoofdletters) in de kern onverenigbaar is met de Westerse waarde van vrijheid en zeker met de vrijheid van meningsuiting”. Het lijkt me beter niet over iets ongrijpbaars als de kern van een godsdienst te discussieeren (zijn niet de meeste godsdiensten, met name de drie Mozaische geloven waarmee we in het Westen te maken hebben, onverdraagzaam in hun waarheidspretentie?), het gaat erom iedereen de wet van de seculiere Nederlandse staat te doen eerbiedigen.
Toch lijkt Ajaan Hirsi Ali’s opstelling gelukkig iets genuanceerder dan 4 Mei dit jaar toen ze voor de journalisten een lezing over de persvrijheid heeft gegeven (die integraal in de Volkskrant stond afgedrukt). Die lezing heeft ze na het begin over de persvrijheid bedorven met twee toevoegingen. Ten eerste een voorkeur voor een twee-partijensysteem, een systeem dat voor een land als Nederland met zijn vele stromingen en richtingen totaal ongeschikt is en dat haaks staat op de „vrijheid” van kleine partijen. Ten tweede door de seculiere lezing te eindigen met een vreemd pleidooi waaruit zou moeten blijken dat de Bijbel beter is dan de Koraan - voorwaar een pleidooi dat men in de boezem van het CDA zou verwachten, maar niet bij een VVD-kamerlid.
Bovendien gaf het blijk van een fundamentalistische opvatting van de Koraan die we - met Ajaan Hirsi Ali - als een van de struikelblokken bij de acculturatie zien. Het ging over het verschil tussen de Bijbel en de Koraan in het schrijven over Job. Ze noemt Job’s opstandigheid tegen God een „stijlfiguur” die in de Koraan niet voorkomt, in tegenstelling tot de Bijbel, waaruit ze dus opmaakt dat in de Christelijke traditie wanhoop, ongeloof en kritiek mogelijk zijn als „wezenlijk verschil” tussen beide godsdiensten. Ze selecteert één traditie uit de vele van het Westen, vergeet de andere en die gelovige Joden en Moslims die we voor het gemak maar even „verlicht” zullen noemen.

Ten eerste doet Job volgens de Bijbel of de Koraan niet ter zake. We leven hier, god zij dank, niet in een theocratie en we dienen dan ook niet in de gemakkelijke valkuil van populistische politici te vallen om oude verhalen, hoe prachtig en indrukwekkend ook, in hun religieuse context als argumenten in de politiek naar voren te schuiven. En dan is het helemaal jammer dat ze de Koraan benadert als de eerste de beste fundamentalistische predikant. Daarbij heeft ze schijnbaar gelijk door samenvattende kortheid aan te voeren die tot onvolledigheid leidt - onvolledigheid die volgens haar eigen betoog een kenmerk van censuur is. Het is namelijk waar wat ze zegt over de samenvatting van het boek Job in de Koraan (soera’s 21, 83-84 en 38, 41-44), maar dat is niet de essentie van de voorlezing, die het verhaal bekend acht en als voorbeeld geeft van Gods barmhartigheid.
Door verdraaiing van de essentie blijken zowel niet-Moslims als Moslims bepaalde passages uit de Koraan als anti-Joods of anti-Christelijk op te vatten, maar keer op keer geeft de Koraan er blijk van niet aan de Torah of Christus’ leefregels te willen tornen, doch ze alleen aan te vullen. Abraham, Isaac en Jacob worden herhaaldelijk als trouwe dienaren Gods aangehaald, ja als profeten, ook moeten we niet twijfelen aan de woorden van David of Jezus.

De soera 4, 47 is zo een passage die wel anti-Joods wordt opgevat in zijn bewoordingen „zoals Wij vervloekt hebben de lieden van de Sabbat”, maar die door vergelijking met soera 2, 65 blijkt te gaan over diegenen die de Sabbat overtreden - de hele passage daar gaat trouwens over lieden die van Gods gratie en erbarmen worden uitgesloten, Joden of Christenen, omdat ze zich niet houden aan de Mozaische Wet.
De Koraan rekent het niet tot zijn taak critiek op het Oude Testament te geven, hij veronderstelt alle verhalen als bekend, zijn kort résumé geeft Jobs standvastige godsvrucht en Gods vergiffenis en beloning. (Tot de vraag die voor mij het boek Job extra fascinerend maakt komt hij niet, het is trouwens een 19de-eeuwse vraag: zijn die vergiffenis en beloning er later bijgeschreven en had het verhaal eerst die gruwelijke kracht van het godsvertrouwen dat alleen maar tot de mestvaalt leidt?) De Koraan houdt het bij de troostende Joodse en Christelijke traditie dat God zich over berouwvolle zondaars ontfermt. En ook in deze traditie houdt het verhaal de aanvankelijke huiveringwekkende spanning: zal God zich over Job ontfermen? Bibliotheken zijn erover volgeschreven.
De Koraan kan kort zijn omdat hij Torah en Evangelie bij zijn toehoorders bekend veronderstelt, hij wil niet ontbinden maar verbeteren, hij is het eens met de hoofdlijnen van Mozes’ en Jezus’ betoog, alleen kan hij Jezus niet als de profeet beschouwen (hoewel God hem tot de Rechtvaardigen rekent, soera 5, 116-118). De Koraan niet in zijn context en opzet beschouwen lijkt me een onvolledigheid die dichtbij die (zelf)censuur van de Nederlandse pers komt die Ayaan Hirsi Ali zo graag en zo terecht wil bestrijden. Haar doel heeft ze, althans bij de Volkskrant niet bereikt, die haar rede, inclusief het Jobseinde, zonder commentaar geeft (en mijn reactie niet wilde plaatsen). Zou ze er niet goed aan doen het hele probleem van de gangbare fundamentalistische Koraaninterpretatie aan de kaak te stellen?
Het is helaas zo ver gekomen dat de Nederlandse vertaling van de Leidse hoogleraar Kramers, die nog steeds wordt herdrukt, in fundamentalistisch, anti-Joods en anti-Christelijk vaarwater terecht is gekomen. Als afschrikwekkend voorbeeld de mishandeling van de belangrijke eerste soera van de Koraan, ik geef hem eerst volgens Kramers’ eerste druk in 1956:

In de naam van Allah, de Barmhartige Erbarmer.

Lof aan Allah, de Heer der wereldwezens.
De Barmhartige Erbarmer.
De Heerser op de Dag des Gerichts.
U dienen wij en U vragen wij om bijstand.
Leid ons langs het rechtgebaande pad.
Het pad dergenen, wie Gij Uw weldaden schenkt;
over wie geen toorn is en die niet dwalen. Amen.

In de nieuwe drukken bij de Arbeiderspers wordt allereerst het Nederlands gemaltraiteerd: geen goed voorbeeld voor hen die geacht worden te accultureren. Zo is al in deze belangrijke eerste soera Kramers’ correct meewerkend voorwerp (of datief, ook wel „derde naamval” genoemd) „wie” vervangen door „die” - iets wat weldenkende en welschrijvende mensen niet doen al was het alleen maar omdat het de mogelijke scherpte van uitdrukking beperkt. Kramers’ „wie Gij Uw weldaden schenkt” is verworden tot „die Gij Uw weldaden schenkt”.

Kramers had één noot bij deze soera, namelijk bij het rechtgebaande pad : „Het ware geloof; meestal gebruikt voor de Islaam, doch ook voor de prediking van Mozes (soera 37, 118) en Jezus (soera 3, 44) en soms voor de godsdienstige wijze van leven in het algemeen (soera 7, 15).”

Al uit de aanhalingen van de bekende namen uit de Torah en het Evangelie blijkt dat het de bewerkers niet te doen is om een bij de Nederlandse cultuur aangepaste versie te geven, maar eerder om hun fundamentalistische ghetto-opvatting aan de lezers op te dringen. Zo vinden wij Musa en Harun waar de Nederlandse traditie (inclusief de Nederlands-Joodse traditie) het over Mozes en Aäron heeft, Tawrah en Ingil voor Torah en Evangelie, en over de Verkondiging: „Zijn naam is de Masih ‘Isa, de zoon van Maryam” , waar bijvoorbeeld de vertaling van de Ahmadiyya Beweging heeft: „O, Maria, waarlijk, Allah geeft u blijde tijding door Zijn woord : Zijn naam zal zijn : de Messias, Jezus, zoon van Maria, geëerd in deze wereld en in de volgende en hij zal tot hen behoren die in Gods nabijheid zijn.”
Alles is gedaan in de bewerking van Kramers bij de Arbeiderspers(!) om maar contaminatie met de omringende Christelijke cultuur te voorkomen, de toegevoegde noten zetten aan tot haat tegen Joden en Christenen. Dit soort noten juist bij de eerste soera al spreekt boekdelen. Kramers’ verwijzing naar een ruime interpretatie bij het pad dergenen, wie Gij Uw weldaden schenkt verwordt tot: „De moslims. De weldaad is dan de openbaring van de Koran.” Ook bij toorn is een noot gekomen: „Zoals over de joden” - en aan „dwalen” is de derde noot toegevoegd: „Zoals de christenen.” Om deze noten te rechtvaardigen wordt een eeuwen latere commentaar aangevoerd, zodat ongenuanceerd Gods toorn zich over alle Joden uitstrekt en alle Christenen dwalen.

Misschien dat we dan toch de Staten-Generaal moeten verzoeken om een (tot de tijd van Mohammed teruggaande) niet tot haat aanzettende maar wel correcte vertaling van de Koraan te autoriseren!


Alexander Pechtolds Leidse Jaren tot eind October 2005

Nu ik over Pechtold wil schrijven schiet me weer die feestelijke propaganda-avond te binnen van de Leidse afdeling van D ’66 een jaar of vier, vijf geleden. Druk bezocht, en de journalist Van Brussel hield een gloeiend betoog over de verdiensten van mijn oude makker, Bert Oosterman, die dat, glimlachend en zwijgend zoals altijd, gewillig over zich liet komen. Oosterman zou de stad hebben gered van een voorloper van het Aalmarktplan, een autovierkant midden in de stad... Oosterman zou... Hè, dacht ik, die zaak was toch al lang beklonken toen Bert en ik in 1970 in de Raad kwamen? En: toen hij later Wethouder werd was dat toch niet van Stadsontwikkeling of Openbare Werken? Zelfs niet van Monumentenzorg.
Plots drong het tot me door waar het de organisatoren eigenlijk om ging. Bejubelen van oude functionarissen, om de pomp en praal van de aanwezige corypheeën, Thom de Graaf en Alexander Pechtold, op te vijzelen. Zoals een Paus driftig bezig is zijn voorganger Heilig te verklaren... Begrijpelijk dat het niet ter sprake kwam dat Oosterman een al even gewillige lakei van de PvdA was geweest als Pechtold nu, Pechtold het best te omschrijven als een gewillige sneltramaanhangwagen, kameraad De Graaf als de gedreven hervormer.
Toen ik Pechtold leerde kennen was hij duivelstoejager bij de Lakenhal, suppoost en student Kunstgeschiedenis om een vak te leren. Al gauw begon zijn carrière bij de plaatselijke afdeling van D ’66, weldra was hij Wethouder van Monumenten.
Mooi, dacht ik nog, iemand die verstand van kunst heeft en er zelfs nog veel bij wil leren. Ik vergat even wat hij in de tussentijd had gedaan: hij had het tot veilingmeester van een Haagse kunstveiling gebracht. In zijn ijver om zich bij alle partijen geliefd te maken begon hij met de nieuwe Schouwburgdirecteur een veel te ver gaande verbouwingsvergunning te geven voor de Schouwburg die nog geen twintig jaar eerder door Onno Greiner geheel was gerestaureerd. De beige stoeltjes moesten eruit, de parvenu wilde uiteraard op rood pluche zitten. Niets van de kleuren deugde! De omloop moest canariegeel zijn! De blank gelakte houten trapleuning moest in een laffe blauwe modekleur. De lichtarmaturen moesten eruit! Er moest een lichtkroon komen, nog zo een kleinburgerlijke toevoeging aan het plafond van Roskam van omstreeks 1905 dat altijd een beschaafd klein ornament in het midden had gehad... Het ergste wel: één van Schaaps oorspronkelijke trappen (die Onno Greiner open had gemaakt) moest geheel worden afgebroken. Dat laatste was eigenlijk het enige waartegen volgens de monumentenwet bezwaar viel aan te tekenen, wat de Stichting Arent van ’s-Gravesande heeft gedaan. Toen Pechtold bereid bleek de trap te sparen, hebben wij ons bezwaar ingetrokken. Toen ik de intrekking getekend had was ik zo vriendelijk om de „scoop” aan Pechtold te geven, zeggend: „Vertel jij nu de pers dat de zaak door kan gaan”. Of dit nu toch niet genoeg was voor de ijdeltuit, ik heb sindsdien van hem alleen maar ondervonden wat men achterbakse en draaierige tegenwerking kan noemen.
Niet alleen ik ben weinig „chique” door Alexander behandeld. Toen b.v. de verbouw van de Schouwburg doorging (waarover hij Onno Greiner in het geheel niet had geraadpleegd) vond hij het fijngevoelig de door Greiner ontworpen lampen bij opbod te veilen... Eens veilingmeester, altijd veilingmeester...
Toen hij nog Wethouder van Monumenten was heb ik hem gevraagd mijn huis te komen zien en heb ik hem uitgebreid verteld hoe ik het wil restaureren. Toen hij weer op de stoep stond en afscheid nam zei hij „waarom maak je er geen kantoorpand van?”. Ik heb mijn mond gehouden, maar ik dacht: ben je nu stapelgek? - ik vertel je net wat ik wèl wil.
Vervolgens gebeurde er iets ongehoords: voortdurend kwamen er mensen langs die ik helemaal niet kende om te vragen of het huis te koop was. Dat hadden ze op het Stadsbouwhuis gehoord zeiden ze. Er zat zo een luchtje aan van „dan krijgen wij wel vergunning om een kantoor in te richten, ook al mag dat niet zonder wijziging van het bestemmingsplan”. De laatste die ik tegenkwam die „dacht dat het huis te koop was” , nog maar twee jaar geleden, was Melanie Schultz van Haegen, die een korte periode na Alexander wethouder van monumenten in Leiden is geweest. Kennelijk ingewerkt door Alexander.
Dat Alexander zo langzamerhand de gewillige aanhangwagen, de laatste jaren een gewillige sneltramaanhangwagen, van de PvdA was geworden, mag als bekend worden verondersteld. Zijn capriolen hebben weinig landelijke aandacht getrokken. Ze hebben toch meestal in het Leidsch Dagblad gestaan. Zo sprak hij gewichtig op een vergadering van wijkbewoners die tegen de sneltram zijn: „Ik heb nog rekening te houden met de wensen van 116.000 andere Leidenaars!” Toen de wijk een referendum aanvroeg was Alexander tegen - het referendum is er niet gekomen... (In de gemeenteraad heeft alleen Olaf Welling zich principieel voor een referendum verklaard, de enige echte D’66er die nog in de Raad zat).
Vlak daarop, op het congres te Zwolle is hij tot Partijvoorzitter gekozen. Het viel op dat er ook een Utrechtenaar in de race was die een beter verhaaltje en een onafhankelijk voorkomen had. Omdat ik ook naar een vriend wilde die in een Zwols ziekenhuis aan de hartbewaking lag informeerde ik bij de urnen tot hoe laat ik kon stemmen. - Tot drie uur. - En hoe laat is dan de uitslag? - Vijf over drie! Ja, ziet u, de stembus wordt de hele dag door geleegd...
Tot grote tevredenheid van de Tweede Kamerfractie, die graag een gewillige aanhangwager in het Hoofdbestuur heeft, werd Alexander gekozen.
Toen Pechtold Voorzitter en Burgemeester van Wageningen was kwam hij nog regelmatig in Leiden, zo nu en dan een interview aan het Leidsch Dagblad weggevend, waarvan het opmerkelijkste als kop de uitspraak had: „Voordat ik in Wageningen Burgemeester werd, wist ik niet eens waar Wageningen lag.” Aardig als privé-grol op de Societeit Minerva, maar nu niet zo fijngevoelig tegenover de Burgers van Wageningen.
Maar ja, fijngevoelig is het ook niet om je kameraad als een baksteen te laten vallen en dan, alle principes veil hebbend, zijn post als Minister in te nemen. Maar wel tot groot genoegen van de Tweede Kamerfractie...
De laatste capriool is dat Alexander Pechtold het niet vreemd vindt om als Minister van BESTUURLIJKE VERNIEUWING en Koninkrijkszaken (spotvogels hebben het over Nix en Koninkrijkszaken...) in Leiden zitting te nemen in de adviescommissie inzake de Leidse lijst van D’66. Die commissie heeft alle candidaten van een letter voorzien: A, B-keuze en helemaal niks. Er is wel een algemene verklaring van waarnaar ze hebben gekeken, maar helaas ontbreekt bij de candidaten zelf de verantwoording van de A, B of nikskeuze. Men begrijpt uit het interview dat baas Van der Luit aan de pers heeft gegeven, dat hij A-keuze is. Of hij ooit lid is geweest van D’66 staat er niet bij. Gewoon A-keuze.
Eigenlijk is er sinds die eerste ontmoeting in de Lakenhal niet zo veel veranderd. Pechtold speelt nog steeds de duivelstoejager (af en toe een boer latend waarop hij door Balkenende wordt berispt), hij heeft zo af en toe iets veil en hij studeert nog steeds Kunstgeschiedenis - althans, van een diploma in die richting hebben we nog niet gehoord.


Schwerin en Nancy, begin October 2005

Op een snelle reis langs een aantal hoofdsteden van Duitse deelstaten (Laender) die ik nog niet heb gezien en een andere, Romantische hoofdstad die ik ook nog nooit had gezien, ging het in de eerste plaats om een aantal schilderijen van wat men „oude meesters” noemt, maar wanneer je er toch bent beleef je natuurlijk ook de stad en de vervoermiddelen.
Schwerin is als hoodstad van de deelstaat sinds 1990 aanzienlijk opgeknapt, als Europees erfgoed - iets waarvoor Leiden met zijn schat aan 17de- en 18de-eeuwse architectuur ook voor in de plaats zou komen, maar waar men alleen aan doorbraken denkt, en waar B & W op de in het oog vallende hoek van het keurblok Rapenburg-Nieuwsteeg (in de belangrijkste zone van het Beschermde Stadsgezicht) iets willen laten bouwen dat op geen enkele manier in het stadsbeeld past. Natuurlijk weer met een art. 19-procedure om de bedoelingen van de Raad en Monumentenzorg die het bestemmingsplan en het beschermde stadsgezicht hebben opgesteld te omzeilen.
Neem mijn intrek in het eerste hotel het beste, dat, in 1901 gesticht, „Niederlaendischer Hof” heet, in herinnering aan een zeker huwelijk tussen een zekere Heinrich of Hendrik en een zekere Wilhelmina. Als een zekere compensatie ligt het tegenwoordig aan de Karl Marxstrasse. Na één, twee dagen dringt die grote weldadigheid pas goed tot je door: een deelstaathoofdstad, echt niet zo klein, maar met geen enkel hoog gebouw in het centrum. Alles nog met een menselijke maat, zo een vier, vijf verdiepingen hoog, alles opgeknapt in traditionele stijl, 18de- tot 19de-eeuws om te zien, alleen op wat afgelegen plaatsen zie je nog een enkel huis met de verwaarlozing van het Communistische tijdperk. Zelfs het slot, een extreem fantastisch, groot en hoog gebouw met kruiskozijnen en tinnen, torens en vergulde bollen die al aan Slavische kerken doen denken, maar verder vooral wat soppige midden 19de-eeuwse namaak van alles wat Frans I aan het begin van de Renaissance in Frankrijk heeft gebouwd, wordt duur opgeknapt. Werk van het huis Mecklenburg-Schwerin, dat, zoals het een vorstenhuis betaamt, een prachtige schilderijencollectie heeft aangelegd met veel van die oude Hollandse meesters, onder andere de laatste Carel Fabritius voordat Carel door de Delftse buskruitramp werd weggevaagd.
Op het eerste gezicht een ongelooflijk Romantisch schilderstuk voor 1654, en, denk ik, ook als zodanig door de vorst aangeschaft, want dat het vol zit met toespelingen op rechtvaardig en goed regeren zal hem wel zijn ontgaan.
De Schouwburg zal „Dat Spael von Dokter Faustus” spelen, ha! moet je voorstellen: Goethe’s Faust op zijn plat laag-duits... en dat op 3 October, de dag dat men in Leiden eigenlijk het tweehonderdjarig bestaan van Rijndorp’s Schouwburg aan de Oude Vest met diens bewerking van Faust, De Hellevaart van Doctor Joan Faustus, veel eerder dan heer Goethe’s versie, zou moeten vieren!
Maar omdat 3 October hier in het Oosten de Dag van de Vereniging van Oost- en West-Duitsland is, de 15de verjaardag, moet het feest voor een ander feest wijken. Om toch de Schouwburg (zo’n 19de-eeuws bakbeest, men kent ze wel) te beleven ga ik de volgende dag naar een concert. Mooi classiek programma, mooi spel, maar wat een ellendige rotstoeltjes, zelfs op een dure plaats! Gemaakt voor corpulente Oost-Duitse apparaatshiks met korte beentjes. Verhuis na de pauze naar een losstaand stoeltje achter in de zaal waarbij ik merk dat de suppoosten tijdens de muziek de deuren van de zaal op slot doen. Erfenis uit de communistische tijd?
Maar de kunstcollectie van de Hertogen en de mooie stad blijven heerlijk. Veel en breed water natuurlijk, midden in de stad zelfs een Vijver bijna zo groot als een meer, met een meters en meters hoog spuitende fontein. Stoepbanden van natuursteen en de trottoirs ook. Zelfs bij het station geen hoogbouw en een tram die langs het centrum rijdt, tangentiaal zoals in elke fatsoenlijk ingerichte stad, waar ook het centrum grotendeels ont-auto’d is (met een stapvoets rijdende bus).
Had op de heenweg veel te hard gereden, op de autobahn soms sneller dan de TGV door de tunnel in het Hart van Holland mag gaan rijden, maar ontspan hier geheel: wat een weldaad een stad zonder uit de toon vallende nieuwbouw, hoe menselijk om eens een paar dagen van hoogbouw verlost te zijn: hier zijn de accenten die gebouwen die een grotere hoogte met een culturele meerwaarde verbinden, de kerken (het Slot ligt opzij van de stad). De Evangelische in late Renaissance op een Grieks kruis-plattegrond met galerijen, de Roomse Middeleeuws, Gothisch, maar in de 19de eeuw, in de tijd van het opkomende nationalisme en de „Cultuurstrijd” als zoveel Roomse kerken voorzien van een enorme Neo-Gothische toren.
Het Museum is uiterlijk protserig Neo-Romeins maar heeft een verrassende hal: niet zonder de ruimteverslindende, moeilijk beklimbare statietrap, maar met twee elegante gietijzeren spiltrappen in de hoeken met houten treden.
Ik kom nu in Nancy in Lotharingen, de omzwervingen doen in dit verband niet ter zake, wie het interesseert en wat ik gegeten heb onderweg en zo - zoals een zeker logboek zo ingénu vermeldt - kortom, die neme een abonnement op mijn journal intime - omdat, zoals de geachte dames en heren raadsleden en die van het College van B & W zeker weten, Nancy met Caen de eer deelt een moderne tram op één rail en verder met rubber banden te hebben en ik daarmee nu eens een rit wil maken.
Wanneer ik nu schrijf dat ik me weldra voelde als de heldin uit Zazie dans le Métro, dat meesterwerkje van Queneau, dan begrijpen de geinitieerden wat ik bedoel. Place Stanislas was kleiner en vriendelijker geworden in de 57 of 58 jaar dat ik er niet was geweest: ont-auto’d en schoongemaakt waardoor de lichte gevels de perspectief verkleinen - hetzelfde effect als in Parijs na de grote schoonmaak: de boulevards die in blauwe, nevelige verten verdwenen lijken met hun blanke gevels veel intiemer dan vroeger. Het Museum was de eerste teleurstelling: zonder dat het bureau du tourisme of zelfs maar het baliepersoneel van het museum was gewaarschuwd waren de zalen met de Italiaanse en Nederlandse maniëristen, de glorie van het museum, gesloten voor een opverfbeurt. In een museum met een gloednieuwe grote toegevoegde vleugel waar best wat ingeschikt had kunnen worden omdat de andere schilderijen (zo’n moderne waanvoorstelling waarvan vooral de wat zwakkere broeders te lijden hebben) toch op kilometers afstand van elkaar hangen...
Er is vrij veel politie op straat, een aantal hotels in de middenklasse is voorgoed gesloten (zodat ik wel genoodzaakt ben in het Grand Hôtel aan het Place Stanislas te logeren na enig gehaggle over de prijs), er zijn vrij veel allochthonen en vermoedelijk vrij veel werkloosheid en die verdomde tram wil maar niet komen! Uiteraard niet, er wordt gestaakt. Die straat waarlangs ze rijdt (langs het oude centrum) is trouwens een afzichtelijk mengsel van oud en nieuw: veel te veel te hoge gebouwen in de rooilijn, leidend naar een monstrueus groot gebouw bij het station, met veel lelijke puien op z’n Belgisch (in geen enkel architectonisch verband gevatte horizontaal doortuinende ramen), maar door die hoogte van een aantal erg lelijk, Amerikaans. Daar de straat oploopt ook en met die sporen van de tram heeft ze zelfs iets van San Francisco: je gaat op zoek naar de kabelbaan die in de sporen een kabeltrammetje omhoog moet trekken!
Laten we hopen dat de Geachte Dames en Heren Raadsleden van Leiden wanneer ze eens poolshoogte gaan nemen naar de tram op één rail in Frankrijk (alleen in Nancy en Caen), ze het ding in bedrijf zullen aantreffen. Maar zelfs als de tram staakt is er nog een mooi voorbeeld (tussen de winkelstraten Rue St. Dizier en Rue des Quatre Eglises) van een beschaafde „doorbraak” ingericht als winkelgalerie die de straatwanden intact laat aangezien hij aan toegangen alleen door de begane grond loopt.


Mei 2006. Deze rubriek is begonnen als „Leids Logboek”, de nieuwe naam dekt de lading beter.


Wouter Kuyper